Part 32
Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen, als hun voorkomen in 't algemeen, op de groote Amerikaansche familie waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng, en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige, scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij aan oude portretten van Koning Jacobus I. [257] Onderweg ontmoetten wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen is. Sommigen uitten hun mari-mari (goeden morgen) vlug en bondig; doch het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen, en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen in Amerika) op de Spanjaarden behaald.
Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam, had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te verschaffen. Als iemand van eenige, hetzij dan geringe opvoeding, klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver, geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!
Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden, die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden, stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw, dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel zij die gewillig--ik durf zeggen dankbaar--aannamen, verwaardigden zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden: Dios le page! (God loone u!).
Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten overspringen, of door lange omwegen trachtten te vermijden. Wij sliepen onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia, vanwaar ik mij aan boord begaf.
Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking, dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf ernstig ten antwoord: "Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij er wel twee zouden doorstaan!" De Spanjaarden moeten voornemens zijn geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000 dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken aan Spanje's vroegere grootheid.
Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan, maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen, en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende, denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.
[20 Februari.]
Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen, terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwesten straalden; dit bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voelt bij het schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het lichaam buigt.
Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad, en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw, die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel, maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde stroomingen schenen voort te brengen--en eenige zeer sterke.
[4 Maart.]
Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier kwam de mayordomo der plantage snel naar mij toe rijden, om het vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen: "dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld." Van deze laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben, hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang, drie voet breed, en twee dik.
Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord- en zuidlijnen gespleten--wellicht veroorzaakt door het wijken der evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar was aan de versche breuken en den verplaatsten grond, moet zich tot de oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof, dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.
Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen) zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen; maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste schok was zeer onverwacht. De mayordomo op Quiriquina vertelde mij, dat de eerste kennisgeving, die hij er van ontving, was, dat hijzelf met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien, die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door de vloedgolf kwam veel vee om het leven: op een laag eiland, nabij het hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In 't algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen; ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.
Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele minuten opvolgden, durfde niemand de verspreide puinhoopen naderen; en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden en verwanten door gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden, waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: "Misericordia!", en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.
Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachten losbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken hebben gewoed [258], hoe volkomen zou dan de geheele toestand van dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan; alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!
Kort na den schok, zag men uit het midden van de baai eene hooge golf naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen, en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23 voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op een gewicht van 4 tons (4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee groote schepen, die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid, en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben, want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen, vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen, zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen, bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien, dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een ander, of zijne vrienden van koud egoïsme--dat grievendste gevolg van het verlies van rijkdom--kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam, gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan een picnic zaten; doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want zij waren geheel zonder beschutting.
In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien: eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water overal in beroering, alsof het kookte, werd "zwart, en dampte een hoogst onaangenamen zwavelreuk uit." Deze laatste verschijnselen werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de aardbeving in 1822. [259] Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten, dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw, die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig, wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken, dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat, volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco in 't geheel niet bij het verschijnsel betrokken was. [260]
De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd, d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter dan in de tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn gekomen--uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost, die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen, bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier, door Mitchell [261] aangegeven, de golvingen van eene aardbeving nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle, strekten de spleten in den grond zich over 't geheel uit in eene richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden, die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurende de algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo groot als die van eenig ander deel der kust.
Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde, die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop, en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog, als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold, evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren (loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige Grieksche tempels. [262] Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn te plaatsen--ongeveer op de manier van spelden op een vel papier, dat geschud wordt? In 't algemeen gesproken, stonden deuringangen of vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.