Part 45
Door de toenemende beschaving is er tegenwoordig veel minder oorlog, uitgenomen tusschen enkele zuidelijke stammen. Ik hoorde eene eigenaardige anecdote vertellen van een voorval, dat eenigen tijd geleden in het zuiden plaats had. Een zendeling bezocht een opperhoofd, die zijn stam ten oorlog rustte: de musketten waren schoon en gepoetst, en de munitie lag gereed. Nadat hij lang over het nuttelooze van den oorlog had gesproken, en gewezen op de geringe beleediging, die hem had uitgelokt, was het opperhoofd zeer in zijn besluit geschokt en scheen te aarzelen; maar eindelijk viel het hem in, dat een zijner vaatjes kruit in slechten staat verkeerde, en niet lang meer goed zou blijven. Dit werd als een onwederlegbaar bewijs aangevoerd voor de noodzakelijkheid om den oorlog onmiddellijk te verklaren: immers, men mocht er niet aan denken zooveel goed kruit te laten bederven! En dit argument gaf den doorslag. De zendelingen vertelden mij, dat bij Shongi--het opperhoofd dat Engeland bezocht--de zucht naar oorlog de eenige en bestendige drijfveer was van al zijne handelingen. De stam, waarvan hij het voornaamste hoofd was, werd eens door een anderen stam aan de Thames-rivier veelvuldig lastig gevallen. Alle mannen van Shongi's stam zwoeren daarop een duren eed, dat als hun knapen volwassen en krachtig genoeg zouden zijn, zij deze beleedigingen nimmer zouden vergeten noch vergeven. Het gestand doen van dien eed schijnt de hoofdreden te zijn geweest, waarom Shongi naar Engeland ging; en eenmaal hier, was het zijn eenig doel. Geschenken werden alléén op prijs gesteld, wanneer zij in wapenen konden worden omgezet; van de kunsten boezemden alleen zoodanige hem belang in, die op het maken van wapenen betrekking hadden. Te Sydney ontmoette Shongi door een zonderling toeval het vijandig opperhoofd van de Thames-rivier ten huize van den heer Marsden. Hunne houding over en weer was beleefd, maar Shongi vertelde hem, dat hij nooit zou ophouden zijn land te beoorlogen, als hij op Nieuw-Zeeland terug was. De uitdaging werd aangenomen, en na zijn terugkeer volvoerde Shongi zijne bedreiging tot de laatste letter. De stam aan de Thames-rivier werd geheel overhoop geworpen, en het hoofd zelf, tot wien de uitdaging gericht was, gedood. Hoewel Shongi zulke diepgewortelde gevoelens van haat en wraak koesterde, wordt hij beschreven als iemand, die eene goede inborst bezat.
Des avonds ging ik met kapitein Fitz-Roy en een der zendelingen, den heer Baker, een bezoek brengen aan Kororadika. Wij wandelden het dorp door, en zagen en praten met verscheidene lieden, zoo mannen, vrouwen als kinderen. Den Nieuw-Zeelander ziende, vergelijkt men hem terecht met den Tahitiër, want beiden behooren tot dezelfde menschen-species. [335] De vergelijking valt echter zeer ten nadeele van den Nieuw-Zeelander uit. Deze moge al wat meer energie bezitten, in alle andere opzichten is zijne hoedanigheid van eene veel lagere orde. Een enkele blik op hunne gelaatsuitdrukking overtuigt ons, dat de een een wilde, de ander een beschaafd mensch is. Op geheel Nieuw-Zeeland zou men te vergeefs een man zoeken met het gelaat en voorkomen van het oude Tahitische stamhoofd Utamme. Ongetwijfeld geeft de buitengewone manier, waarop hier het tatoueeren geschiedt, eene ongewone uitdrukking aan hun gezicht. De samengestelde doch symmetrische figuren, die het geheele gezicht bedekken, verbijsteren en misleiden een ongeoefend oog, terwijl bovendien de diepe insnijdingen, door verstoring van het spel der peripherische spieren, waarschijnlijk eene uitdrukking van stroeve onbeweeglijkheid voortbrengen. Maar behalve dit, vertoont het oog eene flikkering, die niets anders dan list en wreedheid kan beteekenen. Hunne lichamen zijn groot en forsch, doch in fraaiheid van vormen niet te vergelijken bij die der arbeidersklassen op Tahiti.
