Part 37
Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000 gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd, dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen van de meer kostbare metalen. [288] Korten tijd geleden keerde een Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medeneming van de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval, op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:
"Laat ons zien welk het verst rolt!"
De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide, terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:
"Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold was."
[23 Mei.]
Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes, dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district zijn om hare uitmuntende qualiteit beroemd, en worden over eene groote uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug, en van daar met Don José naar Coquimbo.
[2 Juni.]
Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten, waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs daar waar het groen 't helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten, eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.
[3 Juni.]
Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras, is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik overvloedige sporen, namelijk de schelpen van een Bulinus, die in buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet, als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen, dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. Te Carrizal vonden wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.
[4 Juni.]
Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten, bewoond door groote kudden guanaco's. Ook trokken wij door de Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort, dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in Vuurland.
Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijf leagues verder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en daarachter Huasco Alto--een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde, besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond; en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen, zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of drie zeer droge jaren, als in al dien tijd misschien niet meer dan ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle strooken gronds--de eenige die voor cultuur geschikt zijn--met grint en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.
[8 Juni.]
Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O'Higgins, die onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek, die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen "dor" en "onvruchtbaar" te herhalen. In het gewone spraakgebruik zijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige bosjes gras kunnen roemen--hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten, vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond, ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.
[11 Juni.]
Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden, hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.
Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee velden breed is--aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden, en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt (en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel, omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend, dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor drie maanden in 't jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu, echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 door eene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden. [289]
De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange, smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer 200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama, die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had, en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten schok van aardbeving.
Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldig te achten. [290] Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats gehad, en zij terstond daarop uitriepen:
"Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!"
Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822, en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er stroomen regen vielen in een tijd van het jaar, welke daartoe zeer ongewoon en "in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld" was--is het niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk, dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid lijkt de meening te bezitten--het eerst door Scrope uitgesproken, [291] dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen, waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen, moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig, in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.
Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden, richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen, werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdreven en vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk (Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren, die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo "door de natuur" geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het land wekte in 't algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen; en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik, dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten, dat God de bergen zoo gemaakt had.
Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt, dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa, waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden aangetast, evenals eenige negers, die van een aan watervrees gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad, volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van Mauritius en Sint Helena. [292] Voor zulk eene vreemde ziekte zou men mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen overgebracht zou zijn.
Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken, en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde; doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald, waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom der centrale keten te volgen.
Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormt eene fraaie vlakte evenals de Quillota-vallei. De stad beslaat eene aanzienlijke oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig, zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken, en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttien leagues bedraagt, [293] en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.
[26 Juni.]