Part 48
Alle inboorlingen zijn overgebracht naar een eiland in de Bass-Straat, zoodat Van Diemensland het groote voordeel geniet van geen inlandsche bevolking te bezitten. Deze uiterst wreede stap schijnt geheel onvermijdelijk geweest te zijn, en het eenige middel om een einde te maken aan een ontzettend aantal plunderingen, brandstichtingen en moorden, door de inboorlingen gepleegd en die vroeg of laat hunne geheele uitroeiing ten gevolge zouden hebben gehad. Ik vrees, dat deze reeks van euveldaden en hare gevolgen ongetwijfeld hare oorzaak vond in het schandelijke gedrag van enkele mijner landgenooten. [354] Dertig jaren is een kort tijdbestek om den laatsten inboorling uit zijn vaderland te verdrijven, een eiland bijna zoo groot als Ierland. [355] De briefwisseling, welke daarover tusschen de regeering in het moederland en die van Tasmanië gevoerd werd, is zeer belangwekkend. Hoewel in de schermutselingen, die vele jaren lang bij tusschenpoozen plaats hadden, tal van inboorlingen neergeschoten of gevangen genomen waren, schijnt niets hen zoozeer van onze overweldigende macht overtuigd te hebben, als toen in 1830 het geheele eiland onder de krijgswet werd gesteld en alle bewoners bij proclamatie bevel kregen om den geheelen stam in een enkelen grooten aanval te overmeesteren. Het ontworpen plan geleek ongeveer op dat der groote drijfjachten in Indië; er werd een cordon dwars over het eiland getrokken met het doel de inlanders op Tasman's schiereiland in een cul-de-sac te drijven. De poging mislukte; de inboorlingen bonden hunne honden vast, en slopen in een enkelen nacht door de linie, met uitzondering van één knaap, die gevat werd. Dit is verre van verwonderlijk, zoo men let op hunne geoefende zintuigen en hunne gewoonte om achter de wilde dieren aan te kruipen. Men heeft mij verzekerd, dat zij de kunst verstaan zich op een bijna kalen grond te verbergen op eene wijze, die haast ongelooflijk is als men het niet gezien heeft, en waarbij hunne zwarte lichamen gemakkelijk worden aangezien voor de zwarte boomstompen, die over het geheele land verspreid zijn. Men vertelde mij van eene weddenschap tusschen eenige Engelschen en een inboorling, die voor ieder zichtbaar op de kale helling van een heuvel ging staan. Indien de Engelschen nog geen minuut lang de oogen sloten, zou hij op de hurken gaan zitten, en dan zouden zij hem nooit van de omringende boomstompen kunnen onderscheiden. Doch keeren wij tot onze drijfjacht terug. Toen de inlanders deze manier van oorlogvoeren begrepen, werden zij zeer ongerust, want zij ontdekten nu ook de macht en het aantal der blanken. Kort daarna verscheen een troep van 13 personen, tot twee verschillende stammen behoorende, die hunne weerloosheid beseffende, zich in wanhoop overgaven. Later werd door de onvermoeide pogingen van G. A. Robinson, architect te Hobart, die onbevreesd de meest verbitterde inboorlingen in hunne schuilhoeken opzocht, de geheele zwarte bevolking overgehaald om hetzelfde te doen. Zij werden toen naar een eiland gebracht, [356] waar men hen van voedsel en kleeren voorzag. Graaf Strzelecki verhaalt in zijne "Physical Description of New South Wales and Van Diemen's Land," blz. 354, dat "op het tijdstip van hun vervoer in 1835, het getal inboorlingen 210 bedroeg. In 1842, dus zeven jaren later, telden zij slechts 54 personen; en terwijl elk gezin in het binnenland van Nieuw Zuid-Wallis, waar de inboorlingen niet besmet worden door aanraking met blanken, rijk aan kinderen is, was dit getal op Flinders-Eiland in acht jaren tijds met slechts veertien vermeerderd!"