Zoowel zij zelven als hunne huizen zijn onzindelijk, vuil en walgelijk; het denkbeeld om lichaam of kleêren te wasschen schijnt nooit in hun hoofd op te komen. Ik zag een opperhoofd, die een hemd droeg, zwart van de korsten vuil, en die op mijne vraag hoe dit zoo morsig was, verwonderd antwoordde:
"Ziet gij dan niet, dat het een oud hemd is?"
Enkele mannen dragen hemden; maar de gewone kleeding bestaat uit een of twee groote wollen dekens, die meestal zwart zien van het vuil en op zeer ongemakkelijke, lompe manier over de schouders zijn geworpen. Enkele voorname hoofden hebben eene passende kleeding van Engelsche stoffen, die echter alleen bij hooge gelegenheden worden gedragen.
[23 December.]
Op eene plaats, genaamd Waimate, die omstreeks 15 mijlen van de Eilanden-Baai en halverwegen tusschen de oost- en westkusten ligt, hebben de zendelingen eenig land gekocht, met het doel dit te bebouwen. Het was daar dat ik een bezoek ging brengen bij den heer W. Williams, die mij op mijn verzoek hiertoe had uitgenoodigd en bij wien ik geïntroduceerd was. Bushby, de Britsche resident, bood aan mij in zijne boot mede te nemen door eene kreek, waar ik een fraaien waterval zou zien, en welke tevens mijne wandeling zou bekorten. Ook verschafte hij mij een gids. Op zijne vraag aan een naburig hoofd om mij een geschikt man aan te wijzen, bood het hoofd zich zelf aan; maar zoo groot was zijne onwetendheid omtrent de waarde van het geld, dat hij eerst vroeg hoeveel pond ik hem zou geven, en later met twee dollars tevreden was. Toen ik het hoofd een zeer klein pak liet zien, dat ik wilde laten dragen, moest hij met alle geweld een slaaf nemen. Deze trotsche neigingen beginnen nu te slijten; maar vroeger zou een hoofdpersoon liever zijn gestorven, dan de vernedering ondergaan ook zelfs den kleinsten last te dragen. Mijn metgezel, voorheen een groot krijgsoverste, was een vlug, bedrijvig man met een geheel getatoueerd gezicht en eene vuile deken tot kleeding. Hij scheen met Bushby op zeer goeden voet te staan, ofschoon zij dikwijls samen getwist hadden. Bushby deed mij de opmerking, dat op oogenblikken, als deze inboorlingen het meest snoeven, eene kleine dosis kalme spotternij hun menigmaal het zwijgen oplegt. Zoo was dit opperhoofd eens bij hem gekomen en had op snoevenden toon gezegd:
"Een groot opperhoofd, een beroemd man en mijn vriend is bij mij op bezoek gekomen. Gij moet hem wat goeds te eten geven, fraaie geschenken aanbieden, enz..."
Bushby had hem zijne redevoering laten uitspreken en toen op kalmen toon geantwoord:
"Wat zou uw slaaf dan anders voor u doen?"
Met een zeer grappig gebaar had de man toen zijne opsnijderij gestaakt.
Eenigen tijd geleden had de heer Bushby een veel ernstiger aanval te doorstaan. Een opperhoofd poogde met zijn troep midden in den nacht in zijn huis te dringen; en toen dit niet zoo gemakkelijk ging, openden zij een levendig geweervuur. Bushby werd licht gewond; maar eindelijk moest de troep wijken. Kort daarna ontdekte men wie de aanvaller was, en had eene algemeene samenkomst der hoofden plaats om het geval te bespreken. De Nieuw-Zeelanders beschouwden het als zeer misdadig, op grond dat de aanval bij nacht was geschied en Bushby ziek te bed lag. Zeer tot hunne eer, gold deze laatste omstandigheid algemeen als reden om Bushby in bescherming te nemen. En zoo besloten de hoofden, het land van den aanvaller ten bate van den koning van Engeland verbeurd te verklaren. Deze krasse handelwijze, om een opperhoofd, een gelijke, zóó te vervolgen en te straffen, was echter geheel zonder voorbeeld. Bovendien verloor de aanvaller de aanspraak op de achting zijner gelijken; en dit werd door de Engelschen als van meer gewicht beschouwd dan de verbeurdverklaring van zijn land.
