Part 36
Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus, [284] zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien; maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd, kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming, waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd, dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.
[8 April.]
Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af; en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen; en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.
HOOFDSTUK XVI.
NOORD-CHILI EN PERU.
[27 April.]
Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij aan boord van de Beagle te nemen. De afstand in rechte lijn langs het strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren, waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten, zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.
[28 April.]
In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet veel voorkomt. Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide, duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes, die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.
[2 Mei.]
Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen, namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die eenigszins op eene Yucca of Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen, die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.
[3 Mei.]
Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte, zich schikken naar de hoeveelheid regen, welke op verschillende deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco, en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso, zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht, zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee, dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.
[4 Mei.]
Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is, evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij, na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten, evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden, het gevolg van eene gelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid; bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven, zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn voor zichzelven te handelen en te denken.
De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum, die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden, werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste begrafenis.
Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden, met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling) zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal als in het bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen, hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling 's jaars uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën, waar zij toch niet gebruikt konden worden--in 't kort, men nam honderd maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen, of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.
Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die de Apiri [285]--ware lastdieren--uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet, bleek zij 197 pounds (ruim 89 1/3 kilo) zwaar te zijn. De arbeider had dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen, welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde last wordt op iets meer dan 200 pounds (ruim 90,7 kilo) geschat; en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming, een van 300 pounds (circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen de apiri den gewonen last twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400 pounds (1088,6 kilo) uit eene diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het uithakken en breken van ertsen.
Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde droge charqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat, waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren, gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken; met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier hun carpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren, blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.
Toen ik des avonds met den mayordomo dezer mijnen (nog een jongen man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij--niet lang geleden--te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen; zoo diep had de meening bij hen post gevat, dat de aanraking met zulk een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten huidigen dage vertelt men van de wreede daden der boekaniers, [286] en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden, op het bloote geroep van: "Los Ingleses!" (De Engelschen), alle menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.
[14 Mei.]
Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den 17den viel er een zachte regen--de eerste van dit jaar--die ongeveer vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken, om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien; en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in haarfijne vezels van een inch lang verspreid was. Vóór deze bui was de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.
Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval, dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher, tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:
"Daar komt er weer een!"
Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren beklemd raakt.
Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen, daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde vertellen van twee Engelschen, die tijdens een hevigen schok in de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:
"Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!"
Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt, en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende, strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes, maar in 't algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder, en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing van het vasteland.
Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250 voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente, dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is, bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van den Stillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in 't algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen uit een of ander tijdperk in een district ontbreken--namelijk: dat de oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk, omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het land duizenden mijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest, en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië, en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.
De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren leefden, [287] het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en vervolgens weer gerezen is. Terecht mag men vragen, hoe het komt, dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren--tenzij die afzetting oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem, die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats hebbende zinkende bewegingen in 't algemeen een uitgestrekt gebied omvatten--zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien--wanneer wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen--de dalende bewegingen even omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland, Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven--dan kunnen wij zien, dat tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een later komend tijdperk te duren.
[21 Mei.]