Part 47
Als men de overeenstemming ziet tusschen de horizontale lagen aan elken kant van deze valleien en groote amphitheater-vormige verdiepingen, dan is de eerste indruk deze, dat zij evenals andere valleien door de werking van water zijn uitgehold; maar denkt men aan de ontzaglijke hoeveelheid steenen, die volgens deze onderstelling alléén door kelen of kloven moest worden verwijderd, dan is men geneigd te vragen of deze ruimten niet door inzinking zijn ontstaan. Zoo men echter let op den vorm der onregelmatig vertakte valleien en smalle uit de bergvlakte daarin uitstekende landtongen, dan is men wel genoopt ook dit denkbeeld op te geven. De holten toe te schrijven aan tegenwoordige alluviale werking zou ongerijmd zijn; ook ligt het hoogste niveau der afwatering (zooals ik bij The Weatherboard opmerkte) niet altijd aan den top dezer valleien, maar aan ééne zijde harer baaivormige bochten. Enkele inwoners deden mij de opmerking, dat zij zulk een baaivormigen inham met zijne rechts en links uitstekende landtongen nooit zagen zonder getroffen te worden door de gelijkenis er van met eene steile zeekust. Dit is zeker het geval; men kan er bijvoegen, dat de talrijke fraaie, wijdvertakte havens aan de tegenwoordige kust van Nieuw Zuid-Wallis, welke meestal door een smallen, in de zandsteenen kustriffen uitgeholden mond met de zee verbonden zijn--eene gelijkenis vertoonen, hoewel op kleine schaal, met de groote valleien van het binnenland. Maar dan doet zich de onverwachte moeilijkheid voor: waarom heeft de zee deze groote, hoewel begrensde boezems uitgehold in een uitgestrekt tafelland, en slechts kelen gelaten aan de openingen, waardoor die ontzaglijke hoeveelheid uitgespoelde stof is weggevoerd? Het eenige licht, dat ik op dit raadsel kan werpen, is door op te merken, dat zich tegenwoordig in sommige zeeën (bijv. hier en daar in de Westindische en in de Roode Zee) banken schijnen te vormen van de meest onregelmatige gedaanten en met zeer steile zijwanden. Ik heb reden om te onderstellen, dat zulke banken gevormd zijn geworden door ophooping van bezinksel op een onregelmatigen bodem, onder de werking van sterke stroomen. Dat de zee in sommige gevallen bezinksel ophoopt rondom onderzeesche rotsen en eilanden, in plaats van het uit te spreiden in eene gelijkvormige laag, kan moeilijk in twijfel worden getrokken, wanneer men de kaarten van West-Indië bestudeert; en dat de golven in staat zijn hooge en steile riffen te vormen zelfs in havens, die door land zijn ingesloten, heb ik in vele gedeelten van Zuid-Amerika waargenomen. Om nu deze begrippen te toetsen aan de zandsteenen bergvlakten van Nieuw Zuid-Wallis, stel ik mij voor, dat de lagen werden opgehoopt op een onregelmatigen bodem door de werking van sterke stroomen en den golfslag eener volle zee; vervolgens, dat de steil hellende wanden der aldus ontstane ongevulde, dalvormige ruimten gedurende eene langzame landrijzing tot klippen werden uitgehold, en dat de losgewerkte zandsteen verwijderd werd òf in den tijd toen de nauwe dalkelen door de ruimende zee gegraven werden, òf later door alluviale werking.
Kort na ons vertrek van The Blackheath daalden wij door den pas van Mount Victoria van de zandsteenen hoogvlakte af. Om dezen pas te maken had men door eene ontzaglijke hoeveelheid steen moeten boren; maar zoowel het plan als de wijze van uitvoering verdienden op ééne lijn te worden gesteld met een werk van dien aard in Engeland. De streek, die wij nu betraden, was ongeveer 1000 voet lager en bestond uit graniet. Met de verandering van gesteente veranderde ook de flora. De boomen waren fraaier en stonden meer gescheiden, terwijl het tusschenliggende weiland iets groener en weliger was. Te Hassan's Walls verliet ik den grooten weg en maakte een korten omweg naar eene hoeve, Walerawang geheeten, die bewoond werd door een hoofdopzichter, aan wien ik een introductie-brief had van den eigenaar te Sydney. De heer Brown was zoo vriendelijk mij te vragen tot den volgenden dag te blijven, welk voorstel ik met genoegen aannam. Deze plaats levert een voorbeeld van een der groote landbouwinrichtingen of liever schapenfokkerijen in de kolonie; maar omdat eenige dalen moerassig zijn en een grover gras voortbrengen, zijn vee en paarden hier wat talrijker dan gewoonlijk. Op twee of drie vlakke strooken grond nabij het huis was het hout gerooid en koren gezaaid, dat de maaiers nu bezig waren te oogsten; van tarwe wordt echter niet meer gezaaid dan voor het jaarlijksch onderhoud der in de inrichting werkende arbeiders noodig is. Het gewone cijfer der toegewezen strafarbeiders bedraagt hier omtrent veertig; doch in dezen tijd waren er enkelen meer. Ofschoon de hoeve van al het noodige goed voorzien was, heerschte er duidelijk gebrek aan gerief; en er woonde hier geen enkele vrouw. In 't algemeen zal de zonsondergang op een fraaien dag een glans van geluk en tevredenheid op een landschap stralen; maar hier, in deze afgelegen hoeve, konden de helderste tinten op de omliggende bosschen mij niet doen vergeten, dat veertig verharde, verworpen mannen hun dagarbeid staakten evenals de slaven uit Afrika, maar zonder hun heilig recht op medelijden!
