De Reis om de Wereld

Part 49

Chapter 493,721 wordsPublic domain

De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven, die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd, acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van "domme" uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen kalm maar nieuwsgierig uw gelaat opneemt. Er is weinig verbeelding toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.

[Zondag 3 April.]

Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting, die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel, maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes, Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti, van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de gelaatsuitdrukking in 't algemeen als de klank hunner stemmen. Zij schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen; maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk, dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.

Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In 't eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen, die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote sponsachtige koraalmassa met de getijden rijst en daalt, zal dit ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het water daarin brak.

Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering, bij volle maan begeesterd en zou gaan springen en dansen. Na de noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed verbonden zijn.

Den volgenden dag hield ik mij bezig met het onderzoek naar den zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken, waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar, dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde wezens, waarmede de keerkringszee, zoo kwistig in levensvormen, bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.

[6 April.]

Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt, de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht, de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. "Het wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren, waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd, dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet."

Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom: maar op mijn geest maakt de aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers, die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs overwonnen door middelen, die u op 't eerste gezicht zoo uiterst zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan, en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts, eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht, maand in maand uit aan 't werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van een oceaan, dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der natuur met goed gevolg konden weerstaan!

Niet voor des avonds laat keerden wij aan boord terug, want langen tijd bleven wij in de lagune bezig met het onderzoek van de koraalvelden en van de 1 1/2 M. groote reuzenschelpen, [365] welke laatste zoo sterk zijn, dat iemand die zijne hand tusschen de schalen durft steken, haar niet zou kunnen lostrekken, zoolang het dier leeft. Bij het hoofdeinde der lagune vond ik tot mijne groote verbazing eene uitgestrekte ruimte van veel meer dan een mijl in het vierkant, bedekt met een woud van fijn vertakte koralen, die allen dood en verrot waren, ofschoon zij recht overeind stonden. In 't eerst begreep ik volstrekt niet wat de oorzaak hiervan was, doch later viel mij in, dat zij aan den volgenden, eenigszins vreemden samenloop van omstandigheden was toe te schrijven. Ik moet echter vooraf zeggen, dat koralen zelfs niet een korten tijd aan de zonnestralen in de open lucht kunnen blootgesteld zijn, zonder te sterven, zoodat hare bovenste groeigrens bepaald wordt door die van het laagste water bij springgetijden. Uit eenige oude kaarten blijkt, dat het lange eiland bovenwinds voorheen door wijde kanalen in verscheidene eilandjes verdeeld was: welk feit ook hieruit blijkt, dat de boomen op die gedeelten jonger zijn. In den vroegeren toestand van het rif zou een sterke bries, door meer water over de borstwering te werpen, het peil der lagune hebben doen rijzen. Thans heeft zij eene tegengestelde werking; want niet alleen neemt het water in de lagune door stroomingen van buiten niet toe, maar het wordt zelf door de kracht van den wind naar buiten gestuwd. Zoo heeft men dan waargenomen, dat het getij nabij het hoofd der lagune gedurende eene sterke bries niet zoo hoog stijgt, als bij kalm weder. Volgens mijn idee, heeft dit niveau-verschil, ofschoon zonder twijfel zeer gering, den dood veroorzaakt van deze koraalboschjes, die in den vroegeren, meer open toestand van het buitenrif hunne hoogst mogelijke grens van verticalen groei bereikt hadden.

