De Reis om de Wereld

Part 35

Chapter 353,774 wordsPublic domain

Zeer trof mij het in 't oog vallend verschil tusschen den plantengroei dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan; en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken, alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend; zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan de overzijden der Andes, dan op de tegenovergelegen kusten der twee oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten, welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast gesteente of zout water, heen te komen. [281]

Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti, de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand, die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek, sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten, dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië eene bergbeklimming ondernomen hadden.

[24 Maart.]

Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien; doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel op een vergezicht over den oceaan; maar in de noordelijke gedeelten lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon, als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.

[25 Maart.]

Gedurende den nacht viel er een zware dauw--een verschijnsel, dat wij in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De afstand bedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was bepaald op 14 leagues naar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan, bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte, waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij, dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.

Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien mijlen in het uur in. De hoofdzwerm scheen zich uit te strekken van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den grond. Het geluid hunner vleugels was als het "rollen van strijdwagens door vele rennende paarden voortbewogen:" of juister, zou ik zeggen, als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta; maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort gelijkt zeer veel op den vermaarden Gryllus migratorius uit het Oosten, en is wellicht dezelfde.

Wij staken de Luxan over--eene rivier van aanzienlijke grootte, hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje door tuinen omgeven, dat vijf leagues ten zuiden van de hoofdstad ligt en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het niet) van de Benchuca, eene soort Reduvius, de groote zwarte weegluis van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke, ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze te dooden. Een die ik ving te Iquique (want men vindt ze in Chili en Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon, als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat de benchuca aan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet; maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.

[27 Maart.]

Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd, heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor gemaakt wordt.

Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: "Zij is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden." De lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos, verlaten aanzien. Noch de geroemde alameda, [282] noch de aanleg der stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen, die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: "Zij eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve, kunnen zij wel beter doen?" Ik ben het geheel met den zegsman eens: het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.

[29 Maart.]

Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15 leagues lang was. De bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend en door de inwoners "kleine leeuwen" werden genoemd. Ook waren er enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een aardig riviertje vertoonde.

[30 Maart.]

De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt, wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ik bleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange, smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten, die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken draagt van de familie der Araucaria's of Andesdennen, maar dat het eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen heeft nog den indruk der schors bewaard.

Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen stelde, hoewel ik beken, dat ik in 't eerst zoozeer verbaasd was, dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek, waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee--nu 700 mijlen teruggevloeid--tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag, dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen, en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld, over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats gehad in een tijdperk, dat jong is, vergeleken met de geschiedenis der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslist nieuw, vergeleken met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!

[1 April.]

Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het tolhuis--de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel: roode, purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende met zwarte lava's, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren, van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel, dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van het binnenste der aarde maken.

Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken haar des morgens met geringe moeite over.

Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei, waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten, want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele plek, waar men niet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las Animas--de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier, in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat weinig kans. Van de laderas of wegen, die elk jaar over de stapels gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving van Sir F. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk, maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht, en is dikwijls verloren.

[4 April.]

Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een kanaal heeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan, was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.

[5 April.]

Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca, over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de laagste casucha aan den kant van Chili liggen. Deze casuchas zijn kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien, terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige beklimming van de Cumbre, [283] of Waterscheiding, was zeer steil en vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw: en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp, die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.

[6 April.]