De Reis om de Wereld

Part 42

Chapter 423,528 wordsPublic domain

De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de "Linnaean Transactions" een volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe bekend is, zijn er 185 soorten phanerogamische, en 40 kryptogamische planten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was 193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn 100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58 van zijn "Voyage") dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten (of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht, als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soorten Compositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora een onmiskenbaar Westamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit: indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-, en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de eene species van de ondergroep Cactornis, die van het eiland Bow in den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel uitmaakt van Amerika.

Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels, nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe planten--en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw, zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië, of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg ik mij af--werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest; die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel dien van Amerika bezitten.

Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder individu met zekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring, en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden, omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden, verschillende bewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien, dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers, dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.

Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak zijn. [327] Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat de Amblyrhynchus cristatus op het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilanden waarschijnlijk hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van den Amblyrhynchus als van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus) behoorden; die van het eiland Albemarle alle tot M. Parvulus; en die van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden als verbindingschakels gelegen zijn) alle tot M. melanotis. Deze twee laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden; doch Mimus trifasciatus is zeer verschillend. Ongelukkig waren de meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de ondergroep Geospiza zich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben van Geospiza, kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee soorten van de ondergroep Cactornis, en twee van Camarhynchus; het bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd) alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een etiket van de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond, dat aan twee van de eilanden gemeen was.

Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd, dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten ten deele bevestigen. Bovendien zijn de Leguminosae slechts bij benadering uitgecijferd:

Aantal Aantal Aantal Aantal soorten, die soorten in soorten, die soorten tot den Galápagos- Naam van Totaal andere tot den tot het archipel beperkt het Eiland. aantal deelen der Galápagos- eene zijn, doch op meer soorten. wereld archipel eiland dan één eiland ge- gevonden. beperkt beperkt. vonden worden. zijn.

James 71 33 38 30 8 Albemarle 46 18 26 22 4 Chatham 32 16 16 12 4 Charles 68 39 29 21 8 (of 29, na aftrek van de waar- schijnlijk ingevoerde planten).

Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in geen ander deel der wereld gevonden worden, dertig uitsluitend tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke Galápagische planten op het eiland Albemarle, twee en twintig tot dit eene eiland beperkt zijn, en dus slechts vier--naar men tot heden weet--op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit feit wellicht nog meer in 't oog doen springen. Zoo is Scalesia, een merkwaardig, boomwordend geslacht der Compositae, tot dezen archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham, één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een tweede voorbeeld levert Euphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht, dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Acalypha en Borreria--beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven soorten, waarvan, met uitzondering van ééne tot Borreria behoorende, geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species der Compositae zijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken; en bijna zeker van het Galápagische geslacht Amblyrhynchus.

De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster, en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in 't geheel geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende species van dezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel verschillende geslachten--zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben, overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen--deze is het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige plaatsvervangende soorten--althans wat de schildpad en sommige vogels betreft--later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James; maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden, liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham), en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.

Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke, in westelijke en west-noordwestelijke richting loopende zeestroomen de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans wat het vervoer van individuën over zee betreft. Inderdaad werd tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere, wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.

Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht--indien wij zulk eene uitdrukking mogen bezigen--welke op deze kleine, kale en rotsachtige eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen, die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig, organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote vastland van Amerika.

Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid der vogels.

Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters, de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts of hoed, wat ik zelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684, "dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten gevolge waarvan zij schuwer werden." Ook Dampier verhaalt in hetzelfde jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden, als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.

Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken, dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een gevaarlijker dier is dan de schildpad of de Amblyrhynchus, geen acht op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters, in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze velden grazen.

De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den kleinen Opetiorhynchus is door Pernety, Lesson en andere reizigers opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel: de Polyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster, de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze tamheid der vogels--vooral van het watergevogelte--vormt eene scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen; terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden, als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.

In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat de Opetiorhynchus bijna op zijn vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden, waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen; want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het verhaal van Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren, zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden--een trekvogel, die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen overbracht.

Ik wil er bijvoegen, dat, naar hetgeen Du Bois verhaalt, alle vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo's en de ganzen, in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt Carmichael, [328] dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop), nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegen hem gericht, en niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt, niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien, dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te ontdekken. Wat de wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch, deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen, zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos- en de Falklands-Eilanden talrijke individuën door den mensch vervolgd en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen, voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de kracht van den vreemdeling hebben aangepast.

HOOFDSTUK XVIII.

TAHITI (OF TAÏTI) EN NIEUW-ZEELAND.

[20 October 1835.]