Enkele mijlen ten noorden van Keeling is eene andere kleine atolle, binnen welke de lagune bijna geheel met koraalmodder gevuld is. Kapitein Ross vond in het conglomeraat-gesteente op de buitenkust een goed afgerond stuk groensteen bedolven, iets grooter dan een menschenhoofd, waarover hij zelf en zijne metgezellen zoo verwonderd waren, dat zij het stuk medenamen en als eene bijzonderheid bewaarden. Het voorkomen van dezen enkelen steen in eene omgeving van niets dan kalkhoudend gesteente, is zeer verrassend. Het eiland is bijna nooit bezocht geworden, en het is ook niet waarschijnlijk, dat er een schip is vergaan. Bij gebrek aan eene betere verklaring, kwam ik tot de slotsom, dat de steen, tusschen de wortels van een grooten boom verward, hierheen was gekomen; maar denkende aan den grooten afstand van het naastbij gelegen land, en aan het onwaarschijnlijke van zulk een samenloop van omstandigheden, nl. dat een steen zou vastgeraakt zijn in een boom, met den boom in zee gespoeld, zóó ver weggedreven, toen veilig geland en eindelijk zoodanig begraven zou zijn, dat hij ontdekt werd--schrok ik haast, dat een blijkbaar zoo onwaarschijnlijk middel van vervoer in mijn brein opkwam. Met veel belangstelling las ik daarom het verhaal van Chamisso, den te recht vermaarden natuuronderzoeker die Kotzebue vergezelde, dat de bewoners van den Radack-Archipel (de reeds genoemde groep laguneneilanden in den Stillen Oceaan) de steenen voor het scherpen van hunne werktuigen verkregen, door de wortels van boomen te onderzoeken welke op het strand waren geworpen. Blijkbaar moet dit verscheidene keeren gebeurd zijn, daar er wetten bestaan, dat zulke steenen aan het opperhoofd toebehooren, en elk die hen poogt te stelen straf ontvangt. Let men op de afgezonderde ligging dezer eilandjes te midden van een uitgestrekten oceaan (de reusachtige afstand van eenig land, behalve koraalvormingen, blijkt wel het best uit de waarde welke de inboorlingen, die zulke kloeke zeevaarders zijn, aan elke soort van steenen hechten) [366]: alsmede op de geringe snelheid der stroomingen in eene open zee--dan schijnt het voorkomen van op deze wijze vervoerde steenen ons wonderlijk toe. Toch kunnen steenen dikwijls zoo vervoerd worden; en indien het eiland, waarop zij stranden, uit andere stoffen dan koraal bestaat, zullen zij nauwelijks de aandacht trekken en zal althans hun oorsprong nooit aanleiding geven tot gissingen. Bovendien kan dit vervoer langen tijd de aandacht ontgaan, daar de boomen, vooral die welke met steenen zijn beladen, waarschijnlijk onder de oppervlakte drijven. In de kanalen van Vuurland worden groote hoeveelheden drijfhout op het strand geworpen; maar uiterst zelden ziet men een boom op het water drijven. Misschien kunnen deze feiten eenig licht werpen op het geval, dat hoekige zoowel als afgeronde steenen soms in fijne bezonken stoffen begraven worden gevonden.

Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge, wuivende kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.

Boven heb ik gesproken van een kreeft, die van de kokosnoten leeft. Hij is zeer algemeen overal waar droog land is, bereikt eene monsterachtige grootte, en is na verwant aan of dezelfde als Birgos latro. [367] Het voorste paar beenen eindigt in zeer sterke en forsche scharen, terwijl het achterste van zachtere en veel smallere voorzien is. In 't eerst zou men het geheel onmogelijk achten, dat een kreeft eene met een stevigen dop omsloten kokosnoot kan openen; maar Liesk verzekerde mij, dat hij dit herhaaldelijk heeft zien doen. De kreeft begint met den dop vezel voor vezel stuk te plukken, en altijd van dat einde af, waar zich de zoogenaamde drie oogen bevinden. Is dit volbracht, dan begint de kreeft met zijne zware klauwen op een van de oogen te hameren, totdat er eene opening gemaakt is. Dan draait hij zijn lichaam om, en haalt met de twee achterste en smallere scharen de witte vleezige pit te voorschijn. Ik beschouw dit feit niet alleen als het merkwaardigste voorbeeld van instinct, waarvan ik ooit gehoord heb, maar ook als eene aanpassing in lichaamsbouw tusschen twee in het schema der natuur blijkbaar zoover van elkander staande organismen, als een kreeft en een kokosboom. Deze Birgos is in zijne leefwijze een dagdier; maar men zegt, dat hij elken nacht een bezoek aan zee brengt, zonder twijfel met het doel om zijne kieuwen te bevochtigen. Op de kust worden ook de jongen uitgebroed, die er vervolgens eenigen tijd leven. Deze kreeften wonen in diepe gaten, welke zij onder de wortels van boomen graven, en waar zij bijzonder groote hoeveelheden van de losgetrokken vezels der kokosnotedoppen verzamelen, om hierop als op een bed te rusten. Soms maken de Maleiers hiervan gebruik, en garen de vezels om er oud touwwerk van te maken. Deze kreeften vormen een zeer goed voedsel; bovendien bevindt zich onder den staart van de grootere individuën eene aanzienlijke hoeveelheid vet, dat, gesmolten, somtijds een kwart flesch vol heldere olie oplevert. Sommige schrijvers beweren, dat de Birgos tegen de kokosboomen opkruipt, om de noten te stelen. Ik twijfel zeer of dit wel mogelijk is, maar met den Pandanus (Pandang of Schroefboom) zou die beklimming veel gemakkelijker zijn. Liesk vertelde mij, dat de Birgos op deze eilanden leeft van de noten, die op den grond zijn gevallen.

Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden, dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot, waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het tin boorde.

Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslacht Millepora (M. complanata en M. alcicornis), die het vermogen bezaten tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken, onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn; deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secunden toe, bleef eenige minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt, doch geleek meer op dat, veroorzaakt door Physalia of het Spaansche Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van de Millepora, en zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat, vele koralen, en Aplysia of de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden, wordt in de "Voyage of the Astrolabe" gesproken van eene Actinia of zee-anemoon, en van een buigzaam aan Sertularia verwant koraaldier, die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt, dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.

Twee soorten van visschen, behoorende tot het geslacht Scarus (papegaaivisch), welke hier algemeen zijn, leven uitsluitend van koraal; beiden zijn schitterend blauwgroen gekleurd en leven, de een altijd in de lagune en de ander tusschen de brekers op de buitenkust. Liesk verzekerde mij, dat hij herhaaldelijk geheele scholen visschen met hunne sterke beenige kaken op de toppen der koraaltakken had zien grazen. Bij verscheidene opende ik de ingewanden en vond die gevuld met kalkhoudende, zanderige modder van geelachtige kleur. Ook de slijmerige, walgelijke zeeblazen (Holothuroidea [368] aan onze zeesterren verwant), waarop de Chineesche lekkerbekken zoo verzot zijn, leven voor een groot deel van koralen, gelijk Dr. Allan mij bericht; en het beenig toestel binnen hun lichaam schijnt wel voor dit doel geschikt. Deze Holothuroidea, de visschen, de talrijke boorschelpen en borstelwormen (Nereïdae), die elk blok dood koraalgesteente doorboren, moeten zeer krachtig medewerken tot het voortbrengen van de fijne witte modder, welke op den bodem en de oevers der lagune ligt. Prof. Ehrenberg vond echter bij onderzoek, dat eene hoeveelheid van deze modder, die, nat zijnde, in 't oog vallend op fijngestampte kalk geleek, voor een deel uit kiezelschalige infusiediertjes bestond.

[12 April.]

Des morgens zeilden wij uit de lagune en zetten koers naar Isle de France. Het doet mij genoegen, dat wij deze eilanden bezocht hebben; want zulke vormingen behooren zeker tot de wonderlijkste voortbrengselen der Natuur. Op een afstand van 2200 yards van de kust (2012 M.) peilde kapitein Fitz-Roy met eene lijn van 7200 voet lengte (2195 M.) nog geen grond, waaruit dus blijkt, dat dit eiland een hooge onderzeesche berg is met nog spitsere hellingen dan de steilste vulkaankegel. De schotelvormige top meet bijna tien mijlen in doorsnede; en elk atoom, van af het kleinste deeltje tot het grootste steenblok in dezen hoogen berg, die toch nog klein is in vergelijking met zeer vele andere koraaleilanden, draagt den stempel van langs organischen weg ontstaan te zijn. [369] Wij zijn verbaasd, als reizigers ons vertellen van de reusachtige afmetingen der pyramiden en andere groote gedenkteekenen der menschelijke kunst; maar hoe onbeduidend zijn de grootsten hunner, vergeleken met deze steenen bergen, welke door geen andere arbeiders zijn opgehoopt, dan verschillende kleine en tengere dieren! Dit is een wonder, dat op het eerste gezicht niet het lichamelijk oog, maar, na rijpe overdenking, het oog der rede treft.

Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote klassen van koraalriffen, namelijk:

1o. Atollen of Lagunenriffen. 2o. Wal- of Damriffen (door Darwin genoemd Barrier-reefs). 3o. Rand- of Kustriffen (door Darwin genoemd Fringing-reefs).

en mijne inzichten omtrent hunne vorming mededeelen. [370] Bijna elk reiziger, die den Stillen Oceaan is overgestoken, heeft zijne groote verwondering betuigd over de laguneneilanden of Atollen, zooals ik hen later bij hun Indischen (Maleischen) naam zal noemen, en getracht er eene verklaring van te geven. Reeds in het jaar 1605 zeide Pyrard de Laval terecht:

"C'est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d'un grand banc de pierre, tout autour n'y ayant point d'artifice humain."

(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in den omtrek).