Part 52
Den volgenden dag kreeg ik kamers op een steenworps afstand van Napoleon's graf; [384] het was een uitmuntend gelegen plek, van waar men tochten kon doen in elke richting. Gedurende de vier dagen dat ik hier bleef, doolde ik van den ochtend tot den avond over het eiland, en onderzocht zijne geologische gesteldheid. Mijne kamers lagen op eene hoogte van omstreeks 2000 voet; hier was het weder koud en onstuimig, met aanhoudende regenbuien; en telkens was het geheele landschap in dichte wolken gehuld.
Bij de kust ligt de ruwe lava geheel bloot; in de centrale en hoogere gedeelten van het eiland is door verweering van de veldspaat-rotsen een kleiachtige bodem ontstaan, die, waar hij niet met planten is bedekt, breede strooken te zien geeft, welke vele heldere kleuren bezitten. In dit jaargetijde wordt het land door voortdurende regens bevochtigd, en brengt een eigenaardig groen gekleurd gras voort, dat meer en meer verwelkt naarmate men lager komt, en eindelijk verdwijnt. Het is verrassend op eene breedte van 16° en de geringe hoogte van 1500 voet een plantengroei te zien, die een bepaald Britsch karakter bezit. De bergen zijn met ongeregelde groepen Schotsche dennen beplant, en de glooiende heuvels dicht begroeid met bremstruiken, kenbaar aan hunne heldergele bloemen. Treurwilgen komen voor aan de oevers der riviertjes, en de hagen zijn gemaakt van braamstruiken, die de welbekende vruchten leveren. Zoo wij bedenken, dat het aantal tot heden op het eiland gevonden planten 746 bedraagt: dat daaronder slechts 52 inheemsche soorten voorkomen, terwijl de overige ingevoerd zijn, en wel meerendeels uit Engeland, dan zien wij de oorzaak van het Britsch karakter der flora. Vele van deze Engelsche planten schijnen hier beter te bloeien dan in haar vaderland; en evenzoo gedijen eenigen uit het tegenover liggende deel van Australië bijzonder goed. De vele ingevoerde soorten moeten sommige inheemsche hebben verdrongen; en werkelijk is het alleen op de hoogste en steilste bergruggen, dat de inlandsche flora de overhand heeft.
Het Engelsche karakter van het landschap--of liever dat van Wallis--vindt men ook terug in de talrijke hoeven en kleine witte huizen, waarvan sommige verscholen liggen op den bodem der diepste valleien, andere op de toppen der hooge bergen verrijzen. Sommige landschapsgezichten zijn verrassend: bijv. dat in den omtrek van het huis van Sir Doveton, waar men den steilen berg, Lot genaamd, boven een donker bosch van dennen ziet verrijzen--alles te midden van de roode verweerde bergen op de zuidkust. Als men het eiland van eene verhevenheid ziet, treft ons in de eerste plaats het aantal wegen en forten; en zoo men dan zijne bestemming als gevangenis vergeet, schijnt de arbeid, welke hier aan openbare werken is besteed, buiten alle verhouding tot zijne grootte of waarde. Er is zoo weinig vlak of bruikbaar land, dat het verwonderlijk schijnt hoe zooveel menschen (omstreeks 5000) hier kunnen leven. De lagere klassen of de geëmancipeerde slaven, die over gebrek aan werk klagen, zijn, geloof ik, uitermate arm. Waarschijnlijk zal deze armoede nog toenemen, nu wegens de overgave van het eiland door de Oostindische Compagnie, het aantal openbare beambten is afgenomen, en dientengevolge vele rijkere personen zijn vertrokken. Het hoofdvoedsel der arbeidende klasse is rijst met wat pekelvleesch; en aangezien geen dezer artikelen door het eiland wordt voortgebracht, maar met geld moet worden betaald, drukken de lage loonen zwaar op het arme volk. Nu de menschen met vrijheid zijn gezegend--een recht, dat zij ten volle op prijs stellen, naar ik geloof--zal hun aantal waarschijnlijk snel toenemen; en indien dit het geval is, mag men vragen: wat zal er van het kleine St.-Helena worden? [385]
Mijn gids was een man van gevorderden leeftijd, die als knaap geitenhoeder geweest was, en elken voetstap tusschen de rotsen kende. Hij behoorde tot een vele malen gekruist ras, maar had, ondanks zijne donkere huid, niet het onaangename voorkomen van een mulat. Deze oude man was zeer welwillend en kalm van aard--eigenschappen, welke het meerendeel der lagere klasse bezit. Het klonk mij vreemd in de ooren een man, die bijna blank en fatsoenlijk gekleed was, met onverschilligheid over de tijden te hooren spreken toen hij nog slaaf was. Met dezen metgezel, die het middageten en een horen met water droeg (hetgeen volstrekt noodig is, daar al het water in de lagere valleien zout bevat), deed ik dagelijks lange wandelingen.
