De Reis om de Wereld

Part 30

Chapter 303,665 wordsPublic domain

De jol en de walvischboot, onder leiding van Sulivan, zetten de opmeting voort, terwijl ik aan boord bleef van de Beagle, die den volgenden morgen San Pedro verliet en koers zette naar het zuiden. Op den 13den liepen wij snel eene opening binnen in het zuidelijk deel van den Guaitecas- en Chonos-archipel; en het was gelukkig, dat wij dit deden, want den volgenden dag woedde er een storm, Vuurland waardig, met groote kracht. Aan den donkerblauwen hemel pakten zich witte wolkgevaarten samen, te midden waarvan zwarte dampstroomen met snelheid werden voortgedreven. De opvolgende bergketenen geleken op zwarte schaduwen; en de ondergaande zon wierp op het boschland een gelen glans, die veel overeenkwam met het schijnsel van een wijngeestvlam. Het water zag wit van het vliegende schuim, en de wind huilde en gierde opnieuw door het want. Het was een onheilspellend, grootsch schouwspel. Gedurende enkele minuten vertoonde zich een heldere regenboog; en nu nam men het zeldzame verschijnsel waar, dat de gewone halve cirkel, door breking en terugkaatsing van het licht op het schuim dat over de oppervlakte van het water werd gedreven, in een geheelen veranderde--eene voortzetting van den prismatischen kleurenband, die zich van de uiteinden van den gewonen boog, over de baai heen, tot dicht bij de zijde van het schip uitstrekte, en aldus een verwrongen, maar bijna volledigen ring vormde.

Wij bleven hier drie dagen. Het slechte weder hield aan; maar wijl de oppervlakte van het land op al deze eilanden nagenoeg ontoegankelijk is, deed dat weinig ter zake. De kust is zoo ruw, zoo oneffen, dat wie daar langs poogt te wandelen, genoodzaakt is voortdurend over de scherpe rotsen van glimmerschiefer op en neer te klauteren. En wat de bosschen betrof--onze aangezichten, handen en scheenbeenderen droegen de sporen van de mishandeling, die wij bij de minste poging om in hunne verboden schuilhoeken door te dringen, ondervonden.

[18 December.]

Wij bleven voortdurend op zee. Den 20sten zeiden wij het zuiden vaarwel, en wendden bij een gunstigen wind den boeg van het schip noordwaarts. Van kaap Tres Montes af zeilden wij voorspoedig langs de hooge verweerde kust, die met de steile omtrekken van hare bergen en het dichte woudtapijt op hare bijna loodrechte rotswanden, een merkwaardigen aanblik oplevert. Den volgenden dag werd eene haven ontdekt, welke op deze gevaarlijke kust voor een schip in nood van grooten dienst zou kunnen zijn. Zij is gemakkelijk te herkennen aan een 1600 voet hoogen berg, van eene nog zuiverder kegelvormige gedaante dan het vermaarde suikerbrood bij Rio de Janeiro. Den volgenden dag gingen wij voor anker, en slaagde ik er in den top van dezen berg te bereiken. Het was eene vermoeiende onderneming, want de hellingen waren zóó steil, dat op sommige plaatsen de boomen als ladders gebruikt moesten worden. Hier waren ook verscheidene uitgestrekte kreupelboschjes van de Fuchsia, met hare fraaie hangende bloemen bedekt, maar zeer moeilijk om door te kruipen. In deze woeste streken is het een groot genot den top van een berg te bereiken. Men wordt gedreven door eene onbestemde verwachting iets zeer vreemds te zullen zien; en hoe dikwijls ook teleurgesteld, liet die verwachting nooit na mij bij elke poging opnieuw te streelen. Ieder moet dat triomfantelijke gevoel van trots kennen, hetwelk een grootsch uitzicht van een hoog gelegen punt aan onze ziel verschaft. In deze weinig bezochte oorden paart zich aan dat gevoel ook eene zekere ijdelheid, dat men misschien de eerste mensch is, die ooit op dezen top stond of dit panorama bewonderde.

Altijd gevoelt men een sterk verlangen om zich te vergewissen of eene eenzaam gelegen plek reeds vroeger door een mensch bezocht is. Een stukje hout met een spijker er in wordt opgeraapt en bestudeerd, alsof het met hiëroglyphen bedekt was. Door dit gevoelen beheerscht, vond ik met veel belangstelling op een woest gedeelte der kust, onder een rotsrand, een leger of bed van gras. Dicht daarbij had een vuur gebrand en had een mensch een bijl gebruikt. Zoowel het vuur, het grasbed, als de plek zelve getuigden van Indiaansche slimheid. Toch kon het moeilijk een Indiaan geweest zijn; want ten gevolge van den wensen der katholieken om de Indianen met één slag christenen of slaven te maken, was het ras op dit gedeelte der kust uitgestorven. Ik had destijds een duister vermoeden, dat de eenzame man die op deze onherbergzame plek zijn leger had gespreid, een arme schipbreukeling moest geweest zijn, die bij eene poging om de kust langs te gaan, zich hier had nedergelegd om den barren nacht door te brengen.

[28 December.]

Gestadig bleef het weder zeer slecht; maar eindelijk stelde het ons in staat met de opmeting voort te gaan. De tijd duurde ons bijster lang, zooals steeds het geval was, wanneer wij door voortdurende windvlagen van den eenen dag in den anderen werden opgehouden. Des avonds werd eene andere haven ontdekt, waar wij ankerden. Terstond daarop zagen wij een man met zijn hand zwaaien, en werd eene boot uitgezonden, die twee zeelieden medebracht. Zij behoorden tot een troepje van zes man, die in eene boot van een Amerikaansch walvischvaartuig ontvlucht, iets verder zuidwaarts waren geland, alwaar de boot kort daarop door de branding in stukken was geslagen. Toen hadden zij vijftien maanden lang de kust op en neer geloopen, zonder te weten waarheen, noch waar zij zich bevonden. Welk een wonderlijk buitenkansje, dat deze haven ontdekt werd! Zonder dit toeval, hadden zij kunnen zwerven totdat zij oud waren geworden, om ten slotte op deze onherbergzame kust hun graf te vinden! Hun lijden was zeer groot geweest, en een van den troep had door een val van de rotsen het leven verloren. Soms waren zij genoodzaakt geweest elkander te verlaten om voedsel te zoeken; en dit verklaarde het grasleger van den eenzamen zwerver. Zoo ik in aanmerking neem al de ellende die deze mannen hadden doorgestaan, dan meen ik te mogen zeggen, dat zij goed rekening gehouden hadden met den tijd, want zij waren slechts vier dagen ten achteren.

[30 December.]

Wij ankerden in eene kleine verborgen kreek aan den voet van eenige hooge heuvels, nabij de uiterste noordpunt van Tres Montes. Den volgenden morgen, na het ontbijt, beklom ik met anderen een van deze bergen, welke eene hoogte had van 2400 voet. Hier vertoonde zich een ongewoon schouwspel. Het hoofdgedeelte van de keten bestond uit hechte, steile, indrukwekkende granietmassa's, die er uitzagen alsof zij van het begin der wereld af bestaan hadden. Het graniet was overdekt met glimmerschiefer, dat in den loop der eeuwen door atmospherische invloeden tot grillige, vingervormige spitsen was afgesleten. Deze twee formaties, ofschoon verschillend in omtrekken, hebben dit gemeen, dat zij bijna geheel van plantengroei zijn verstoken. Dit kale voorkomen maakte op ons, zoo lang gewoon aan het gezicht van een bijna onafgebroken woud van donkergroene boomen, een vreemden indruk. Het onderzoek naar de structuur dezer bergen verschafte mij veel genot. De samengestelde en hooge ketens droegen een grootschen stempel van duurzaamheid, die echter voor den mensch en ook voor alle dieren nutteloos was. Voor den geoloog is graniet klassieke grond: om zijne uitgebreide grenzen, zijne fraaie en dichte structuur is onze kennis daarvan zoo oud, dat het hierin door slechts weinige gesteenten wordt overtroffen. Graniet heeft wellicht tot meer geschilvoeringen aanleiding gegeven, wat zijn ontstaan betreft, dan alle andere formaties. Wij zien het in 't algemeen het fundamentale gesteente samenstellen, en kennen het--hoe ook gevormd--als de diepste laag in de aardkorst, waartoe de mensch is doorgedrongen. De grens der menschelijke kennis aangaande eenig onderwerp is van groot belang, te grooter, misschien, wegens de korte schrede tusschen die kennis en het rijk der verbeelding.