Op het oogenblik dat de boot van wal stak, stapte er een tweede opperhoofd in, die alleen voor zijn pleizier de kreek eens op en neer wilde varen. Nooit zag ik een terugstootender en woester uitdrukking dan op het gezicht van dezen man. Onmiddellijk trof het mij, dat ik ergens zijn evenbeeld gezien had, en eindelijk herinnerde ik mij dat dit was op een der teekeningen van Retzsch bij Schiller's ballade "Fridolin", waar twee mannen Robert in het brandende open fornuis duwen. [336] Het woeste opperhoofd geleek op den man, die zijn arm op Robert's borst legt. De gelaatsuitdrukking sprak hier waarheid: dit opperhoofd was een bekend moordenaar geweest, en was een berucht lafaard bovendien. Op het punt, waar de boot landde, vergezelde Bushby mij een kort eind den weg op. Ik kon toen niet nalaten de koele onbeschaamdheid te bewonderen, waarmede de oude grijze booswicht, die in de boot bleef liggen, Bushby naschreeuwde:
"Blijf niet te lang weg; het zou mij vervelen hier te moeten wachten."
Wij begonnen nu onze wandeling. De weg liep langs een goed gebaand pad, aan weerszijden begroeid met het hooge varenkruid, dat het geheele land bedekt. Nadat wij eenige mijlen hadden geloopen, kwamen wij aan een landelijk dorpje, uit enkele hutten bestaande en omringd door eenige plekjes grond, waarop aardappelen waren gepoot. Het invoeren van den aardappel is voor het eiland van het wezenlijkste nut geweest, en hij wordt thans veel meer gegeten dan de inlandsche gewassen. Nieuw-Zeeland bezit een groot natuurlijk voorrecht, namelijk, dat de inwoners er nooit van honger zullen sterven. Het geheele land vloeit over van het meer genoemde varenkruid; en de wortels van deze plant, ofschoon niet smakelijk, bevatten toch veel voedsel. Een inboorling kan altijd hiervan leven, en heeft bovendien een overvloed van schaaldieren op elk gedeelte der zeekust. [337] De dorpen zijn voornamelijk kenbaar aan de platte vloeren of daken, welke op vier palen tien of twaalf voet hoog boven den grond zijn opgericht, en als veilige bewaarplaats voor de veldvoortbrengselen dienen.
Dicht bij eene der hutten gekomen, zag ik tot mijn groot genoegen de eigenaardige plichtpleging van het wrijven, of, gelijk men het noemen moest, het drukken der neuzen in haar waren vorm. Terstond bij onze nadering begonnen de vrouwen iets met zeer klagende stem te prevelen, gingen toen op hare hurken zitten en hielden de gezichten op. Mijn metgezel ging achtereenvolgens voor ze staan, plaatste den kant van zijn neus rechthoekig op den haren en begon te drukken. Dit duurde niet langer dan een hartelijke handdruk bij ons; en evenals wij bij het handschudden de kracht van den druk veranderen, zoo doen ook zij met den neus. Gedurende het drukken uitten zij een zacht tevreden geknor, dat zeer veel overeenkwam met het geluid dat twee varkens maken, die hunne gezichten tegen elkander wrijven. Ik merkte op, dat de slaaf of mindere zijn neus drukte tegen elk dien hij ontmoette, onverschillig vóór of na zijn meester, het opperhoofd. Ofschoon bij deze wilden het hoofd volstrekte macht heeft over leven en dood, bestaat tusschen hen geen enkel spoor van plichtpleging. Burchell heeft hetzelfde opgemerkt bij de ruwe Bechuanen in Zuid-Afrika. Waar de beschaving een zekeren trap heeft bereikt, ontstaan weldra samengestelde wellevendheidsvormen tusschen de verschillende klassen der samenleving. Zoo waren, bijv., op Tahiti alle inwoners verplicht zich in tegenwoordigheid des konings tot aan het midden te ontblooten.