De wild romantische valleien, onder den bovensten en centralen plantengordel gelegen, zijn geheel verlaten en onbewoond. Voor den geoloog waren hier hoogst belangrijke tafereelen, die van opvolgende veranderingen en samengestelde storingen getuigden. Naar mijne idee heeft St.-Helena sedert een lang vervlogen tijdperk als eiland bestaan; toch zijn er nog eenige vage bewijzen van landrijzing voorhanden. Ik geloof, dat de centrale en hoogste bergtoppen deel uitmaken van een grooten kraterrand, welks zuidelijke helft geheel door de golven der zee is weggespoeld; bovendien is er een buitendam van zwarte basaltrotsen, evenals de kustbergen van Mauritius, die ouder zijn dan de vulkanische stroomen in het midden. Op de hoogere gedeelten van het eiland liggen talrijke schelpen in den grond begraven, die men langen tijd voor eene zee-soort heeft gehouden, doch een Cochlogena of landschelp blijkt te zijn van een zeer eigenaardigen vorm. [386] Bij laatstgenoemde vond ik zes andere soorten, en op eene andere plek eene achtste soort. Het is opmerkelijk, dat geen van deze soorten nu nog levend wordt gevonden. Waarschijnlijk is hare uitsterving veroorzaakt door de algeheele verwoesting der bosschen en het daaruit gevolgde verlies van voedsel en schuilplaatsen, welke in de eerste helft der achttiende eeuw plaats vonden.
De geschiedenis der veranderingen, die de hoogvlakten van Longwood en Deadwood volgens het door generaal Beatson gegeven verhaal ondergaan hebben, is uiterst merkwaardig. Daarin heet het, dat beide vlakten in vroegeren tijd met bosschen waren bedekt, en daarom the Great Wood of het Groote Bosch genoemd werden. Nog in het jaar 1716 stonden er vele boomen, maar in 1724 waren de oude boomen meerendeels gevallen; en daar men geiten en varkens had laten rondloopen, waren alle jonge boomen gedood. [387] Ook blijkt uit de officiëele berichten, dat de boomen eenige jaren later onverwacht werden opgevolgd door een dradig gras, dat zich over de geheele oppervlakte verspreidde. Beatson voegt er bij, dat deze vlakte "thans met een fraai grasveld bedekt en het mooiste stuk weiland op St.-Helena geworden is." De uitgestrektheid van het gebied, dat in vroegeren tijd met bosch bedekt was, wordt op niet minder dan 2000 acres [388] geschat; maar tegenwoordig is er bijna geen enkele boom meer over. Ook zegt men, dat er in 1709 in Sandy-Bay groote menigten doode boomen waren; en nu is die plek eene zoo volslagen woestenij, dat geen ander dan zulk een geloofwaardig bericht mij ooit had kunnen doen gelooven, dat daar eenmaal boomen konden groeien. Het feit, dat de geiten en varkens alle jonge boomen bij hunne ontkieming verwoestten, en dat de oude die van hunne aanvallen verschoond bleven na verloop van tijd door ouderdom stierven, schijnt klaar bewezen te zijn. Geiten werden ingevoerd in het jaar 1502; acht en zestig jaren later, ten tijde van den Britschen zeevaarder Thomas Cavendish, [389] weet men dat zij er verbazend talrijk waren. Meer dan een eeuw later, in 1731, toen de ramp volkomen en onherstelbaar was, werd een bevel uitgevaardigd, dat alle losloopende dieren gedood moesten worden. Hier zien wij dus een feit van groot belang, nl., dat de komst van dieren op St.-Helena in 1502 het geheele aanzien van het eiland niet eer veranderde, voordat er eene tijdruimte van 222 jaren verstreken was; want de geiten werden ingevoerd in 1502, en in 1724 wordt gezegd dat de boomen meerendeels gevallen waren. Er kan weinig twijfel bestaan, of deze groote verandering in den plantengroei had niet alleen gevolgen op de landschelpdieren, waarvan zij acht soorten deed uitsterven, maar ook op eene menigte insecten.
