De Reis om de Wereld

Part 46

Chapter 463,811 wordsPublic domain

Nog enkele dagen, en het vierde jaar van onze afwezigheid uit Engeland zal verstreken zijn. Onzen Eersten Kerstdag brachten wij door in Plymouth; den tweeden in de St.-Maartens-Kreek bij Kaap Hoorn; den derden te Port Desiré in Patagonië; den vierden voor anker in eene afgelegen haven van het schiereiland Tres Montes; den vijfden hier; en zoo de Voorzienigheid wil, zal de volgende in Engeland zijn. Wij woonden eene godsdienstoefening bij in de kapel van Pahia, waar de dienst gedeeltelijk in het Engelsch en gedeeltelijk in de landstaal gehouden werd. Zoolang wij op Nieuw-Zeeland waren, hoorden wij van geen nieuwe daden van kannibalisme. Wel vond Stoke op een eilandje bij de ankerplaats verbrande menschenbeenderen om een vuurhaard verspreid liggen; maar mogelijk lagen deze overblijfselen van een smakelijken maaltijd er reeds verscheidene jaren. Het is waarschijnlijk, dat de zedelijke geaardheid van het volk snel verbeteren zal. Bushby vertelde eene aardige anecdote als staaltje van oprechtheid van althans enkele personen, die het christendom belijden. Een zijner jongelieden, die gewoon was aan de andere bedienden gebeden voor te lezen, verliet hem. Toen hij eenige weken daarna des avonds laat langs een bijgebouw ging, zag en hoorde hij een van zijne lieden den anderen, bij het licht van het haardvuur, met moeite uit den bijbel voorlezen. Daarna knielden zij en baden: en in hun gebed noemden zij de namen van Bushby, zijn gezin en van de zendelingen, elk in zijn eigen district.

[26 December.]

Bushby deed Sulivan en mij het aanbod om in zijne boot eenige mijlen de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te wandelen, een afstand van vier mijlen. Dit opperhoofd was destijds eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide, dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi, die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven, die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd, en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd, zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en bezig hare lichamen stuk te rijten.

Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: "Wie heeft den moed om meê te gaan?" en snelde vooruit; maar op nog geen honderd yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met Bushby over het recht van verkoop van sommige landen. Een oud man, die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel, die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik, gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug, doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.

[30 December.]

Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne christelijke bewoners.

HOOFDSTUK XIX.

AUSTRALIË.

[12 Januari 1836.]

Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons, dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons op de nabijheid der hoofdstad van Australië.

Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag, terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mij opwelde, was mij geluk te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins; maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte, en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.

Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht ons naar Paramatta--een landstadje, dat in beteekenis op Sydney volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam [342] aangelegd, waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd, waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het land te banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het ontdekt werd.

De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De bladeren vallen niet periodiek af--een kenmerk, dat aan het geheele zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel: de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende, kleurenrijke voortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen, nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen (Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De schors van eenige Eucalypti valt jaarlijks af, of hangt in lange doode reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia of Chiloë, en de bosschen van Australië.

Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed, en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.

Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar zij des nachts zullen slapen, en hun kost verdienen met jagen in de bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen--zeer zonderling--het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden een toevlucht zochten in de hutten.

Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik, behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht, nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën, aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals mazelen, zeer verderfelijk blijken), [343] en aan het trapsgewijze uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken; en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende, zijn nakroost niet uitroeit.

Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in 't algemeen eene meer geheimzinnige kracht in 't spel te zijn. Waar de Europeaan zijne schreden zet, schijnt de dood den inboorling te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere, kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wisten dat hun land gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen. [344] Ieder heeft gehoord van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook's reizen, hoewel wij in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen: want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde, heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen zijn nu minder talrijk.

--De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk, [345] dat het eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen "steeds vergezeld gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte, die tal van menschen wegsleept." Verder zegt hij: "Het is inderdaad een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen daar zijn ingevoerd; [346] en wat dit feit merkwaardig maakt is, dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was." Dit verhaal is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt; want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren, onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III (1738-1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was, door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht; en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat de dampen die door sommige personen eenigen tijd worden uitgestraald, voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit, dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.

[17 Januari.]

Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000 voet. Zulk een wijdsche titel als "Blauwe Bergen", alsmede hunne werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan--slechts eene hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak, dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is met schrale boomen der nooit ontbrekende Eucalyptus-familie begroeid, en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.

Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in eene kleine herberg, The Weatherboard (De Loefzijde) genaamd. Het land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve mijl van deze plek heeft men een panorama, dat wel een kijk waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien 1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken, dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen, zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.

Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg, die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine herbergen in Noord-Wallis herinnerde.

[18 Januari.]

Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om Govett's Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die, hoewel in 't algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken, zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien, en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen; in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal, Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt; [347] toch vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000 voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang gaf tot de vallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof, waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd.