De Reis om de Wereld

Part 50

Chapter 503,650 wordsPublic domain

Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan, welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen van zulk eene atolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien te hebben.

De vroegere reizigers stelden zich voor, dat de koraalvormende dieren hunne groote ringen instinctmatig bouwden, om zich aan de binnenzijde eene veilige schuilplaats te verschaffen; maar als bewijs hoe ver dit van de waarheid is, wil ik alleen zeggen, dat die in massa vereenigde soorten, van wier groei op de open buitenkusten het bestaan van het rif zelf afhangt, niet binnen de lagune kunnen leven, waar andere fijn vertakte soorten bloeien. Volgens die meening wordt bovendien ondersteld, dat vele soorten van verschillende geslachten en families zich tot één doel vereenigen; en van zulk eene vereeniging is in de geheele natuur geen enkel voorbeeld te vinden. De theorie, welke het meest ingang heeft gevonden is, dat atollen op onderzeesche kraters rusten; beschouwen wij echter den vorm en grootte van sommige, het aantal, de nabuurschap en betrekkelijke ligging van andere, dan verliest dit denkbeeld zijn aannemelijk karakter. Zoo meet de atolle Suadiva [371] 44 geographical mijlen in de eene richting en 34 in eene andere; Rimsky meet 54 bij 20 mijlen, en heeft een zonderling gebogen rand; de atolle Bow [372] is 30 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van slechts zes, terwijl Menchikov (een der Marshall-Eilanden) uit drie onderling vereenigde of verbonden atollen bestaat. Bovendien is deze theorie geheel ontoepasselijk op de noordelijke Maldivische atollen in den Indischen Oceaan (waarvan ééne 88 mijlen lang en tusschen de 10 en 20 m. breed is); want deze worden niet begrensd door smalle riffen evenals gewone atollen, maar door een groot aantal afzonderlijke kleine atollen, terwijl andere kleine atollen uit de groote lagunenvormige binnenruimten verrijzen. Eene derde en betere theorie werd door Chamisso voorgesteld, die meende, dat, ten gevolge van den sterkeren groei der koralen op plaatsen waar zij aan de volle zee zijn blootgesteld--zooals ongetwijfeld het geval is, de buitenranden vroeger dan andere gedeelten uit het gemeenschappelijke grondvlak zouden opgroeien, en dat dit de ring- of schotelvormige structuur zou verklaren. Maar aanstonds zullen wij zien, dat in deze, zoowel als in de krater-theorie, een allerbelangrijkst punt over het hoofd is gezien, namelijk de vraag: waarop hebben de rifvormende koralen, die op geene groote diepte kunnen leven, hunne hechte bouwwerken gegrondvest?

Aan den steilen buitenkant der Keeling-atolle werden door kapitein Fitz-Roy een aantal zorgvuldige peilingen gedaan, en werd bevonden, dat de bereide talk op den bodem van het lood, uit punten binnen tien vademen diepte, altijd bovenkwam met duidelijke indruksels van levende koralen, doch zonder aanklevende bestanddeelen, en even schoon alsof men het op een grasveld had laten vallen. Nam de diepte toe, dan werden de indruksels minder talrijk, maar de aanklevende zanddeeltjes, daarentegen, steeds talrijker, totdat de bodem eindelijk uit eene zachte zandlaag bleek te bestaan. Wil men de vergelijking met het grasveld voortzetten, dan kunnen wij zeggen, dat de grashalmen al schaarscher en schaarscher werden, tot de grond eindelijk zoo dor was, dat er niets meer uit opschoot. Uit deze, door vele andere bevestigde waarnemingen mogen wij veilig afleiden, dat de uiterste diepte waarop koralen hunne riffen kunnen bouwen, 20 tot 30 vademen bedraagt. Nu zijn er ontzaglijke oppervlakten in de Stille en Indische Oceanen, waar elk eiland op zichzelf eene koraalvorming is, en slechts die hoogte bereikt, tot welke de golven nog brokstukken kunnen opwerpen, en de winden zand kunnen ophoopen. Zoo is de groep der Radack-atollen (Marshall-Eilanden) een onregelmatig vierkant, 520 mijlen lang, bij 240 breed; de ellipsvormige Lage of Tuamotu-Archipel meet 840 mijlen in zijne langste en 420 in de kortste as; tusschen deze twee archipels liggen andere kleine groepen en afzonderlijke lage eilanden, welke met de eersten eene ruimte in den oceaan bedekken van 4000 mijlen lengte, waarbinnen geen enkel eiland boven de bepaalde hoogte reikt. Ook in den Indischen Oceaan is eene ruimte van 1500 mijlen in doorsnede, welke drie archipels omvat, alle uit lage eilanden bestaande, die door koralen zijn gevormd. Wegens het feit, dat de rifbouwende koralen niet op groote diepte leven, kan met volstrekte zekerheid worden gezegd, dat overal in die uitgestrekte ruimten, waar thans eene atolle is, oorspronkelijk een bodem bestaan moet hebben binnen eene diepte van 20 tot 30 vademen (ongeveer 37 tot 55 Met.) van het zeeoppervlak. Het is ten hoogste onwaarschijnlijk, dat breede, hooge, vrij staande en steil oploopende banken van bezonken stoffen, verspreid in groepen en reeksen van vele honderden mijlen lengte, gevormd konden zijn in de midden- en diepste gedeelten der Stille en Indische Oceanen, op een reusachtigen afstand van het vasteland, en waar het water volkomen doorschijnend is. Even onwaarschijnlijk is het, dat de opstuwende krachten onder onze aardkorst over de genoemde uitgestrekte ruimten tallooze groote rotsbanken zouden hebben opgeheven tot eene hoogte van 20 tot 30 vademen (120 tot 180 voet) onder de oppervlakte der zee, en geen enkele harer boven dat peil. Immers, wáár op de geheele aardoppervlakte kunnen wij eene bergketen vinden, zelfs van maar weinige honderden mijlen lengte, welker talrijke toppen zich niet hooger verheffen dan enkele voeten onder een bepaald peil, en waar geen enkele top daarboven verrijst? Bijgevolg, indien de grondvlakken waaruit de atollen-bouwende koralen groeiden, niet uit bezonken stoffen gevormd, en ook niet tot de vereischte hoogten werden opgestuwd, moeten zij noodzakelijk tot dat peil zijn ondergezonken; en dit lost terstond de moeilijkheid op. Want terwijl de eene berg na den anderen, het eene eiland na het andere langzaam onder water zonken, ontstonden achtereenvolgens versche bodems voor den groei der koralen. Wij kunnen hier onmogelijk in alle vereischte bijzonderheden treden; maar ik tart elk, om op andere wijze te verklaren, hoe het mogelijk is, dat over zulke uitgestrekte ruimten talrijke eilanden verspreid liggen, allen dit gemeen hebbende, dat zij laag en opgebouwd zijn uit koralen, die als levensvoorwaarde een bodem behoeven, welke op beperkte diepte onder het zeeoppervlak is gelegen. [373]

Alvorens te verklaren hoe de atollen of lagunenriffen hunne eigenaardige structuur verkrijgen, moeten wij ons wenden tot de tweede groote klasse, namelijk de wal- of damriffen. Deze strekken zich uit, hetzij in rechte lijnen voor de kusten van een vastland of groot eiland, of zij omringen kleine eilanden; in beide gevallen zijn zij van het land gescheiden door een breed en vrij diep waterkanaal, evenals de lagune binnen eene atolle. Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht aan de ringvormige walriffen is geschonken, ofschoon zij toch zoo wondervol zijn samengesteld. De volgende schets stelt een gedeelte van het walrif voor, dat het eiland Bolabola [374] in den Stillen Oceaan omringt, gezien van een der rotstoppen in het midden. In dit geval is de geheele rifrand in land veranderd; maar gewoonlijk scheidt eene sneeuwwitte lijn van hooge brekers, waartusschen hier en daar een enkel laag, met kokosboomen begroeid eilandje zichtbaar is, de donkere golven in den oceaan van de lichtgroene ruimte in het lagunenkanaal. En het kalme water in dit kanaal bespoelt in de meeste gevallen een lagen rand van alluvialen grond, beladen met de schoonste voortbrengselen uit de keerkringen en gelegen aan den voet der ruwe, steile bergen in het midden.

Er zijn ringvormige walriffen in alle grootten, van af 3 tot niet minder dan 44 mijlen in doorsnede; het rif, dat tegenover een der zijden van Nieuw-Caledonië ligt en de beide uiteinden omvat, is zelfs 400 mijlen lang. Elk rif sluit één, twee of meer rotsachtige eilanden in van verschillende hoogten (in één geval zelfs 12 afzonderlijke eilanden), en loopt op ongelijke afstanden om het ingesloten land--bij de Gezelschaps-Eilanden meestal op een afstand van een tot drie of vier mijlen, maar bij Hogoleu [375] op 20 mijlen van den zuidkant, en 14 mijlen van den tegenovergestelden of noordkant der ingesloten eilanden. Ook is de diepte binnen het lagunenkanaal aan veel verandering onderhevig, en kan gemiddeld op 10 tot 30 vademen worden gesteld; maar op Wanikoro zijn ruimten van niet minder dan 56 vademen of 336 voeten diepte. Aan de binnenzijde loopt het rif zacht glooiend af naar het lagunenkanaal, of eindigt in een loodrechten wal, die onder water somtijds 200 tot 300 voeten hoog is; aan de buitenzijde verrijst het rif, evenals eene atolle, zeer steil uit de groote diepten van den oceaan. Kan men zich iets zonderlingers voorstellen dan dergelijke natuurgewrochten? Wij zien een eiland, dat te vergelijken is met een kasteel op den top van een hoogen onderzeeschen berg, tegen het geweld der zee beschermd door een grooten muur van koraalgesteente, die altijd steil is aan den buiten- en soms ook aan den binnenkant: van boven begrensd door een breed horizontaal vlak, en hier en daar afgebroken door smalle toegangen of invaarten, waardoor de grootste schepen de wijde en diepe singel- of vestinggracht kunnen binnenzeilen.

Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene volledige atolle over.

Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien: want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam van Randriffen heb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormende koralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van een kwart inch op elke mijl.----

Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in 't algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is, dat de peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van 200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd, voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls eene breede watervlakte hebben vrijgelaten, te diep voor den groei der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen, dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling, maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten; want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil onder. En daarom herhaal ik mijne vraag: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.

Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamde Rand- of Kustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten; waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld, nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.

Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met hier en daar verspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven, die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB'B'BA voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden, gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen; het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking van verscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA'A'A te zien; de boompjes bij A' wijzen aan, dat zich koraaleilanden op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel, en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien, waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven, als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.

Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal, evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en diep kanaal van het land gescheiden was.

Laat ons nu deze beschouwing uitbreiden op ons nieuw ringvormig walrif, welks doorsnede (zooals gezegd eene ware doorsnede van het eiland Bolabola) in de teekening voorgesteld is door den omtrek DA'A'D der donkergeschaduwde figuren, en onderstellen dat dit rif de dalende beweging van den zeebodem volgt. Terwijl deze langzaam zinkt, zullen de koraaldieren krachtig omhoog groeien, maar tegelijk zal het water duim voor duim op de kust van het eiland winnen; de gescheiden bergtoppen, die in 't eerst afzonderlijke eilanden binnen het groote rif vormen, zinken de een na den anderen weg, en eindelijk verdwijnt ook de laatste en hoogste top. Op het oogenblik dat dit gebeurt, is eene volledige atolle ontstaan. In overeenstemming met hetgeen ik boven zeide, zien wij dus, dat wanneer al het hooge land binnen een ringvormig walrif verwijderd wordt, eindelijk eene atolle overblijft. Ook wordt het nu duidelijk hoe het komt dat atollen, die uit ringvormige walriffen zijn ontstaan, meestal op hen gelijken zoowel in grootte en vorm, als in hare wijze van groepeering en de samenstelling uit enkele of dubbele dammen; want feitelijk kan men ze ruwe schetskaarten noemen van de gezonken eilanden waarop zij staan. Verder kunnen wij zien wat de oorzaak is, dat de atollen in de Stille en Indische Oceanen zich uitstrekken in lijnen, evenwijdig met de meestal scherp uitkomende asrichting der hooge eilanden en groote kustlijnen van deze oceanen. Daarom waag ik het de bewering te handhaven, dat alle hoofdkenmerken dezer belangrijke vormingen--zoowel van de laguneneilanden of atollen, die zoolang de aandacht der reizigers hebben getrokken, als van de niet minder gewichtige walriffen, hetzij deze kleine eilanden omringen of zich honderde mijlen ver langs de kusten van een vasteland uitstrekken--door de theorie van den opwaartschen groei der koraaldieren gedurende het onderzinken van het land op eenvoudige wijze worden verklaard. [376]

Men zou mij kunnen vragen of ik een rechtstreeksch bewijs van het zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in 't oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken, welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig walrif zijn door het opwerpen van brokken en zand zeer weinig eilandjes gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd--feiten, die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken zijn--worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden, of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen, waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten, een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de onderaardsche streken in gang zijn.