Part 44
Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten, op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan, dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat, die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord: "Zendeling." Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen, die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een "Matigheidsgenootschap" op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de "ava" (zooals de inboorlingen alle brandende geestrijke dranken noemen) op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men, denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit, dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.
Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad, dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden, zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon de nacht helder was, heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.
Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen, waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters, die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.
[20 November.]
Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai, nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt, tot dicht bij den waterkant reikt.
Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren ontleend aan de Polynesian Researches van Ellis, een bewonderenswaardig en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey's Reis, en eindelijk uit het werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel gekant is. Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik, een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.
Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20 jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar meten hem af naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid, dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars vrouwen noch kinderen spaarden--dat al deze gruwelen hebben opgehouden te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid en losbandigheid door de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid, want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.
Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt, zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen, door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het strengst zijn, dienden in 't oog te houden, hoezeer de zedelijkheid der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen, noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.
[Zondag, 22 November.]
De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt, kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods, die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle waren die houding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als in eene Engelsche kerk op het platteland. Het zingen van de psalmen was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van woorden, als: tata ta, mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.
Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op 1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren; maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was wegens de misdaden van andere eilanders hun persoonlijk eigendom op te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de snelle uitvoering er van--want den volgenden morgen vroeg werd er eene inschrijving geopend--voltooiden op volmaakte wijze dit zeer merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.
Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin Pomaré tot een bezoek aan de Beagle.
[25 November.]
Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het donkere strand rondom de baai een geluid "o! o!" hooren. Maar ook het gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerkte dat dit stellig geen psalm kon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde eerst na middernacht naar het strand terug.
[26 November.]
Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries, koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.
[19 December.]
Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te begrijpen, moet men haar overzeilen. Op onze snelle vaart van eenige weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen, diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen, schaduwen en namen zich verdringen, kunnen wij geen juist begrip krijgen van de uiterst kleine verhouding, waarin het droge land staat tot dit uitgestrekte watervlak. De meridiaan der tegenvoeters was óók gepasseerd, zoodat wij van nu af de gelukkige gedachte omdroegen, dat elke zeemijl verder er weer eene dichter bij Engeland was. Deze tegenvoeters wekken oude herinneringen van kinderlijken twijfel en verwondering bij ons op. Nog daags te voren keek ik verlangend naar dien hemelcirkel uit, als het zekere baken van onze reis naar huis; maar nu ik hem gevonden heb, beschouw ik al zulke rustpunten voor 's menschen verbeelding als schaduwen, die de reizende mensch toch niet kan grijpen! Onlangs heeft een storm, die eenige dagen duurde, ons ruimschoots stof tot nadenken gegeven over hetgeen ons op de lange reis naar huis misschien te wachten staat, en zoo ernstig mogelijk naar het einde er van doen verlangen.
[21 December.]
Vroeg in den morgen zeilden wij de Eilanden-Baai binnen, bleven eenige uren bij de monding totdat wij windstil lagen, en bereikten niet vóór den middag de ankerplaats. Het land is heuvelachtig, maar heeft eene vlakke omgrenzing, en wordt bespoeld door talrijke zeearmen, die van de baai uit diep in het land dringen. Van verre schijnt de oppervlakte uit grof weiland te bestaan, maar in werkelijkheid is dit niet anders dan varen. Op de meer verwijderde bergen, evenals in enkele gedeelten der valleien, is eene groote oppervlakte boschland. De algemeene tint van het landschap is niet bepaald heldergroen en gelijkt op die van het land niet ver ten zuiden van Concepcion in Chili. Op vele punten der baai liggen kleine dorpen met aardig uitziende vierkante huizen, die zich tot dicht bij den waterkant uitstrekken. Drie walvischschepen lagen voor anker, en nu en dan voer eene kano van de eene kust naar de andere. Op deze uitzonderingen na, heerschte in den geheelen omtrek eene buitengewone kalmte. Slechts een enkele kano voer ons op zijde. Die stilte en de aanblik van het geheele landschap vormden eene merkwaardige en niet zeer aangename tegenstelling met onze blijde en luidruchtige verwelkoming op Tahiti.
Des namiddags gingen wij aan land en begaven ons naar eene der grootere huizengroepen, die nauwelijks den naam van dorp verdiende. Zij heet Pahia, is de verblijfplaats der zendelingen en bevat geen andere inlandsche bewoners dan dienstpersoneel en arbeiders. In de nabijheid der Eilanden-Baai bedroeg het getal Engelschen met inbegrip van hunne gezinnen tusschen de 2 en 300. Alle landhuisjes, waarvan vele witgepleisterd zijn en er zeer netjes uitzien, behooren aan de Engelschen. De hutten der inboorlingen zijn zoo klein en armzalig, dat men ze van verre nauwelijks kan onderscheiden. Te Pahia bood het gezicht van de Engelsche bloemen in de tuinen vóór de huizen een zeer aangenaam schouwspel: er waren rozen in verschillende soorten, kamperfoelie, [331] jasmijnen, [332] en stammen, ja geheele hagen met eglantieren. [333]
[22 December.]