Door zijne ligging, zoo ver van eenig vasteland, te midden van een grooten oceaan, en door het bezit van eene flora welke eenig is in hare soort, wekt St.-Helena onze belangstelling. De acht landschelpdieren, ofschoon nu uitgestorven, zijn, evenals de nog levende Succinea, bijzondere soorten die nergens anders worden gevonden. Cuming meldt mij echter, dat hier een Engelsche Helix (schelp- of huisjesslak) voorkomt, waarvan de eieren ongetwijfeld in eene van de vele ingevoerde planten herwaarts zijn gebracht. Vogels en insecten zijn, zooals te verwachten was, zeer gering in aantal; en wat de eersten betreft, geloof ik, dat die allen in de laatste jaren zijn ingevoerd. [390] Patrijzen en fazanten zijn vrij talrijk: het eiland is te zeer Engelsch, om niet aan strenge jachtwetten onderworpen te zijn. Men vertelde mij een geval van opoffering aan zulke bepalingen, zoo onrechtvaardig als ik zelfs in Engeland nooit gehoord heb. Vroeger plachten arme lieden eene plant te verzamelen, die op de kustrotsen groeit, en na hare verbranding de soda uit de asch naar elders te verzenden. Maar plotseling kwam een streng bevel om deze handelwijze te verbieden, onder voorwendsel, dat de patrijzen anders nergens konden nestelen!
Op mijne wandelingen stak ik meer dan eens de door diepe valleien begrensde grasvlakte over, waarop Longwood staat. Van nabij gezien, doet dit zich voor als een landgoed van aanzienlijke grootte. Daar tegenover liggen enkele bebouwde velden, en achter dezen de berg Flagstaff met zijne gladde oppervlakte en gekleurd gesteente, alsmede het ruwe, plompe, zwarte berggevaarte, de Barn genaamd. Over het geheel was de aanblik eenigszins koud en onaantrekkelijk. De eenige last, dien ik op mijne wandelingen ondervond, waren de hevige winden. Eens was ik getuige van het volgende vreemde natuurverschijnsel. Op den rand eener hoogvlakte staande, die door eene groote klip van omstreeks 1000 voet diepte begrensd werd, zag ik enkele yards ver, vlak bovenwinds, eene zeezwaluw tegen eene zeer sterke bries worstelen, terwijl op de plek waar ik stond de lucht geheel kalm was. Toen ik het strand dicht genaderd was, waar de stroom opwaarts van den klipwand scheen te worden afgedreven, stak ik mijn arm uit en voelde terstond de volle kracht van den wind. Hier scheidde een onzichtbare, twee yards breede dam eene volkomen kalme lucht van een krachtigen storm.
Ik had zooveel genot van mijne zwerftochten tusschen de rotsen en bergen, dat ik op den morgen van den 14den Juli bijna met spijt naar de stad afdaalde. Vóór den middag was ik aan boord en ging de Beagle onder zeil.
Op den 19den Juli bereikten wij Ascension. Personen, die een vulkanisch eiland hebben gezien, dat in een droog klimaat gelegen is, zullen zich den aanblik van Ascension terstond kunnen voorstellen. In hunne verbeelding zullen zij dan gladde kegelvormige bergen zien van een lichtroode kleur, met meestal afgeknotte toppen, die, onderling gescheiden, zich uit een horizontaal oppervlak van ruwe zwarte lava verheffen. Een hoofdberg in het midden van het eiland schijnt de vader der kleinere kegels, en draagt den naam van Green Hill of Groene berg, ontleend aan de zeer zwakke tint van die kleur, welke in dezen tijd van het jaar nauwelijks van de ankerplaats is waar te nemen. Eene woeste en onstuimige zee, die op de zwarte rotsen aan de kust beukt, voltooit dit sombere tafereel.