De Beagle bleef hier tien dagen, en in dien tijd deed ik verscheidene aangename uitstapjes, voornamelijk met het doel om de geologische gesteldheid der naaste omgeving te onderzoeken. De belangrijkste uitkomsten daarvan zijn: ten eerste, eenige tot de Devonische of Steenkool-periode behoorende lagen, welke buitengewoon veel versteeningen bevatten; ten tweede, bewijzen van eene kleine landrijzing in een geologisch jong verleden, en eindelijk eene afgezonderde oppervlakkige laag van geelachtigen kalksteen of travertijn, met talrijke indruksels van boombladeren en ingesloten schelpdieren van niet meer levende soorten. Niet onwaarschijnlijk bevat deze enkele kleine kalkgroeve de eenig overgebleven sporen der flora van Van Diemensland gedurende een vroeger geologisch tijdperk.
Het klimaat is hier vochtiger dan in Nieuw Zuid-Wallis, en daardoor het land vruchtbaarder. De landbouw bloeit, de ontgonnen velden hebben een goed aanzien, en de tuinen vloeien over van welige groenten en vruchtboomen. Sommige pachterswoningen, die op afgelegen plekken stonden, boden een zeer schilderachtigen aanblik. Het algemeen voorkomen der plantenwereld gelijkt op dat der Australische flora, misschien iets groener en frisscher, en het weidegras tusschen de boomen iets overvloediger. Op zekeren dag deed ik eene lange wandeling aan den kant der baai tegenover de stad, en stak over op eene stoomboot, waarvan er twee voortdurend heen en weer voeren. De machinerieën van een dezer vaartuigen waren geheel in deze kolonie, die toen pas 33 jaren sedert hare stichting bestond, vervaardigd. Op een anderen dag besteeg ik Mount Wellington en nam daartoe een gids mede, want eene eerste poging mislukte mij wegens de dichtheid van het bosch. Onze gids was echter een dom man en bracht ons naar den vochtigen zuidkant van den berg, waar de plantengroei zeer welig en het beklimmingswerk, ten gevolge van de menigte verrotte stammen, bijna even moeilijk was als op een berg in Vuurland of op Chiloë. Het kostte ons vijf en een half uur ingespannen klimmen, voordat wij den top bereikten. Op sommige gedeelten groeiden de Eucalypti tot eene aanzienlijke hoogte en vormden een prachtig woud. [357] In eenige van de diepste ravijnen bloeiden varenboomen op buitengewone schaal; ik zag er een, die tot het ondervlak der loofkroon minstens 20 voet hoog was en juist zes voet omtrek had. Het loofdak vormde de sierlijkste zonneschermen en verspreidde eene donkere schaduw als in het eerste uur van den nacht. De top van den berg is breed en vlak, en bestaat uit reusachtige brokken kalen groensteen. Zijne hoogte is 3100 voet boven de zee. Het was een prachtig heldere dag, en wij hadden een ruim uitzicht: in het noorden geleek het land eene aaneenschakeling van begroeide bergen, ongeveer even hoog als die waarop wij stonden, en even gelijkvormig in omtrek; in het zuiden lag het gebroken land en water met zijne vele verwikkelde baaien duidelijk als op eene landkaart voor ons. Nadat wij eenige uren op den top hadden doorgebracht, vonden wij een beteren weg om af te dalen, doch bereikten de Beagle niet vóór des avonds 8 ure, na een dag van ingespannen beweging.
[7 Februari.]