Toen de plichtpleging van het neusdrukken tusschen alle aanwezigen naar behooren was afgeloopen, gingen wij in een kring voor een der hutten zitten, en bleven daar een half uur. Alle hutten hebben nagenoeg dezelfde vorm en afmetingen, en komen in vuilheid en onreinheid met elkander overeen. Zij gelijken op een koestal, waarvan het eene einde open is, maar hebben dicht bij den ingang een tusschenmuur met een vierkant gat er in, dat toegang geeft tot eene kleine donkere kamer. In deze kamer bergen de bewoners al hun eigendom, en bij koud weder slapen zij er in; maar zij eten en brengen hun tijd door in het open voorgedeelte. Toen mijne gidsen hunne pijpen uitgerookt hadden, vervolgden wij onze wandeling. Het pad leidde door dezelfde golvende landstreek, die weer overal met varenkruid bedekt was. Aan onze rechterhand vloeide eene kronkelende rivier, waarvan de oevers met boomen waren beplant; en hier en daar op de heuvels vertoonde zich eene strook bosch. In weerwil van de groene kleur, had het geheele landschap een eenigszins mistroostigen aanblik. Het gezicht van zooveel varenkruid maakte onwillekeurig den indruk van onvruchtbaarheid, hetgeen echter niet juist is: want waar het varenkruid zoo dicht en hoog groeit (het reikt tot aan de borst), wordt het land door akkerbouw vruchtbaar. Sommige bewoners denken, dat dit uitgestrekte, open land vroeger geheel met wouden bedekt was, die later door vuur zijn verwoest. Naar men zegt, worden bij gravingen op de kaalste plekken dikwijls stukken hars gevonden, welke uit den kauri-pijnboom (Agathis australis) vloeit. [338] De inboorlingen hadden blijkbaar gegronde reden om het land te ontbosschen, want het varenkruid (Pteris esculenta), dat vroeger het voornaamste voedingsmiddel was, bloeit alleen in de open, boschvrije gedeelten. [339] De bijna totale afwezigheid van gemengde grassoorten--zulk een merkwaardig kenmerk in de flora van dit eiland--laat zich wellicht hierdoor verklaren, dat het land voorheen met woudboomen bedekt is geweest.
De grond is vulkanisch; op verscheidene plaatsen gingen wij over slakkenvormige lava's, en op vele naburige bergen kon men duidelijk kraters onderscheiden. Ofschoon het landschap nergens schoon, en alleen nu en dan aardig is, genoot ik van mijne wandeling en zou dit nog meer gedaan hebben, indien mijn metgezel, het opperhoofd, niet zoo bijzonder spraakzaam was geweest. Ik kende slechts drie woorden van zijne taal: "goed", "slecht" en "ja"; en daarmede beantwoordde ik al zijne opmerkingen, zonder natuurlijk een enkel woord te verstaan van wat hij zeide. Maar dit was voldoende: ik was een goed "toehoorder", een "aangenaam" persoon, en daarom hield hij niet op met praten.
Eindelijk bereikten wij Waimate. Na zooveel mijlen door een onbewoond en onnut land te zijn getrokken, was de plotselinge verschijning van eene Engelsche boerderij met hare goed bebouwde velden, die daar als door toovenaarshand geplaatst was, eene uiterst aangename verrassing. Daar de heer Williams niet thuis was, heette Davies mij in zijne woning hartelijk welkom; en nadat ik hier met zijn gezin had thee gedronken, deden wij eene wandeling om de boerderij. In Waimate zijn drie groote huizen, waarin de zendelingen Williams, Davies en Clarke wonen; en dicht daarbij staan de hutten der inlandsche arbeiders. Op eene naburige helling stonden talrijke gerste- en tarwearen in vollen bloei, en op een ander veld zag men aardappelen en klaver. Maar, al wat ik zag, te beschrijven, is onmogelijk. Er waren groote moestuinen, waarin alle vruchten en groenten, die Engeland zelf voortbrengt, en bovendien vele uit een warmer klimaat. Ik noem slechts: asperges, witte boonen, komkommers, rhabarber, appelen, peren, vijgen, perziken, abrikozen, druiven, olijven, kruisbessen, aalbessen, hop, brem voor palissadeeringen, en Engelsche eiken; ook zag ik vele soorten bloemen. Rondom de boerderij waren vele stallen, eene dorschschuur met haar wantoestel, eene grofsmederij, en op den grond ploegscharen met ander gereedschap. Te midden van dit alles heerschte dat landelijke gezelschapsleven van varkens en kippen, die genoeglijk bij elkander lagen, evenals op elke boerderij in Engeland. Op eene afstand van een paar honderd yards, ter plaatse waar het water van een beekje in een vijver was afgedamd, stond een groote heusche watermolen.
