Part 38
Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede, vermengd met gehakt stroo. Omstreeks twee leagues boven de stad ontspringt eene breede vallei, genaamd El Despoblado (De Onbewoonde), uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt, is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien, een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik er aan, of deze vallei werd bij de langzame rijzing van het land, door de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien, evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde (dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn), merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven; maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken, door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen, zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen; en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van steen en aarde, die wij "vastland" noemen.
Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten met eene kleine put of wel, Agua amarga (Bitter water) geheeten. Het water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig, maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende den naam van "woestijn" ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg, bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog--recht voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondende valleien bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen, zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: "quien sabe!"
Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren de Ruinas de Tambillos in den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen, waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij, dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven, dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.
In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfden vorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen) wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei, bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers, van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede, vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie of vier leagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht; de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is, zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd; en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.
Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot 1300 voet gerezen is; dieper landwaarts in is de rijzing mogelijk nog grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd zijn. Volgens deze meening--eene klimaatverandering sedert de gebouwen bewoond werden--moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen (en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van 80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in Zuid-Amerika bestaan heeft. [294]
Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur Gill, die veel van het binnenland gezien had. [295] Hij vertelde mij, dat de onderstelling aangaande eene klimaatverandering somtijds bij hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd, door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen, zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval, dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogte afging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijk wegvloeien en zich een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.
[27 Juni.]
Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen (eene soort van mimosa). [296] Doordien men hier brandhout had, was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had, dan op guanaco's te jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.
[28 Juni.]
Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei, die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij verscheidene guanaco's, alsmede het spoor van de Vicugna, eene na aan de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt, die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine dieren, zelfs op de grenzen der salinas, waar nooit een druppel water te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde voedsel te vinden--zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.
Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet der primera linea of eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte, in welker midden eene groote salina of zoutmeer ligt, en vormen zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische Zee in 't klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds--een uur of twee na zonsondergang--daalt de lucht uit de koude bovenstreken als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries, en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en verkleumd opstond.
Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw; maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een dag lang; de mannen voelden hunne krachten afnemen, en de muildieren wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren, maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen; en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel, dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit zal worden beschouwd.
[29 Juni.]
Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge, onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zij El Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht, als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg, [297] uitvoerig beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen, die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen van het zand langs de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit, aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne tochten langs de kust van Brazilië.
Drie dagen later hoorde ik, dat de Beagle de Haven was binnengeloopen, welke achttien leagues van de stad ligt. Langs de glooiing der vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel, dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had, vaarwel en riep hem een hartelijk "tot weêrziens" toe. Den volgenden morgen zette de Beagle koers naar Iquique.
[12 Juli.]
Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12' Z.B. aan de kust van Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners, [298] en ligt in eene kleine zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand, die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene hoogte van duizend voet met stapels fijn wit zand bedekt. In dezen tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen, en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot het overige landschap, en zonken er geheel in weg.
De inwoners leven als lieden aan boord van een schip: al het noodige komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks 40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons. [299] Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout--in 1830 voor het eerst uitgevoerd--werd in één jaar tijds voor eene waarde van honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden. [300] Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.
Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst en zorgen, denkende dat het kwade uur geslagen had. Maar het volk had ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die omstreeks tweehonderd leagues ver ligt. De regeering aldaar achtte het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken, en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren "den almachtigen God" zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf, martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.
[13 Juli.]
Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertien leagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya en Santa Rosa in 't gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd, hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang, na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden, dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis en uitputting waren bezweken. Behalve de Vultur (Cathartes) aura of Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel, viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in de rotsspleten, en was het losse zand met eene mosplant bedekt, die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het geslacht Cladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.