De Beagle zeilde uit Tasmanië en bereikte op den 6den der volgende maand de zeeëngte van King George, welke dicht bij den zuidwesthoek van Australië ligt. Hier bleven wij acht dagen; maar op onze geheele reis brachten wij niet zulk een doodschen en vervelenden tijd door. Van eene hoogte gezien, doet het land zich voor als eene boschachtige vlakte, waaruit hier en daar ronde en gedeeltelijk kale granietheuvels verrijzen. Een dezer dagen ging ik met een gezelschap op weg, in de hoop eene kangoeroe te zullen zien, en trok vele mijlen ver het land in. Overal vonden wij een zeer armen zandgrond, nu eens bedekt met een grof gewas van dun, laag kreupelhout en borstelig gras, dan met een woud van kwijnende boomen. Het landschap geleek op dat der zandsteenen hoogvlakte in de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid-Wallis, met dit verschil, dat de Casuarina (een boom die iets weg heeft van den Schotschen den) hier talrijker is, en de Eucalyptus iets minder voorkomt. [358] Op de open gedeelten waren vele grasboomen, d.w.z. planten, die uiterlijk eenigszins aan den palmboom verwant zijn, maar in plaats van eene fraaie bladerkroon te bezitten, slechts op een bosje van zeer grove grasachtige bladeren kunnen bogen. [359] Op een afstand gezien, scheen de meestal lichtgroene kleur van het kreupelhout en andere planten vruchtbaarheid te voorspellen; maar eene enkele wandeling was voldoende om deze illusie te verdrijven; en wie het met mij eens is, zal niet verlangen op nieuw een tocht door zulk een ongastvrij oord te doen.
Op een anderen dag vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar Bald Head--eene plaats, door zoo vele zeevaarders vermeld, en waar eenigen zich verbeelden koralen te zien, anderen versteende boomen, die nog in de houding stonden waarin zij gegroeid waren. Naar onze meening, zijn de grondlagen gevormd doordien de wind het fijne, uit kleine ronde schelp- en koraaldeeltjes bestaande zand golfsgewijze ophoopte, waarbij takken en wortels van boomen met vele landschelpen onder het zand bedolven werden. Toen nu de doorzijgende kalkhoudende stof de geheele massa verhardde, werden ook de cylindervormige, door rotting van het hout ontstane holten met eene harde druipsteenachtige massa gevuld. Doch langzamerhand spoelt de neerslag uit den dampkring de weekere deelen weg; de harde vormen van de takken en wortels der boomen steken daardoor boven de oppervlakte, en gelijken zeldzaam bedriegelijk op de boomstompen van een dood kreupelbosch.
Terwijl wij in deze kolonie waren, bracht een groote stam inlanders, genaamd de Mannen van den Witten Kaketoe, er juist een bezoek. Aangelokt door het aanbod van eenige vaatjes rijst en suiker, werden deze mannen, benevens die van den stam, welke aan de zeeëngte van King George thuis behoort, overgehaald om een corrobori of groote danspartij te houden. Zoodra het donker werd, zag men kleine vuren ontsteken en begonnen de mannen hun toilet te maken, hierin bestaande, dat zij zich met witte vlekken en strepen beschilderden. Toen alles gereed was, werden groote vuren in lichtelaaien gloed gezet, rondom welke vrouwen en kinderen zich als toeschouwers verzamelden, en verdeelden de mannen van den Kaketoe en van King George zich in twee partijen, waarin men nu twee aan twee tegenover elkander begon te dansen. Het dansen bestond hierin, dat zij of zijdelings, of zooals de Indianen op ééne rij, naar eene open ruimte liepen, en gedurende die gemeenschappelijke beweging met groote kracht op den grond stampten. Hunne zware voetstappen gingen vergezeld van een soort van gedreun, door het tegen elkander slaan van hunne knuppels en speren, en verschillende andere gebaren, als het uitsteken van de armen en het wringen van het lichaam. Het was een uiterst ruw en wild schouwspel, dat naar onze meening geheel zonder zin was; toch merkten wij op, dat de zwarte vrouwen en kinderen er met het grootste genoegen naar keken. Wellicht stelden deze dansen oorspronkelijk handelingen voor, als symbolen van gevechten en overwinningen. Eén dans was er, genaamd de Emu-dans, waarin elk man zijn arm in eene gebogen houding uitstrekte, evenals de hals van een vogel. Bij een anderen dans bootste een man de bewegingen na van een kangoeroe, die in de bosschen graast, terwijl een tweede hem besprong, schijnbaar om hem aan zijne speer te rijgen. Als beide stammen aan den dans deelnamen, beefde de grond onder hunne zware voetstappen, en weergalmde de lucht van hunne woeste kreten. Allen schenen zeer opgewonden; en die drom van bijna naakte gestalten, gezien bij het rosse schijnsel der hoogvlammende vuren, allen in duivelachtige eenparige beweging--dat tooneel, gevoegd bij de woeste kreten van dansers en omstanders, vormde een volmaakt schouwspel van een feest onder de laagste wilden. In Vuurland hebben wij vele zonderlinge tooneelen uit het leven der wilden gezien, maar ik geloof nooit een, waar de inboorlingen zoo opgewonden en zoo volkomen in hun element waren als bij dezen dans. Toen de dans was afgeloopen, schaarde de geheele troep zich in een grooten kring op het terrein, en werd, tot aller blijdschap, de gekookte rijst met suiker rondgedeeld.
Na verscheidene vervelende dagen, doordien het weder betrokken was, stevenden wij den 14den Maart 1836 uit de zeeëngte van King George en zetten koers naar Keeling-Eiland.
Vaarwel, Australië! Ge zijt een aankomend kind, en zult gewis na zekeren tijd als grootvorstin regeeren in het Zuiden! Maar al zijt ge nog niet groot genoeg voor eerbied, dan toch te groot en eerzuchtig voor genegenheid. Ik verlaat uwe stranden zonder droefheid of spijt...
HOOFDSTUK XX.
KEELING-EILAND--KORAALVORMINGEN.
[1 April 1836.]
Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden (of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden), welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim 100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had, vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden te verlaten.
In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat hunne persoonlijke behandeling betreft, is dit ook werkelijk zoo; doch in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te openen en er van te leven.
Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe, klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust, straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan, of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene water in de lagune nog donkerder.
Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen, op het eiland Direction aan wal. De strook droog land is hier slechts enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige, breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt, bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen, drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te brengen--dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie, in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand omsloot deze tooverachtige plekken.
Ik zal nu eene korte schets geven van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden, welke door haar beperkten omvang van bijzonder belang is. Op het eerste gezicht schijnt het bosch alleen uit kokosboomen te bestaan; maar in werkelijkheid zijn er vijf of zes andere boomen. Een dezer bereikt eene zeer aanzienlijke hoogte, is echter wegens de groote weekheid van zijn hout onnut. Behalve de boomen, is het getal planten uiterst beperkt en bestaat uit nietsbeteekenend onkruid. In mijne verzameling, die, geloof ik, bijna de volledige flora omvat, zijn 20 species, ongerekend een mos, een korstmos (lichen), en een zwam (fungus). Tot dit aantal moeten twee boomen worden gerekend, waarvan de een niet in bloei stond, en de ander mij slechts van hooren zeggen bekend was. De laatste is in zijne soort een eenzame boom en groeit bij het strand, waar de golven ongetwijfeld de enkele zaden hebben aangespoeld. Op een der eilandjes groeit ook een Guilandina. Tot de bovenstaande lijst reken ik niet het suikerriet, de banaan, eenige andere voedselplanten, vruchtboomen en ingevoerde grassen. Daar de eilanden geheel uit koraal bestaan, en weleer niets anders dan riffen waren, waarover het water spoelde, moeten al hunne landvoortbrengselen door de golven der zee zijn aangevoerd. Dienovereenkomstig heeft de plantenwereld geheel het kenmerk van een toevluchtsoord voor verlatenen. Prof. Henslow meldt mij, dat van de 20 soorten er 19 tot verschillende geslachten behooren, en deze weder tot niet minder dan 16 families. [360]
In Holman's "Reizen" [361] wordt, op getuigenis van A. S. Keating, die twaalf maanden op deze eilanden woonde, eene opsomming gegeven van de verschillende zaden en andere voorwerpen, die men weet dat daar aan strand zijn gespoeld:
"Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: de Kimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka; de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; de Dadap (Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom (Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm (Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven, en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis) en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten, behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder de Manggustan, (een Oostindische vrucht ter grootte van een appel, met een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu en dan zijn ook vischkano's, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld."
Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400 mijlen moeten hebben afgelegd.
Chamisso zegt in zijne beschrijving van den Radack-Archipel, die in het westelijk deel van den Stillen Oceaan is gelegen [362]: "de zee voert de zaden en vruchten van vele boomen naar deze eilanden, alwaar de meeste van hen niet zijn opgegroeid. Het meerendeel van deze zaden schijnt echter het vermogen tot groeien niet verloren te hebben." Ook zegt men, dat palmboomen ergens uit eene heete luchtstreek en stammen van noordelijke dennen hier aan land zijn gespoeld; deze dennen moeten dus een buitengewoon verren weg hebben afgelegd. Zulke feiten zijn in hooge mate belangwekkend. Het valt niet te betwijfelen, dat, indien er landvogels waren om de zaden op te pikken zoodra zij op 't strand werden geworpen, alsook een beter voor hunnen groei geschikten bodem dan de losse brokken koraal, het meest afgelegene dezer laguneneilanden mettertijd eene veel rijkere flora zou bezitten dan het nu heeft.
De lijst van landdieren is nog armer dan die der planten. Eenige eilandjes worden bewoond door ratten, die hierheen werden gebracht. Deze ratten worden door Waterhouse voor dezelfde gehouden als de Engelsche soort, maar zijn kleiner en lichter van kleur. Echte landvogels ontbreken; want een snip en een wachtelkoning (Rallus Phillippensis), ofschoon geheel in het droge kruid levende, behooren tot de Orde der Steltloopers (Grallae). Men zegt, dat vogels van deze Orde op vele van de lage eilandjes in den Stillen Oceaan voorkomen. Op Ascension, waar geen landvogel is, werd bij den top van den berg een wachtelkoning (Porphyrio simplex) geschoten, die hier blijkbaar een eenzame zwerver was. Op Tristan da Cunha, waar volgens Carmichael slechts twee landvogels zijn, komt een koet (Fulica) voor, [363] die eveneens een steltlooper is. Wegens deze feiten geloof ik, dat de steltloopers in 't algemeen, na de talrijke soorten zwemvogels, de eerste nederzetters zijn op kleine afgelegen eilanden, en kan er bijvoegen, dat, telkens als ik ver in zee vogels zag, die geen eigenlijke zeevogels waren, zij tot de Orde der Steltloopers behoorden. Het is dus natuurlijk, dat zij de vroegste nederzetters worden op ver afgelegen landpunten.
Van kruipende dieren zag ik slechts eene kleine hagedis. Wat de insecten betreft, heb ik getracht alle soorten te verzamelen. Behalve spinnen, die talrijk waren, vond ik dertien soorten, en hieronder slechts een enkelen kever. [364] Een kleine mier zwermde bij duizenden onder de losse droge koraalblokken, en was eigenlijk het eenige insect, dat overvloedig voorkwam. Ofschoon in vergelijking met de waters der naburige zee, de voortbrengselen van het land zoo schaarsch zijn, is het aantal bewerktuigde wezens inderdaad oneindig groot. Chamisso heeft (Kotzebue's First Voyage, deel III blz. 222) de natuurlijke geschiedenis van een laguneneiland in den Radack-Archipel beschreven; en het is merkwaardig, hoezeer de bewoners daarvan in aantal en soort op die van Keeling-Eiland gelijken. Er zijn eene hagedis en twee steltloopers: namelijk een snip (Scolopax) en een wulp (Numenius). Van planten zijn er 19 soorten met inbegrip van een varenkruid, en eenige daarvan zijn dezelfde als die welke hier groeien, niettegenstaande de plek zoo ontzettend ver en in een geheel anderen oceaan ligt.