Dit alles is zeer verrassend, zoo men bedenkt, dat hier vijf jaren geleden niets anders dan varenkruid groeide. En wat meer zegt: al deze verandering is geschied door inlandsche werklieden, door zendelingen in de kunst onderwezen; de les van den zendeling is hier de staf van den toovenaar. De huizen zijn gebouwd, de vensters ingezet, de velden beploegd en zelfs de boomen geënt... door Nieuw-Zeelanders. Bij den molen zagen wij een Nieuw-Zeelander, wit gepoederd met meel, evenals zijn vakbroeder in Engeland. Toen ik dit geheele tooneel aanschouwde, bewonderde ik het in gedachte. Die bewondering sproot niet zoozeer voort uit het feit, dat alles mij levendig aan Engeland herinnerde--want toen de avond daalde, deden ook de huiselijke geluiden, de wuivende korenvelden, en het golvende land met zijn geboomte in de verte, onwillekeurig aan het vaderland denken: ook niet uit het zegevierende bewustzijn, nu ik zag wat Engelschen tot stand konden brengen--maar veeleer uit de hooge verwachtingen, die mij vervulden in den toekomstigen voorspoed van dit belangrijke eiland.
Verscheidene jonge mannen, die door de zendelingen uit de slavernij waren afgekocht, werkten op de boerderij. Zij waren gekleed in hemd, buis en broek, en zagen er fatsoenlijk uit. Te oordeelen naar eene onbeduidende anecdote, die ik even wil vertellen, zou ik hen voor eerlijke lieden houden. Op onze wandeling door de velden kwam een jonge inlander naar Davies toe, en gaf hem een mes en eene zwikboor, zeggende dat hij deze op den weg gevonden had, en niet wist aan wien zij toebehoorden. Deze jonge mannen en knapen schenen zeer vroolijk en opgeruimd. Des avonds zag ik een troepje van hen cricket spelen; toen ik daarbij dacht aan den stuggen ernst, waarvan de zendelingen beschuldigd worden, deed het mij genoegen te zien, dat een hunner eigen zoons lustig aan het spel deelnam. Een meer bepaalde en aangename verandering vertoonden de jonge vrouwen, die als dienstboden binnenshuis werkten. Door haar helder, net en gezond uiterlijk, evenals van de melkmeisjes in Engeland, vormden zij eene gunstige tegenstelling met de vrouwen uit de morsige hutten in Kororadika. De vrouwen der zendelingen hadden getracht haar van het tatoueeren af te brengen; maar toen op zekeren dag een vermaard "snijmeester" uit het zuiden kwam, zeiden de meisjes:
"Wij moesten toch eigenlijk een paar strepen op de lippen hebben; want anders zullen onze lippen rimpelen als wij oud worden, en zullen wij zoo erg leelijk worden."
Wel geschiedt het tatoueeren niet meer zoo druk als vroeger; maar wijl het een kenteeken is ter onderscheiding van hoofd en slaaf, zal het waarschijnlijk lang in gebruik blijven. Hoezeer een gedachtensleur gewoonte kan worden, bleek uit de verklaring der zendelingen, dat zelfs in hunne oogen een glad gezicht alledaagsch scheen, en niet zoo fraai als dat van een Nieuw-Zeelandschen gentleman.
Laat in den avond ging ik naar het huis van Williams, waar ik overnachtte. Ik vond er een groot gezelschap kinderen, die voor den Kerstdag waren bijeengekomen en nu allen aan eene tafel zaten thee te drinken. Nooit zag ik een aardiger, opgeruimder troepje; en dan te denken, dat dit midden in het land van kannibalisme, moord en alle gruwelijke misdaden was! De hartelijkheid en het geluk, die zoo duidelijk op de gezichten van het kleine volkje te lezen stonden, schenen ook door de oudere personen der zending gevoeld te worden.
[24 December.]