De nederzetting ligt in de nabijheid van het strand en bestaat uit verscheidene witte hardsteenen huizen en loodsen, die ongeregeld geplaatst, maar goed gebouwd zijn. De bewoners zijn uitsluitend zeesoldaten, behalve eenige uit slavenschepen bevrijde negers, die door het gouvernement betaald en van levensmiddelen worden voorzien. Op het geheele eiland woont geen enkel particulier. [391] Onder de zeesoldaten schenen vele met hun toestand wel tevreden; zij achtten het beter hunne 21 jaren aan land te dienen--hoe dit land ook zijn mocht--dan op een schip; en indien ik zeesoldaat was, zou ik van harte met deze keus instemmen.
Den volgenden morgen beklom ik den 2840 voet hoogen Green Hill, [392] en wandelde van daar over het eiland naar de windzijde. Een goede wagenweg voert van de nederzetting op de kust naar de huizen met tuinen en velden, die zich nabij den top van den centralen berg bevinden. Ter zijden van den weg staan mijlsteenen en vindt men waterputten, waaruit elk dorstig voorbijganger een teug goed water kan drinken. Eene dergelijke zorg wordt in elk deel der kolonie in acht genomen, en vooral wat het onderhoud der bronnen betreft, opdat geen enkele druppel water verloren zal gaan; inderdaad kan het geheele eiland vergeleken worden met een groot schip, dat op de voortreffelijkste wijze onderhouden wordt. Toen ik de groote nijverheid bewonderde, die met zulke geringe middelen dergelijke resultaten had voortgebracht, kon ik tevens de spijt niet onderdrukken, dat al die nijverheid verspild werd voor zulk een armzalig en beuzelachtig doel. Lesson heeft terecht opgemerkt, dat alléén de Engelsche natie op het denkbeeld zou komen om van het eiland Ascension eene vruchtbare plek te maken, waar elk ander volk het slechts als fort in den oceaan zou gebruiken.
Bij de kust groeit niets; verder landwaarts in kan men soms eene groene castorolie-plant [393] en enkele sprinkhanen ontmoeten, bekend als ware vrienden van de wildernis. Over de oppervlakte der centrale hoogvlakte is eenig gras verspreid, en het geheel heeft veel weg van de slechtere gedeelten in het gebergte van Wallis. Maar al lijkt de weide ook schraal, toch vinden ongeveer 600 schapen, vele geiten, benevens enkele koeien en paarden er ruim hun voedsel. Onder de inlandsche dieren wemelt het van landkrabben en ratten. Of de rat werkelijk inheemsch is, mag men terecht betwijfelen; volgens de beschrijving van Waterhouse zijn er twee variëteiten of speelsoorten: de eene heeft eene zwarte kleur, een fraai glad vel, en leeft op het met gras bedekte hoogland; de andere is bruinachtig van kleur, minder glad, heeft langer haar, en leeft bij de nederzetting op de kust. Deze beide speelsoorten zijn een derde kleiner dan de gewone zwarte rat (Mus rattus), en verschillen van deze zoowel in kleur als in den aard van haar vel; maar verder in geen ander opzicht van belang. Ik kan moeilijk betwijfelen of deze ratten zijn ingevoerd (evenals de gewone muis, die óók verwilderd is), en hebben, evenals op de Galápagos-Eilanden, de veranderingen ondergaan, die voortsproten uit de nieuwe levensvoorwaarden waaraan zij werden onderworpen; daarom verschilt ook de speelsoort op de hoogvlakte van het eiland van die op de kust. Inheemsche vogels ontbreken geheel; maar de paarlhoen (Numida), die van de Kaap-Verdische Eilanden werd ingevoerd, is er talrijk, en de gewone kip loopt ook in 't wild. Eenige katten, die oorspronkelijk op het verdelgen van ratten en muizen uittrokken, zijn zoozeer in aantal toegenomen, dat zij eene groote plaag zijn geworden. Het eiland bezit geen enkelen boom, en is, zoowel in dit als in elk ander opzicht, veel minder dan St.-Helena.