Des morgens ging ik uit wandelen, maar ontdekte spoedig, dat het land zeer ontoegankelijk was. Alle heuvels zijn dicht begroeid met hooge varens, benevens een lagen struik in den vorm van een cipres, en nog zeer weinig grond is ontboscht of bebouwd. Ik beproefde het toen aan het strand; maar hetzij ik rechts of links ging, overal werd mijne wandeling spoedig door zoutwater-kreken en diepe beken gestuit. De gemeenschap tusschen de bewoners van de verschillende deelen der baai wordt (evenals op Chiloë) bijna geheel door booten onderhouden. Tot mijne verwondering ontdekte ik, dat bijna elke heuvel, dien ik beklom, in vroeger tijd meer of minder versterkt was geweest. In de toppen waren trappen of achtereenvolgende terrassen gehouwen, en dikwijls bleken zij door diepe loopgraven beschermd te zijn. Later ontdekte ik, dat de voornaamste heuvels landwaarts in eveneens eene kunstmatige omgrenzing vertoonden. Deze voormalige sterkten, door kapitein Cook zoo dikwijls onder den naam van hippah's vermeld, noemt men Pah's, waarbij het verschil in uitspraak alleen aan het voorvoegsel is toe te schrijven.
Dat de Pah's vroeger veel gebruikt werden, bleek uit de stapels weekdierschalen en de kuilen waarin men aardappels placht te bewaren, zooals mij verteld werd. Daar op deze heuvels geen water was, konden de verdedigers nooit een lang beleg doorstaan, maar alleen overhaaste uitvallen doen om te plunderen, waartoe dan de achtereenvolgende terrassen eene goede bescherming zullen geboden hebben. De algemeene invoer van vuurwapenen heeft het geheele stelsel van oorlogvoeren veranderd, en eene open ligging op den top van een heuvel is nu niet alleen nutteloos, maar wat erger is, gevaarlijk. Bijgevolg worden de Pah's tegenwoordig altijd op een vlak stuk gronds gebouwd. Zij bestaan uit eene dubbele palissadeering van dikke, lange palen, in eene zigzag-lijn opgesteld, zoodat elk deel van het terrein bestreken kan worden. Binnen de palissadeering ligt een hoop opgeworpen aarde, waarachter de verdedigers veilig kunnen uitrusten of hunne vuurwapenen aanleggen. Soms loopen er lage, overwelfde gangen over den vlakken grond naar de borstwering, waardoor de bezetting naar de palissadeering kan kruipen, om den vijand te verkennen. Rev. W. Williams, die mij dit verhaalde, voegde er bij, dat hij in een Pah stut- of steunwanden had gevonden, die naar de binnen- of beschutte zijde van den aardheuvel uitstaken. Op zijne vraag aan het opperhoofd naar het nut hiervan, antwoordde deze, dat als eenige zijner manschappen vielen, hunne makkers niet de lijken mochten zien, waardoor zij den moed zouden verliezen. Deze Pah's worden door de Nieuw-Zeelanders als zeer volmaakte verdedigingsmiddelen beschouwd, want de aanvallers zijn nooit zoo goed georganiseerd, dat zij in gesloten gelederen naar de palissadeering stormen, deze omhakken en een bres maken. Als een stam ten oorlog gaat, kan het hoofd nooit den eenen troep hier en dan anderen daar commandeeren, want ieder man vecht op de manier die hem het beste bevalt; en om één voor één eene palissadeering te naderen, die met vuurwapenen verdedigd wordt, schijnt den aanvallers terecht een wisse dood toe. Ik denk niet, dat ergens ter wereld een krijgshaftiger volk te vinden zal zijn, dan de Nieuw-Zeelanders. Hunne houding toen zij voor het eerst een schip zagen (volgens het verhaal van kapitein Cook) bewijst dit duidelijk; [334] en de handeling om hagelbuien van steenen naar zulk een groot en vreemd gevaarte te werpen, alsmede hunne uitdaging tot het scheepsvolk: "Komt aan land en wij zullen u allen dooden en opeten," getuigen van ongewone driestheid. Deze oorlogzuchtige geest blijkt ook uit vele hunner gewoonten en zelfs uit de minste handelingen. Als een Nieuw-Zeelander geslagen wordt, al is het ook uit gekheid, moet die slag worden teruggegeven; en daarvan zag ik een voorbeeld tegenover een onzer officieren.