Part 51
Volgens onze theorie is het duidelijk, dat kusten die alléén door randriffen worden omgeven, niet merkbaar diep gezonken kunnen zijn, en dus sedert den groei harer koralen òf op hetzelfde peil gebleven, òf opgeheven moeten zijn. Nu is het opmerkelijk, hoe in 't algemeen door de aanwezigheid van uit zee geheven organische overblijfsels kan worden aangetoond, dat de eilanden met randriffen gerezen zijn. In zoover is dit een indirect bewijs voor de juistheid onzer theorie. Dit feit trof mij vooral, toen ik tot mijne verwondering ontdekte, dat de door Quoy en Gaimard gegeven beschrijvingen niet toepasselijk waren op riffen in 't algemeen (gelijk stilzwijgend door hen werd aangenomen), maar alleen op die van de klasse der kust- of randriffen. Mijne verwondering week echter, toen ik later bevond, dat volgens de eigen verklaringen dezer bekwame natuuronderzoekers bewezen kon worden, dat, door een spel van het toeval, al de verschillende door hen bezochte eilanden in een jong geologisch tijdperk omhoog waren geheven. [377]
Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij, onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen, wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard de hoofdtrekken in den bouw van walriffen en atollen, en van hunne onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook vele bijzonderheden in bouw en zelfs uitzonderingsgevallen vinden door haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen, dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der valleien op het ingesloten land--zelfs dan, als het rif van het land gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt, dat de zeer geringe hoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde modder, zand en kiezel de rifkoralen doodt, waarop die stoffen worden afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt, zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden, enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijd eenige open blijven) voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke kustrif van geulen werd doorsneden.
Wij kunnen nu gemakkelijk inzien, hoe een eiland dat slechts aan ééne zijde, met of zonder insluiting van een of beide uiteinden, door walriffen is omgeven, na langdurige onderzinking veranderd kan worden hetzij in een enkel muurvormig rif, hetzij in eene atolle met een groote recht daaruit stekende klip, of eindelijk in twee of drie door rechte riffen verbonden atollen. Werkelijk komen al deze bijzondere gevallen voor. Daar de rifvormende koralen voedsel noodig hebben, en op hunne beurt weer door andere dieren worden gegeten; daar zij door bezinksel worden gedood, zich niet aan een lossen bodem kunnen hechten, en gemakkelijk op eene diepte kunnen geraken, waaruit zij niet weer kunnen omhoog groeien--behoeven wij ons niet te verwonderen, dat zoowel atollen als walriffen op sommige punten onvolledig worden. Zoo is het groote walrif van Nieuw-Caledonië op vele plaatsen onvolledig en gebroken; en na langdurige onderzinking zou dat rif niet voortbrengen eene enkele groote atolle van 400 mijlen lengte, maar eene reeks of archipel van atollen, van ongeveer dezelfde afmetingen als die der Maldivische Eilanden. Bovendien, zoodra eene atolle eenmaal aan overstaande zijden is doorgebroken, is het, op grond dat de zee- en getijstroomingen vermoedelijk recht door de breuken zullen gaan, hoogst onwaarschijnlijk dat de koralen ooit in staat zullen zijn weer den rand te bereiken, vooral wanneer de inzinking voortduurt. Is dit het geval, dan zal, terwijl de geheele oppervlakte zinkt, ééne atolle in twee of meer kleinere worden verdeeld. In den Maldivischen Archipel is de betrekkelijke ligging van verschillende atollen, die òf door onpeilbare òf zeer diepe kanalen van elkander gescheiden zijn, [378] zoodanig, dat men bij een blik op de kaart niet anders kan denken, dan dat zij eenmaal tot elkaar in nauwer verband stonden. En in dezen zelfden archipel is de atolle Mahlos-Mahdoo door een tweearmig kanaal van 100 tot 132 vademen zoodanig verdeeld, dat het haast niet mogelijk is te zeggen of hier, strikt genomen, sprake is van drie afzonderlijke atollen, of van ééne groote die nog niet geheel verdeeld is. Ik zal hier niet in veel meer bijzonderheden treden, doch moet opmerken, dat, zoo men let op het feit dat de zee vrijen toegang heeft door de gebroken randen der noordelijke Maldivische atollen, haar eigenaardige bouw eene eenvoudige verklaring vindt in den op- en buitenwaartschen groei der koralen, die oorspronkelijk gegrondvest waren op kleine vrijstaande riffen in hare lagunen (zooals in gewone atollen voorkomen), en op gebroken deelen van het lineaire zoomrif, als waardoor elke atolle van den gewonen vorm begrensd wordt. Ik kan niet nalaten telkens weêr op den zonderlingen bouw dezer samengestelde gewrochten te wijzen, nl. eene groote, zandige en meestal holle schijf, die zich steil uit den onpeilbaren oceaan verheft: die in haar midden bezaaid en aan den rand symmetrisch is omkranst met ovale koraalsteenen holten, welke juist het oppervlak der zee raken, die somtijds met planten zijn bedekt, en alle een meer van helder water bevatten!
Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn op hun bestaan--zou het een onverklaarbaar feit wezen, indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in 't leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken, die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt om de eene of andere reden--misschien omdat de onderzinking te snel is geschied--op 't oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif, negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen, nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer "halfverdronken atollen" (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen (166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe atollen gevormd zullen worden, zou men twee gewichtige bedenkingen kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke atolle in 't bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.
In mijn werk over "Koraalvormingen" heb ik eene kaart in 't licht gegeven, waarop alle atollen donkerblauw, de walriffen lichtblauw en de rand- of kustriffen rood gekleurd zijn. Deze laatste riffen zijn gevormd toen het land in rust, of, zooals uit de menigvuldige aanwezigheid van opgeheven organische overblijfsels blijkt, langzaam rijzend was. Atollen en walriffen, daarentegen, zijn opgegroeid gedurende de lijnrecht tegenovergestelde dalende beweging, die zeer gestadig en, wat de atollen betreft, vertikaal zoo groot geweest moet zijn, dat over uitgestrekte ruimten in zee elke hooge bergtop geheel is ondergezonken. Op deze kaart kunnen wij zien, dat de licht- en donkerblauw getinte riffen, die door dezelfde bewegingsrichting zijn ontstaan, als algemeene regel opvallend dicht bij elkander staan. [379] Ook zien wij, dat de oppervlakten met de twee blauwe tinten zeer uitgestrekt zijn, en dat zij gescheiden liggen van uitgestrekte roodgekleurde reeksen kustriffen. Deze beide omstandigheden had men terstond kunnen afleiden uit de theorie, dat de aard der riffen bepaald wordt door den zin der beweging van onze aardkorst. Het verdient opmerking, dat ik in meer dan één geval waar enkele roode en blauwe cirkels elkander dicht naderen, kan aantoonen, dat er hoogte-schommelingen geweest zijn; want in zulke gevallen zijn de roode cirkels of randriffen eigenlijk atollen, die volgens onze theorie oorspronkelijk tijdens eene daling gevormd, maar later opgeheven zijn; en omgekeerd bestaan sommige lichtblauwe cirkels of omwalde eilanden uit koraalsteen, die tot zijne tegenwoordige hoogte moet zijn opgeheven, voordat de daling intrad, gedurende welke de bestaande walriffen opgroeiden.
Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië) ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere, rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote vastelanden meerendeels rijzende--en uit den aard der koraalriffen, dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.
Ik heb door vuurroode punten de plaatsen aangestipt van de talrijke werkzame vulkanen, die binnen de grenzen van dezelfde kaart gelegen zijn. Hoogst verrassend is het feit, dat zij geheel ontbreken in elk van de groote zinkende oppervlakten, hetzij licht- of donkerblauw gekleurd; en niet minder verrassend is het samenvallen van de hoofdketens der vulkanen met de roodgekleurde gedeelten, welke de feiten ons leeren beschouwen als sedert lang in rust, of meer algemeen, als in jongeren tijd omhoog geheven te zijn. Ofschoon enkele van de vuurroode plekken op geen grooten afstand liggen van alleenstaande blauwgetinte cirkels, is toch geen enkele werkzame vulkaan dichter dan vele honderden mijlen van een archipel of zelfs van eene kleine groep atollen gelegen. Het is daarom een opmerkelijk feit, dat op de Vriendschaps-Eilanden, die uit eene groep opgeheven en sedert gedeeltelijk vervallen atollen bestaan, voor zoover men weet twee, en vermoedelijk meer vulkanen sinds historische tijden in werking zijn geweest. [380] Daarentegen is op de door walriffen omgeven eilanden in den Stillen Oceaan, voor zoover men weet, geen enkele vulkaan ooit in uitbarsting geweest, ofschoon de meeste dezer eilanden van vulkanischen oorsprong en de overblijfsels van kraters dikwijls nog duidelijk te onderkennen zijn. Uit deze gevallen zou dus blijken, dat vulkanen op dezelfde plaatsen in werking komen en uitgedoofd worden, naar gelang er rijzende of dalende bewegingen heerschen. Tallooze feiten kon men aanvoeren om te bewijzen, dat overal daar waar werkzame vulkanen zijn, opgeheven organische overblijfsels voorkomen; maar niet voordat men kon bewijzen, dat vulkanen op zinkende bodems òf ontbraken òf werkeloos waren, zou het zeer gewaagd geweest zijn de gevolgtrekking af te leiden--hoe waarschijnlijk ook op zich zelve--dat hunne verdeeling van het rijzen of dalen der aardkorst afhing. Maar ik denk, dat wij nu deze belangrijke gevolgtrekking vrijelijk mogen aannemen.
Werpen wij een laatsten blik op de kaart, en denken wij aan hetgeen gezegd is omtrent de opgeheven organische overblijfsels, dan moeten wij verwonderd zijn over de uitgebreidheid der streken, die in een geologisch niet ver verleden aan op- en nederwaartsche niveau-veranderingen onderhevig zijn geweest. Ook zou het ons toeschijnen, dat de rijzende en dalende bewegingen nagenoeg dezelfde wetten volgen. Over het gansche gebied dat met atollen is bedekt, waar geen enkele rotspunt of stuk hoogland boven den zeespiegel is gebleven, moet de zinking ontzaglijk diep geweest zijn. Bovendien moet zij uiterst langzaam zijn geschied, hetzij die beweging onafgebroken voortduurde, of zich herhaalde na tusschentijden, lang genoeg om den koralen gelegenheid te geven hunne levende gebouwen tot den zeespiegel op te trekken. Waarschijnlijk is deze gevolgtrekking de belangrijkste, die uit de studie der koraalvormingen kan worden afgeleid; en het laat zich moeilijk voorstellen, of men er ooit langs een anderen weg toe gekomen zou zijn. Eindelijk kan ik niet nalaten er op te wijzen, dat de voorheen bestaande groote archipels van hooge eilanden, daar waar nu slechts ringen van koraalgesteente eene zwakke breking vormen in het uitgestrekte zeegebied, waarschijnlijk eenig licht zullen werpen op de verspreiding der bewoners van de andere hooge eilanden, die nu te midden van de groote oceanen op zulke onmetelijke afstanden van elkaar gescheiden liggen. Inderdaad hebben de rifvormende koralen wondervolle gedenkteekenen opgericht en bewaard van de onderaardsche niveau-veranderingen en hare reactie op de korst; in elk walrif zien wij het bewijs dat daar het land is ondergezonken, en in elke atolle een gedenkteeken boven een eiland, dat nu verdwenen is. Zoo zullen wij dan, evenals een geoloog die tienduizend jaren heeft geleefd en aanteekening hield van de opvolgende veranderingen, eenig inzicht kunnen krijgen in het groote stelsel van kern-contractie en korstplooiing, waardoor het oppervlak der aarde werd gebroken, en land en zee van plaats verwisselden. [381]
HOOFDSTUK XXI.
MAURITIUS--TERUGKEER NAAR ENGELAND.
[29 April 1836.]
Des morgens zeilden wij om de noordpunt van Mauritius of Isle de France. Van dit punt uit beantwoordde de aanblik van het eiland aan de verwachtingen, die de vele welbekende beschrijvingen over zijne schilderachtige natuur hadden opgewekt. Op den voorgrond lag de glooiende Pampelmoezenvlakte met hare hier en daar verspreide huizen en groote suikerrietvelden, die aan het geheel eene heldergroene kleur gaven. De glans van dit groen was des te merkwaardiger, omdat deze kleur meestal eerst op zeer korten afstand in 't oog valt. Naar het midden van het eiland verrezen groepen bergen uit de rijk bebouwde vlakte, die met bosschen waren bedekt en waarvan de toppen, gelijk zoo dikwijls met oude vulkanische rotsen gebeurt, van de scherpste punten waren voorzien. Zware, witte wolkbanken waren rondom deze toppen saamgepakt, als met het doel om het oog van den vreemdeling te boeien. Het geheele eiland met zijn glooienden rand en bergen in het midden, was op de smaakvolste wijze met natuurschoon versierd, en vormde een landschap, waar, indien ik het zoo zeggen mag, voor het oog alles in harmonie was.