Een mijner uitstapjes voerde mij naar de zuidwestpunt van het eiland. Het was een heldere en warme dag; maar in plaats dat ik nu het eiland op zijn schoonst zag, stralend in het zonlicht, grijnsde het mij tegen in al zijne naakte leelijkheid. De lavastroomen zijn met heuveltjes bedekt en zoo ruw, dat het niet gemakkelijk is dit geologisch te verklaren. De tusschenruimten liggen verborgen onder lagen puimsteen, asch en vulkanischen tufsteen. Toen ik over zee langs dit deel van het eiland ging, kon ik niet begrijpen wat de witte vlekken waren, waarmee de gansche vlakte gestippeld was; nu vond ik, dat het zeevogels waren, die zoo vol vertrouwen lagen te slapen, dat men zelfs midden op den dag naar hen toe kon wandelen en hen grijpen. Deze vogels waren de eenige levende wezens, die ik gedurende den ganschen dag zag. Ofschoon er eene zwakke bries op de kust stond, rolde eene sterke branding over de gebroken lavarotsen.
De geologie van dit eiland is in vele opzichten belangrijk. Op verscheidene plaatsen ontdekte ik vulkanische bommen, d.w.z. klompen lava, die eenmaal in vloeibaren staat in de lucht werden geslingerd en dientengevolge eene bol- of peervormige gedaante hebben aangenomen. Zoowel hare uitwendige, als in vele gevallen ook hare inwendige structuur verraadt op zeer treffende wijze, dat zij in hare luchtbaan om eene as hebben gewenteld. In nevenstaande figuur is de inwendige structuur van eene dezer gebroken bommen zeer nauwkeurig voorgesteld.
Het middengedeelte bestaat uit grove cellen, die naar buiten toe in grootte afnemen, tot waar zij omsloten zijn door een schaalvormig kapsel, ongeveer een derde inch dik, van vast gesteente, dat weder aan de buitenzijde met eene korst van fijncellige lava bedekt is. Naar mijn idee kan er weinig twijfel bestaan, ten eerste, dat de buitenkorst snel afkoelde in den toestand waarin wij haar nu zien; ten tweede, dat de nog vloeibare kernlava door de middelpuntvliedende kracht, die de aswenteling der bom in 't leven riep, tegen de afgekoelde buitenkorst werd gedreven en zoo de vaste steenen schaal vormde; en eindelijk, dat de middelpuntvliedende kracht, welke de drukking in de meer centrale gedeelten der bom verminderde, aan de ingesloten verhitte gassen gelegenheid gaf de kerncellen uit te zetten, en aldus de grofcellige binnenmassa deed ontstaan.
Een uit de oudere reeks van vulkanische gesteenten gevormde heuvel, dien men ten onrechte voor een vulkaankrater heeft gehouden, is belangrijk doordat zijn breede, eenigszins holle, cirkelvormige top gevuld is met een aantal opvolgende lagen van asch en fijne slakken. De schotelvormige lagen puilen over den rand, waar zij zuivere, verschillend gekleurde ringen vormen, en zoodoende aan den top een hoogst phantastisch aanzien geven; een dezer ringen is wit en breed, en gelijkt op eene renbaan waar paarden worden geoefend: vandaar dat deze heuvel den naam van Devil's Riding School (Duivels-Rijschool) ontving. Uit een der tufhoudende lagen die eene bleekroode kleur had, nam ik eenige specimens stof mee naar Engeland. Na opzending daarvan aan Prof. Ehrenberg, meldde deze mij het hoogst belangrijke feit, dat die stof bijna geheel uit bewerktuigde wezens [394] bestond. Hij ontdekte daarin eenige kiezelschalige zoetwater-infusoria, en daarenboven niet minder dan 25 verschillende soorten kiezelskeletten van planten, voornamelijk grassen. Wegens het ontbreken van alle koolstofhoudende verbindingen, houdt Ehrenberg het er voor, dat deze organische lichamen den vulkanischen vuurdoop hebben ondergaan, en uitgeworpen zijn in den toestand, waarin wij hen nu zien. Het voorkomen der lagen deed mij denken, dat zij onder water waren afgezet, ofschoon het buitengewoon droge klimaat mij tot de onderstelling leidde, dat er gedurende eene groote uitbarsting waarschijnlijk stroomen regen waren gevallen, en zoo een tijdelijk meer was gevormd, waarin de asch viel. Thans mag men echter aannemen, dat het geen tijdelijk meer was. Hoe dit ook zij, wij kunnen ons verzekerd houden, dat het klimaat en de voortbrengselen van Ascension in een vroeger tijdperk zeer verschilden van wat zij nu zijn. Bij het zien van dit eiland vragen we ons weder af: waar kunnen wij op aarde een plek vinden, die niet bij aandachtig onderzoek teekenen openbaart van die eindelooze reeks van veranderingen, waaraan onze planeet onderhevig was, is, en zijn zal?