Den volgenden morgen vroeg was de heer Archer, adjunct van den hoofdopzichter, zoo vriendelijk mij op eene kangoeroe-jacht te noodigen. Wij reden het grootste deel van den dag, doch hadden eene zeer slechte vangst, daar wij geen enkele kangoeroe (Macropus) zagen, en zelfs geen wilden hond (Canis dingo). De hazenwinden vervolgden eene kangoeroe-rat (Hypsiprimnus) [348] in een hollen boom, waaruit wij haar te voorschijn haalden. Deze rat is zoo groot als een konijn, maar heeft de gedaante van een kangoeroe. Weinige jaren geleden bezat dit land een overvloed van wilde dieren; maar nu is de emu (Dromaius Novae Hollandiae) [349] ver het binnenland ingedreven en de kangoeroe zeldzaam geworden; voor beiden is de Engelsche hazenwind hoogst schadelijk geweest. Ofschoon het nog lang kan duren voordat deze dieren geheel zijn uitgeroeid, is hun vonnis geveld. De inboorlingen zijn er altijd op gesteld de honden van de pachthoeven te leenen: en hun gebruik, gevoegd bij den afval als een dier gedood wordt en wat melk van de koeien, zijn de zoenoffers der kolonisten, die al dieper en dieper in het binnenland dringen. Aangelokt, verblind door deze onbeduidende voordeden, verheugt de onnadenkende inboorling zich over de nadering van den blanke, die inderdaad bestemd schijnt het land van zijne kinderen te erven.
In weerwil van onze schrale vangst hadden wij een aangenamen rit. Het boschland is meestal zoo open, dat iemand te paard er door heen kan galoppeeren. Dwars door het boschland loopen enkele vlakke groene dalen zonder boomen; en op zulke plekken was het landschap even vriendelijk als in een park. In de geheele streek zag ik bijna geen enkele plek, welke niet de sporen droeg van een vuur. Of deze sporen van vroeger of later dagteekenden; of de overblijfsels van het verbrande hout meer of minder zwart waren--die vragen brachten de grootste afwisseling in de eentonigheid, welke het oog van den reizenden zoozeer vermoeit. In deze bosschen zijn niet veel vogels; maar ik zag eenige groote zwermen kaketoes in een korenveld grazen, en enkele zeer prachtige papegaaien; kraaien, zooals onze kerkkraaien, waren niet zeldzaam, en eindelijk zag ik nog een anderen vogel, die eenigszins op een ekster geleek. In de avondschemering deed ik eene wandeling langs eene reeks van vijvers, die in dit droge land de plaats van rivier innemen, en had het geluk verscheidene individuën van het vermaarde Snaveldier (Ornithorhynchus paradoxus) te zien. [350] Zij doken en speelden bij de oppervlakte van het water, maar lieten zoo weinig van hun lichaam zien, dat men hen gemakkelijk voor waterratten had kunnen houden. De heer Browne schoot er een, en ik zag toen, dat het werkelijk een zeer buitengewoon dier is; een opgezet exemplaar geeft volstrekt geen goed denkbeeld van het voorkomen van het hoofd en den bek van een levend individu, omdat de laatste hard wordt en krimpt. [351]
[20 Januari.]