Den volgenden dag besteedde ik grootendeels aan het doen van wandelingen om de stad en aan het bezoeken van verschillende personen. De stad bezit eene aanzienlijke grootte, heeft zeer nette en regelmatige straten, en telt, naar men zegt, 20.000 inwoners. [382] Ofschoon het eiland reeds zoovele jaren onder Engelsch bestuur staat, is het algemeen karakter der stad Fransch gebleven: de Engelschen spreken Fransch tot hunne bedienden, en de winkels zijn allen Fransche. Inderdaad zou ik denken, dat Calais of Boulogne nog meer Engelsch waren. Er is een kleine, maar zeer aardige schouwburg, waarin uitmuntende opera-voorstellingen worden gegeven. Ook waren wij verrast bij het zien van groote boekwinkels met welgevulde kasten. Muziek en lectuur verkondigen, dat wij de oude beschaafde wereld naderen; want waarlijk, zoowel Amerika als Australië zijn nieuwe werelden.
Het meest belangwekkende schouwspel in Port-Louis zijn de verschillende menschenrassen, die langs de straten wandelen. Indische misdadigers worden hier voor levenslang verbannen; op het oogenblik zijn er ongeveer 800, die voor allerlei openbare werken gebruikt worden. Voordat ik deze menschen zag, had ik geen idee, dat de bewoners van Indië zulke fraaie typen van menschen waren. Hunne huid is zeer donker, en vele oudere mannen hadden groote knevels en baarden van eene sneeuwwitte kleur, hetgeen, gevoegd bij hunne vurige gebaren, hun een indrukwekkend voorkomen gaf. De meesten waren wegens moord en de ergste misdaden verbannen; anderen om redenen, die moeilijk als zedelijke vergrijpen beschouwd kunnen worden: zooals ongehoorzaamheid aan de Engelsche wetten wegens bijgeloovige drijfveeren. In 't algemeen zijn deze menschen kalm en gedragen zij zich goed; zoowel om hun persoonlijk gedrag, hunne zedelijkheid en de getrouwe vervulling van hunne godsdienstplichten, kan men hen onmogelijk gelijkstellen met onze ongelukkige verbannenen in Nieuw Zuid-Wallis.
[Zondag 1 Mei.]
Ik deed eene lange wandeling langs de zeekust naar het noorden der stad. Op dit gedeelte is de vlakte geheel onbebouwd en bestaat uit een zwart lavaveld, dat geëffend is door een laagje grof gras en struiken, waarvan de laatsten voornamelijk uit Mimosae bestaan. Men kan het landschap beschrijven als het midden houdend tusschen die op de Galápagos-Eilanden en op Tahiti--wat intusschen slechts aan zeer weinige personen een juist denkbeeld er van zal geven. Het is een zeer aangenaam oord, maar bezit noch de bekoorlijkheid van Tahiti, noch het grootsche karakter van Brazilië.
Den volgenden dag beklom ik den berg La Pouce, zoo genoemd naar zijne duimvormige gedaante, die zich dicht achter de stad tot eene hoogte van 2600 voet verheft. Het midden van het eiland bestaat uit eene groote bergvlakte, omgeven door oude gebroken basaltbergen, die met hunne lagen naar de zeekust hellen. De centrale, uit betrekkelijk jonge lavastroomen gevormde hoogvlakte heeft eene lang-ronde gedaante, waarvan de korte as 13 geographical miles (24,1 kilom.) lang is. De randbergen, die haar omgeven, behooren tot die klasse van vormingen, waaraan de naam van "Opheffingkraters" is gegeven, en die ondersteld worden niet evenals gewone kraters, maar door eene groote en plotselinge rijzing ontstaan te zijn. [383] Het schijnt mij toe, dat er onoverkomelijke bezwaren tegen deze meening bestaan; anderzijds kan ik in dit en eenige andere gevallen moeilijk gelooven, dat deze kratervormige randgebergten slechts de overblijfsels zijn der ondereinden van reusachtige vulkanen, waarvan de toppen afgeslagen of in onderaardsche diepten verzwolgen zijn.