Des morgens werden aan de geheele familie gebeden voorgelezen in de landstaal, en na het ontbijt deed ik eene rondwandeling door de tuinen en de boerderij. Het was een marktdag, als wanneer de inboorlingen der omliggende gehuchten hunne aardappelen, maïs of varkens komen inruilen tegen dekens, tabak en somtijds zeep, als de zendelingen hen daartoe kunnen overreden. De oudste zoon van Davies, die eene eigen boerderij bezit, is de zakenman op de markt. De kinderen der zendelingen, die jong op het eiland kwamen, verstaan de taal beter dan hunne ouders, en kunnen gemakkelijker iets van de inlanders gedaan krijgen.
Kort vóór den middag wandelden de heeren Williams en Davies met mij naar een gedeelte van het naburige woud, om mij den vermaarden Kauri-pijnboom te laten zien. Ik mat een dier prachtige boomen en vond, dat hij een omtrek had van 31 voet boven de wortels. Dichtbij was een andere, dien ik niet zag, van 33 voet; en men vertelde mij van een, die niet minder dan 40 voet in omtrek was. Deze boomen zijn vermaard om hunne gladde cylindervormige stammen, die eene hoogte bereiken van zestig, en zelfs negentig voet met bijna dezelfde middellijn en zonder een enkelen tak. De kroon van takken aan hun top staat in geen enkele verhouding tot den stam, en ook de bladeren zijn klein in vergelijking met de takken. Het woud bestaat hier bijna geheel uit kauri's, waarvan de hoogste boomen met hunne evenwijdige zijden als reusachtige houten zuilen voor den toeschouwer oprijzen. Het hout van den kauri is het kostbaarste voortbrengsel van het eiland; ook zijpelt er eene hoeveelheid hars uit den stam, die, voordat het gebruik er van bekend was, tegen eene penny het pond verkocht werd. [340] Enkele wouden op Nieuw-Zeeland moeten bijna geheel ondoordringbaar zijn. De heer Matthews vertelde mij, dat een woud van slechts 34 mijlen in doorsnede, hetwelk twee bewoonde districten scheidde, eerst onlangs voor de eerste maal was doorgetrokken. Hij en een andere zendeling, ieder met een troep van omstreeks 50 man, poogden een weg te banen; maar dit kostte hun meer dan 14 dagen werk! In de bosschen zag ik zeer weinig vogels. Wat dieren betreft, is het een hoogst merkwaardig feit, dat zulk een groot eiland--meer dan 700 mijlen lang en op vele plaatsen 90 mijlen breed [341]--met afwisselende gronden, een fraai klimaat, en land van allerlei hoogten tot 14000 voet, geen enkel inheemsch dier bezit, met uitzondering van eene kleine rat. De verschillende soorten van het reusachtige vogelgeslacht Dinornis schijnen hier de viervoetige zoogdieren te hebben vervangen, evenals nog heden de kruipende dieren op de Galápagos-Eilanden. Men zegt, dat de gewone Noorweegsche rat de Nieuw-Zeelandsche soort in den korten tijd van twee jaren op het noordelijk einde van het eiland heeft uitgeroeid. Op vele plaatsen bemerkte ik verscheidene soorten onkruid, die ik evenals de ratten als mijn landgenooten moest erkennen; en aan een Fransch schip komt de eer toe eene prei te hebben ingevoerd, die zich over geheele districten heeft verspreid, en ongetwijfeld zeer lastig zal blijken. Ook de gewone zuring (Rumex acetosa) is hier wijd en zijd verspreid en zal, naar ik vrees, altijd ten bewijze strekken van de schelmerij door een Engelschman gepleegd, die de zaden er van verkocht voor die van de tabaksplant.
Van onze aangename wandeling in het huis teruggekeerd, at ik bij den heer Williams, die mij vervolgens een paard leende om naar de Eilanden-Baai terug te keeren. Met dankbaarheid voor de hartelijke ontvangst en met gevoelens van eerbied voor hunne beschaafde, nuttige en rechtschapen persoonlijkheden, nam ik van de zendelingen afscheid. Ik geloof, dat men moeilijk een corps mannen zou vinden, die beter dan zij voor de hooge roeping geschikt zijn, welke zij nastreven.
[Kerstdag.]