Wij hadden een langen dagrit naar Bathurst. Voordat wij den grooten weg insloegen, volgden wij een pad door het woud. Met uitzondering van enkele squatters-hutten, was dit oord zeer eenzaam. Dien dag werden wij overvallen door den sirocco-achtigen wind van Australië, welke uit de droge woestijnen van het binnenland komt. Wolken stof vlogen in alle richtingen, en de wind voelde zoo heet, als ware hij over een vuur gestreken. Later hoorde ik, dat de thermometer buitenshuis op 119°, en in eene gesloten kamer op 96° had gestaan. Des namiddags kwamen de duinen van Bathurst in het gezicht. Deze golvende, doch bijna effen vlakten zijn in deze streek zeer merkwaardig, omdat zij geheel van boomen ontbloot zijn, en slechts een dun bruin weidegras bezitten. Wij reden eenige mijlen over dit land en bereikten toen het stadsgebied van Bathurst, gelegen in de kom eener ruimte, welke met den naam van zeer breede vallei of smalle vlakte bestempeld zou kunnen worden. Te Sydney had men mij gezegd geen al te slechten dunk van Australië te krijgen door het land van den wegkant te beoordeelen, en geen al te goeden door Bathurst als maatstaf te nemen. Wat dit laatste betrof, gevoelde ik dat ik niet het minste gevaar liep van vooringenomenheid. Ik moet trouwens erkennen, dat het jaargetijde zeer droog was geweest en het land er niet gunstig uitzag, ofschoon ik begreep dat dit twee of drie maanden geleden onvergelijkelijk slechter geweest was. Het geheim van Bathurst's snel toenemenden voorspoed is, dat het bruine weiland, hetwelk in de oogen van den vreemdeling er zoo armzalig uitziet, voortreffelijk geschikt is voor het weiden van schapen. De stad ligt op eene hoogte van 2200 voet boven de zee aan de oevers der Macquarie--eene der rivieren, welke in het uitgestrekte en bijna onbekende binnenland vloeit. De waterlinie, welke de binnenlandsche stroomen scheidt van die aan de kust, heeft eene hoogte van ongeveer 3000 voet, en loopt in eene noord-zuidelijke richting op een afstand van 80 tot 100 mijlen van de zeekust. Op de kaart is de Macquarie eene aanzienlijke rivier en de grootste van al degene, welke dit deel der scheiding ontwateren; toch vond ik tot mijne verwondering, dat zij slechts eene aaneenschakeling was van poelen of vijvers, die door bijna droge ruimten van elkander gescheiden waren. Meestal zijn de kleine rivieren stroomend, en vormen somtijds hooge en onstuimige vloeden. Is de watertoevoer in dit district schaarsch te noemen, verder landwaarts in wordt hij nog schaarscher.
[22 Januari.]
Ik ving mijn terugtocht aan en volgde een anderen weg, Lockyer's Lane genaamd, door een wat heuvel- en schilderachtiger landstreek. Het was een lange dagrit, en het huis, waarin ik wilde slapen, lag eenigszins van den weg af en was niet gemakkelijk te vinden. Evenals bij alle andere gelegenheden, ontdekte ik ook nu zeer algemeen onder den lageren stand eene bereidvaardige wellevendheid, die men met het oog op het heden en verleden van deze lieden bijna niet verwacht zou hebben. De hoeve, waar ik den nacht doorbracht, was het eigendom van twee jongelieden, die eerst onlangs aangekomen en een kolonisten-leven begonnen waren. Het volslagen gemis van alle gerief was niet zeer aanlokkend; maar zij hadden het vooruitzicht op eene zekere voorspoedige toekomst, en dat binnen niet langen tijd.
Den volgenden dag trokken wij door groote stukken land, die in vlammen stonden en waar rookwolken over den weg zweefden; daarna bereikten wij nog voor den middag onzen vorigen weg, en beklommen den Mount Victoria. Ik sliep in The Weatherboard, en wandelde vóór het vallen van de duisternis naar de amphitheatervormige verdieping. Op den weg naar Sydney bracht ik een zeer genoeglijken avond door bij kapitein King te Dunheved, en eindigde hier mijn uitstapje in de kolonie Nieuw Zuid-Wallis.
