Part 43
Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200 mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°, hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of Gevaarlijken Archipel, [329] en zagen verscheidene van die hoogst eigenaardige ringvormige koraalbanken, welke even boven den rand van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange, schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die, waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten onrechte "De Stille" genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.
[15 November.]
Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai Matavai ankerden, werden wij door kano's omringd. Het was dien dag voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken--vooral nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen en kinderen stond op het gedenkwaardige Point Venus geschaard, om ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.
Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overal niet veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een meer, waar de kano's der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn open plekken, waar yam- of broodwortels (Dioscorea), suikerriet en pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde vruchtboom, nl. de guajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten naar het nut dat het biedt, toch laat zich in 't geval van deze schoone bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.
Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs op hun voordeeligst ziet. Zij zijn zeer groot, breedgeschouderd, sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd, en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig, dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon, met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.
Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt, zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamde broos (tooneelschoeisel) geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het is mode, en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode bloem te dragen. Ook dragen zij een krans van gevlochten kokosbladeren ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.
Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel, waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard, Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik, op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.
[17 November.]
Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November, in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door eene flotielje kano's omsingeld; en toen de inboorlingen verlof kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen, doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars (ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopen zij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.
Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte tot eene hoogte van 2-3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei, bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie, zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust, was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging; want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring, en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen, waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.
Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine doorvaart, is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste teekening vergeleken worden, waarvan de golven de lijst, de stille lagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen, een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers, als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig, dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben een voortreffelijken smaak--misschien zelfs beter dan die in Engeland worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had, dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in het gebergte te vergezellen.
[18 November.]
Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden, dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof, zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt; zij is een van de hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In 't eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden, waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden, en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen, groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was, werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots, aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch in hoeken en gaten, en vingen hem.
Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor Pomaré [330] bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop, en viel het dier te water. Onmiddellijk sprongen de inboorlingen over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en trachtte zich voor het "varken dat een mensch draagt"--gelijk zij het paard noemden--te verbergen.
Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken, hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden, een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg, ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.
Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten overgaan, stond een loodrechte rotswand, die den weg versperde. Een der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene diepte van 5-600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen, met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25 voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.
Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus tiliaceus)--dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano's. Het vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet verstaat, vereischt het de grootste inspanning. Ik ondervond dit zelf, en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode; hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte, die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum) in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd, gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal het koele water van den snelvlietenden stroom.
Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had, hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijn dan spinazie. Dan waren er de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant, Ti genaamd, welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten, en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en begreep den zin der woorden, dat de mensch--althans de wilde mensch met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens--het kind der keerkringen is.
Toen de avond begon te vallen, doolde ik onder het duistere lommer der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam van 2-300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in 't algemeen een denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren, vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg, hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte, en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het duister hulden.
Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers, die denken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.
[19 November.]