Na Ascension te hebben verlaten, zeilden wij naar Bahia op de kust van Brazilië, ten einde de chronometrische opmeting van de wereld te voltooien. Op 1 Augustus 1836 kwamen wij hier aan, en bleven er vier dagen, in welken tijd ik verscheidene lange wandelingen deed. Met genoegen ontdekte ik, dat mijne belangstelling in het tropische landschap door het ontbreken van nieuwe gegevens er volstrekt niet op verminderd was. De onderdeelen van het landschap zijn hier zoo eenvoudig, dat zij verdienen genoemd te worden als een bewijs van welke nietige omstandigheden een uitgezocht natuurschoon afhangt.
Het oord kan worden beschreven als eene effene vlakte van omstreeks 300 voet hoogte, welke overal doorsneden is van valleien met horizontale bodems. In een land waar de bodem uit graniet bestaat, is zulk een structuur merkwaardig; doch in al die zachtere formaties waaruit vlakten gewoonlijk bestaan, is zij nagenoeg algemeen. De geheele oppervlakte is bedekt met verschillende soorten van rijzig geboomte, afwisselend met strooken ontgonnen grond, waarop huizen, kloosters en kapellen verrijzen. Hier zij herinnerd, dat in de keerkringen de rijkdom van wild natuurschoon zelfs in de nabijheid van groote steden niet verloren gaat, want de natuurlijke plantenwereld der hagen en heuvelhellingen beheerscht op schilderachtige wijze het kunstwerk van den mensch. Dientengevolge zijn er slechts enkele plekken, waar de lichtroode grond eene scherpe tegenstelling vormt met het algemeen bekleedsel van groen. Van de zoomen der vlakten heeft men vergezichten hetzij op den oceaan, hetzij op de groote Baai met hare laag begroeide stranden, en waarop talrijke booten en kano's hare witte zeilen vertoonen. Behalve van deze punten is het landschap uiterst begrensd; want volgt men de effen paden rechts en links, dan kan men de met bosch bedekte dalen slechts vluchtig te zien krijgen. Ik kan er bijvoegen, dat de huizen, en vooral de kerkelijke gebouwen in een eigenaardigen en eenigszins phantastischen stijl zijn opgetrokken. Daar al die huizen gewit zijn, teekenen zij zich in 't licht der stralende middagzon op den matblauwen hemel aan de kim eerder af als schimmen, dan als gebouwen.
Zoo zijn de onderdeelen van het landschap; maar het zou een hopeloos werk zijn den algemeenen indruk er van te schilderen. Geleerde natuuronderzoekers beschrijven deze tropische landschappen door eene menigte voorwerpen te noemen, en eenige bijzonderheden te vermelden die elk hunner kenmerken. Een geleerd reiziger kan daaruit mogelijk eenige duidelijke begrippen putten; maar wie kan anders, door eene plant in een herbarium te zien, zich voorstellen hoe zij er uitziet als zij in haar geboortegrond groeit? Wie kan, bij het zien van keurplanten in eene broeikas, eenige er van vergroot denken tot de afmetingen van woudboomen, andere als dicht dooreengevlochten tot een ontoegankelijk struikgewas? Wie zal, als hij de bonte, uitheemsche kapellen en eigenaardige cicadae gadeslaat in het kabinet van den entomoloog, zich bij die levenslooze vormen ook voorstellen de onafgebroken schorre muziek der laatsten, de trage vlucht der eersten--twee kenmerken, die op een stillen, gloeienden middag in de tropen nooit ontbreken? Het is wanneer de zon hare grootste hoogte heeft bereikt, dat men zulke landschappen zien moet: dan hult het dichte, prachtige gebladerte van den mango-boom den grond in zijn diepste schaduw, terwijl de bovenste takken door den overvloed van licht prijken in het schitterendste groen. In de gematigde streken is dit anders: daar is de plantengroei niet zoo donker of weelderig, en zijn het de purper-, rood-, of lichtgeel gekleurde stralen der namiddagzon, welke het meest tot de schoonheid dier streken bijdragen.