Voordat ik hier kwam, boezemden drie zaken mij meer belang in dan alle overige, nl.: de maatschappelijke gesteldheid onder de hoogere standen; de toestand der dwangarbeiders, en de vraag welke omstandigheden aantrekkelijk genoeg zijn om personen tot landverhuizing te bewegen. Natuurlijk heeft de meening van iemand, die, zooals ik, er slechts een zeer kort bezoek bracht, bijna geen waarde; maar het is even moeilijk zich van eene meening te onthouden, als om een juist oordeel te vellen. Naar hetgeen ik hoorde, meer dan naar wat ik zag, was ik omtrent de maatschappelijke gesteldheid over het geheel teleurgesteld. De geheele samenleving is over bijna elk onderwerp in haatdragende partijen verdeeld; en velen onder hen, die volgens hun stand de besten moesten zijn, leiden in het openbaar zulk een ongebonden leven, dat achtingswaardige lieden niet met hen kunnen verkeeren. Er is veel jaloerschheid tusschen de kinderen der rijke vrijgelaten misdadigers en van de vrije kolonisten, waarvan de eersten er behagen in scheppen eerlijke lieden als indringers te beschouwen. De geheele bevolking, arm en rijk, wordt beheerscht door de zucht om rijkdom te verwerven; en onder de hoogere standen vormen wol en schapenteelt voortdurend de onderwerpen van gesprek. Er zijn vele ernstige schaduwzijden in het geluk van een gezin, waarvan wellicht de voornaamste is, dat men omringd is door misdadige bedienden. Hoe in-hatelijk is het niet voor uw gevoel, bediend te worden door een man, die wellicht op uwe aanwijzing daags te voren om een beuzelachtig vergrijp gestraft werd. Met de vrouwelijke bedienden is het natuurlijk nog erger gesteld. Zoo komt het, dat kinderen de laagste uitdrukkingen leeren; en men mag van geluk spreken, indien zij ook geen gemeene daden leeren.
Hier staat tegenover, dat het kapitaal van iemand, zonder eenige moeite van zijn kant, hem driemaal meer rente opbrengt dan in Engeland; en indien hij voorzichtig is, heeft hij de zekerheid rijk te worden. Levensweelde is er in overvloed en zeer weinig duurder dan in Engeland; de meeste voedingsmiddelen zijn zelfs goedkooper. Het klimaat is prachtig en volmaakt gezond; maar volgens mijn idee gaan die bekoorlijkheden verloren door het onaantrekkelijk voorkomen van het land. Een groot voordeel voor de kolonisten is, dat hunne zoons op zeer jeugdigen leeftijd van nut kunnen zijn. Op den leeftijd van 16 tot 20 jaren nemen hunne jongens dikwijls het beheer van afgelegen pachthoeven op zich, wat intusschen dit nadeel heeft, dat zij dan geheel met het misdadigers-personeel moeten verkeeren. Ik weet niet of de maatschappelijke geest een bijzonder kenmerk heeft gekregen; maar bij zulke leefwijzen en zonder eenig streven naar geestelijke ontwikkeling, kan het haast niet anders of die geest moet ontaarden. Mijne overtuiging is, dat niets dan de bittere, harde noodzakelijkheid mij zou kunnen bewegen hierheen te trekken.
De snelle voorspoed en de toekomstige vooruitzichten dezer kolonie geven mij, die geen verstand van deze onderwerpen heeft, veel te denken. De twee voornaamste uitvoerartikelen zijn wol en traan, en voor deze beide producten bestaat eene grens. [352] Het land is geheel ongeschikt voor kanalen, zoodat reeds op niet zeer grooten afstand het verdere vervoer van wol over land de kosten van het scheren en hoeden der schapen niet loont. Het gras is overal zoo dun, dat kolonisten reeds ver het binnenland zijn ingegaan; bovendien wordt de streek, dieper landwaarts in, buitengewoon arm. Ten gevolge van de droogte kan de landbouw nooit op uitgebreide schaal slagen; en daarom zal Australië, voor zoover ik zien kan, ten slotte alleen afhangen van zijne ligging als handels-centrum voor het zuidelijk halfrond, en misschien van zijne toekomstige fabrieken. Daar het steenkool bezit, heeft het altijd de beweegkracht bij de hand. Twee omstandigheden waarborgen ons, dat Australië een zeevarend land zal zijn: eerstens de Engelsche afkomst der natie, en vervolgens de bewoonbaarheid van het land langs de kust. Vroeger verbeeldde ik mij, dat Australië een even belangrijk en machtig land zou worden als Noord-Amerika; maar nu schijnt mij zulk eene grootsche toekomst eenigszins twijfelachtig.