Van ons hoog standpunt hadden wij een prachtig uitzicht over het eiland. Het land aan dezen kant schijnt zeer goed bebouwd; want het was in velden verdeeld, waarop talrijke pachthoeven stonden. Men verzekerde mij echter, dat tot heden niet meer dan de helft van het geheele land voortbrengselen oplevert. Is die bewering juist, dan zal Mauritius, zoo men let op den tegenwoordigen grooten uitvoer van suiker, in de toekomst van veel belang worden, wanneer het dicht bevolkt is. Sedert Engeland het in bezit nam (eene periode van slechts 25 jaren), zegt men dat de uitvoer van suiker tot het 75-voud gestegen is. Eene groote oorzaak van zijn voorspoed is de uitmuntende staat der wegen. Op het naburige Isle de Bourbon, dat onder Fransch bestuur blijft, zijn de wegen nog in denzelfden ellendigen staat, als zij enkele jaren geleden hier waren. Ofschoon de Fransche bewoners uit de meerdere welvaart van hun eiland stellig zeer veel voordeel hebben getrokken, is het Engelsche bestuur verre van populair.
[3 Mei.]
Des avonds noodigde de Inspecteur-generaal, kapitein Lloyd--zoo wel bekend door zijn onderzoek van het Panama-kanaal--den heer Stokes en mij op zijn landgoed, dat omstreeks zes mijlen van de haven aan den rand der Wilheim-vlakte gelegen is. Wij bleven twee dagen op deze aangename plek; door hare ligging, 800 voet boven de zee, was de lucht er koel en frisch, en naar alle zijden openden zich heerlijke wandelingen. Dicht bij lag een groot ravijn, dat tot eene diepte van omstreeks 500 voet in den zwak hellenden lavastroom was uitgehold, die van de centrale bergvlakte was gevloeid.
[5 Mei.]
Kapitein Lloyd bracht ons naar de verscheidene mijlen zuidwaarts gelegen Rivière Noire of Zwarte Rivier, waar ik eenige gerezen koraalbanken onderzoeken wilde. Wij trokken door vriendelijke tuinen en fraaie velden met suikerriet, dat tusschen reusachtige brokken lava groeide. Hagen van mimosa-struiken omzoomden de wegen, en bij vele huizen waren lanen met mango-boomen (Mangifera indica). Sommige kijkjes, daar waar de bouwhoeven zich afteekenden op een achtergrond van spitse bergen, waren uiterst schilderachtig; en telkens kwamen wij in verzoeking om uit te roepen: "Hoe heerlijk zou het zijn om levenslang op zulke rustige plekjes te wonen!" Kapitein Lloyd bezat een olifant, dien hij halfweg met ons liet meegaan, om ons het genot van een echt Indischen rit te verschaffen. Wat mij hierbij het meest verraste, was zijn volkomen gedruischlooze stap. Deze olifant is op 't oogenblik de eenige op het eiland; doch, naar men zegt, zullen er meer worden gezonden.
[9 Mei.]
Wij zeilden uit Port-Louis, en kwamen, na een kort oponthoud aan de Kaap de Goede Hoop, den achtsten Juli in het gezicht van St.-Helena. Dit eiland, welks terugstootende aanblik zoo menigmaal beschreven is, verrijst als een reusachtig zwart kasteel loodrecht uit den oceaan. Als om de natuurlijke verdediging te voltooien, zijn alle holten tusschen de ruwe rotsen in de nabijheid der stad met kleine forten en kanonnen gevuld. De stad ligt op de helling eener vlakke en smalle vallei, en heeft tamelijk goede huizen waartusschen zeer weinige groene boomen staan. Toen wij de ankerplaats naderden, hadden wij een indrukwekkend gezicht op een onregelmatig gebouwd kasteel, dat boven op een hoogen berg stond, en met de enkele er om heen staande denneboomen zich scherp tegen den hemel afteekende.