Part 40
De Beagle zeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort, waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend; gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben; de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti, verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.
De Beagle zeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel is lang bezocht geworden--eerst door de boekaniers, en later door walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners bedraagt twee tot driehonderd [310]--zijnde bijna allen kleurlingen, die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks 4 1/2 mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000 voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens; maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360 mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke ruimte verspreid, die met Spaansche bataten [311] en bananen bebouwd is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het aantal dezer dieren natuurlijk zeer verminderd is, rekenen de bewoners toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot 700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.
[29 September.]
Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte, kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid, evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank's Cove op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging, om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater waarin de Beagle voor anker lag, verrees een andere van fraaien, symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500 voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet; en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water--doch vond dit tot mijn groote spijt zoo zout als pekel.
De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange, zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in hare holen. Straks zal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle is ellendig dor.
[8 October.]
Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl de Beagle water ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden, die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden, terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt; maar de boomen waren hier hooger, en vele ervan bereikten twee voet, sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er aan gebraden (zooals de Gauchos hun carne con cuero), smaakt zeer goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren; maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.
Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun walvischvaartuig naar eene salina, of meer waaruit zout gehaald wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief, die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem de salina lag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreef op eene laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten: wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt, bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.
In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt; en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn, weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke laarzen aan, hoogst onaangenaam was.
De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig, en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden; toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika, niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong verleden de oceaan zich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen tot dat groote feit--het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.
Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die, voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is, voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel niemand het recht heeft zonder stellige feiten natuurphilosophische bespiegelingen te maken, moet men toch--zelfs ten aanzien van de muis op het eiland Chatham--in 't oog houden, dat zij wellicht eene uit Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen. [312]
Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel eigen zijn, en nergens anders gevonden worden--behalve een leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus), die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal moerassen bewoont. [313] De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetende Polybori, met welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee soorten Pyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne) purpurea uit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend, dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika eigen is. De overige landvogels--uitmakende dertien soorten, die Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld--bestaan in eene zeer eigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilie Cactornis, die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is meêgebracht. De twee soorten Cactornis of Cactusvogel kan men dikwijls om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de bekken der verschillende soorten Geospiza: te beginnen met een zoo groot als de bek van een kersebijter [314] tot dien van een beukvink, [315] en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilie Certhidea in de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den grootsten bek bij het geslacht Geospiza zien wij in Fig. 1, en den kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie der Certhidea zien wij in Fig. 4. Die van Cactornis gelijkt eenigszins op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus) heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen, dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der aasetende Polybori van het Amerikaansche vasteland te verrichten.
Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de veel grootere eigenaardigheid der landvogels--namelijk, dat 25 van de 26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn--bij de steltloopers en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen (hetzij zee- of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van dezen archipel.
Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species, die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten, waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters, de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage), de Totanus en de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne overeenkomstige species, en--wat in 't bijzonder de spotlijsters en den Totanus betreft--donkerder dan elke andere species der beide geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van eene species kleiner maken, ook de meeste inheemsche soorten van den Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijls donkerder van kleur maken.
Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun uiterlijk in 't algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij uit de evenaars-zone afkomstig waren. [316] De vogels, planten en insecten dragen een woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden, dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken, maar met eene andere oorzaak--wellicht deze, dat in 't algemeen de levensvoorwaarden gunstig zijn.
Wij zullen nu overgaan tot de klasse der kruipende dieren, welke aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De soorten zijn niet talrijk, maar het getal individuën van elke soort is buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk meer) Amblyrhynchus--eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden beperkt is; en talrijke individuën van eene slang, die, zooals Bibron mij bericht, dezelfde is als Psammophis Teminckii uit Chili. [317] Van zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort; en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan, nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individu dezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt. [318] Voor zoover ik in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering, want ik vond er de Rana Mascariensis in overvloed. Volgens zeggen bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon; daarentegen verklaart Du Bois in zijn "Voyage" in het jaar 1669, dat er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden; en de Officier du Roi verzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen (Lacertidae), [319] die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?
Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra, vroeger genoemd Indica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden, of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zij moeten zijn. Sommige bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen, eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort bes (guayavita genaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.
De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen, ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen, welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt, steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol--ongeveer tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elk dier drie of vier dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit, dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.
Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de bewoners eerst het water uit het pericardium, [320] dat als best wordt beschreven.