Wat den toestand der misdadigers of gedeporteerden betreft, dezen had ik nog minder gelegenheid te beoordeelen dan andere onderwerpen. De eerste vraag is of hun toestand eigenlijk wel een straf mag heeten: in elk geval zal niemand beweren, dat het eene zeer strenge is. Ik onderstel echter, dat dit van weinig gevolg is, zoolang die toestand aan misdadigers in hun eigen land vrees inboezemt. De lichamelijke behoeften der veroordeelden worden vrij wel bevredigd; hun vooruitzicht op toekomstige vrijheid en welzijn is niet ver en, bij goed gedrag, zeker. Een "ontslagbriefje", dat den man binnen een bepaald district vrijmaakt, zoolang hij zich buiten verdenking of misdaad houdt, wordt bij goed gedrag uitgereikt na een aantal jaren, evenredig aan den duur der straf. Ondanks dit alles, en met voorbijzien van de voorloopige hechtenis en den ellendigen overtocht, geloof ik, dat de jaren van verbanning in misnoegen en ongeluk worden gesleten. Naar een schrander man mij verzekerde, kennen de veroordeelden geen ander genot dan zinnelijkheid, en daarin worden zij niet tevreden gesteld. Het krachtig lokaas, dat de Regeering bezit in het aanbieden van amnestie, gevoegd bij den diepen afschuw van de eenzame strafkolonies, schokt het vertrouwen onder de misdadigers en voorkomt zoo de misdaad. Wat hun gevoel van schaamte betreft--iets dergelijks schijnt niet bekend te zijn, en daarvan zag ik eenige zeer zonderlinge bewijzen. Al klinkt het ook vreemd, toch werd mij algemeen gezegd, dat het karakter der misdadigers-bevolking schandelijk lafhartig is; niet zelden worden sommigen wanhopig en geheel onverschillig voor het leven; maar een plan, dat koelbloedigheid of vastberadenheid vereischt, komt zelden tot uitvoering. Het ergste in het geheele geval is, dat, ofschoon er een wat men zou mogen noemen wettelijke hervorming bestaat en er betrekkelijk weinig wordt bedreven waarop de wet vat kan hebben, van het tot stand komen eener zedelijke hervorming volstrekt geen sprake schijnt te zijn. Wel ingelichte personen verzekerden mij, dat, al zou een man zich trachten te verbeteren, hem dit onmogelijk zou zijn zoolang hij met andere veroordeelden samenleeft: hij zou een leven hebben van ondragelijke kwelling en ellende. Ook moet men niet vergeten, dat strafschepen en gevangenissen, zoowel hier als in Engeland, de besmetting in de hand werken. Over het geheel is het doel: eene strafkolonie te stichten, geenszins bereikt; als werkelijk stelsel van hervorming is het mislukt, zooals misschien elk ander plan mislukt zou zijn; maar als middel om menschen uiterlijk braaf te maken: om landloopers, zwervers, die geheel onnut waren in het eene halfrond, te veranderen in werkzame burgers in het andere, en zoodoende een nieuw en prachtig land te stichten, een groot beschavingsmiddelpunt--is het plan geslaagd tot eene hoogte, wellicht zonder wederga in de geschiedenis.
[30 Januari.]
De Beagle zeilde naar Hobart Town op Van Diemensland. Na eene zesdaagsche reis, waarvan het eerste gedeelte fraai, het laatste zeer koud en stormachtig was, stevenden wij den mond der Storm-Baai binnen. Het weder rechtvaardigde dezen gevreesden naam. De baai moest eerder "riviermond" worden genoemd, want aan haar boveneinde neemt zij de wateren van de Derwent op. Bij de monding liggen eenige uitgestrekte basaltterrassen, maar verder op wordt het land bergachtig en is het met een licht bosch bedekt. Op de lagere gedeelten der heuvels, die de baai omgeven, is het hout gerooid en prijken heldergele koren- en donkergroene aardappelvelden in weligen overvloed. Laat in den avond ankerden wij in de aardige verscholen kreek, aan de oevers waarvan de hoofdstad van Tasmanië ligt. De eerste aanblik der stad deed zeer onder voor dien van Sydney; de laatste zou men een city of groote stad kunnen noemen, gene slechts een town of landstad. Zij ligt aan den voet van Mount Wellington, een berg van 3100 voet hoogte, doch van geringe schilderachtige schoonheid. Van dezen berg ontvangt de stad een flinken toevoer van water. Rondom de kreek stonden eenige fraaie pakhuizen en aan den eenen kant een klein fort. Wanneer men uit de Spaansche koloniën komt, waar aan de vestingwerken in 't algemeen zulke uitstekende zorg wordt besteed, schijnen de verdedigingsmiddelen in deze koloniën zeer armzalig. Bij vergelijking van de stad met Sydney, trof mij hier in hoofdzaak het betrekkelijk klein aantal groote huizen, die gebouwd of nog in aanbouw waren. Volgens de telling van 1835 bevatte Hobart Town 13.826 inwoners, en geheel Tasmanië 36.505. [353]