[1 Januari 1835.]

Het nieuwe jaar is ingeleid met de ceremoniën, welke in deze streken bij zulk eene gelegenheid passen. Het spiegelt ons geene bedriegelijke verwachtingen voor: een hevige storm uit het noordwesten met aanhoudenden regen kondigt het nieuwe jaar aan. Gode zij dank, zijn wij niet bestemd om hier het einde er van te zien, maar hopen dan in den Stillen Oceaan te zijn, waar een blauwe lucht ons zegt, dat er een hemel is--iets aan gene zijde der wolken boven ons hoofd.

De noordwestenwinden, die op de vier volgende dagen heerschten, gebruikten wij alléen om eene groote baai over te steken, en vervolgens in eene andere veilige haven te ankeren. Ik vergezelde den kapitein in eene boot naar het boveneinde eener diepe kreek. Het aantal robben, die wij onderweg zagen, was inderdaad verbazend; elk plekje vlakke rots, alle deelen van het strand waren met hen bedekt. Zij schenen goedig van aard te zijn, en lagen, evenals varkens, in diepen slaap tegen elkander gedrukt, maar te midden van zooveel vuil en stank, dat zelfs varkens zich daarvoor geschaamd zouden hebben. Elke troep werd geduldig, maar onheilspellend bespied door de oogen van den kalkoenschen buizerd. Deze weerzinwekkende vogel met zijn naakten, scharlakenrooden kop, die gevormd schijnt om in rottende zelfstandigheden te wroeten, is aan de westkust algemeen, en hunne tegenwoordigheid bij de robben getuigt waarop zij rekenen om zich te voeden.

Wij vonden het water (waarschijnlijk alléén dat van de oppervlakte) bijna zoet. Dit werd veroorzaakt door het aantal stroomen, die in den vorm van watervallen over de naakte granietbergen in zee stortten. Het zoete water trekt de visschen aan, en deze trekken op hunne beurt eene menigte zeezwaluwen, zeemeeuwen en twee soorten van zeeraven. Ook zagen wij een paar fraaie zwanen met zwarte halzen, en verscheidene kleine zeeotters, wier pels zoozeer op prijs wordt gehouden. Bij onzen terugkeer, werden wij nogmaals aangenaam bezig gehouden door de talrijke robben, oude en jonge, die op onstuimige wijze in het water buitelden toen de boot voorbijging. Zij bleven echter niet lang onder water, maar kwamen weer boven, en volgden ons met gestrekte halzen en teekenen van groote verbazing en nieuwsgierigheid.

[7 Januari.]

De kust opwaarts volgend, ankerden wij bij het noordeinde van den Chonos-archipel, in Low's Haven, waar wij eene week bleven. Evenals op Chiloë, bestonden hier de eilanden uit eene zachte, gelaagde littorale afzetting, en dientengevolge was de plantengroei prachtig en welig. De bosschen reikten tot aan het zeestrand, evenals altijd groene heestergewassen boven een grintpad. Van onze ankerplaats genoten wij ook een prachtig uitzicht op vier besneeuwde toppen van de Cordilleras, waaronder el famoso Corcovado. De keten zelve had op deze breedte zulk eene geringe hoogte, dat slechts enkele deelen er van boven de toppen der naburige eilandjes uitstaken. Wij vonden hier een troepje van vijf mannen uit Caylen--het reeds genoemde fin del Cristiandad--die in hunne ellendige kano op de meest gewaagde manier de opene zee, welke Chonos van Chiloë scheidt, waren overgestoken om te visschen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen deze eilanden binnen kort bewoond worden, evenals die welke bij de kust van Chiloë liggen.

De wilde aardappel groeit op deze eilanden in grooten overvloed, en wel op den zandigen, schelpachtigen bodem bij de zeekust. De grootste plant was vier voet hoog. De knollen zelven waren over 't geheel klein; maar ik vond er een van ovale gedaante, die twee inches (5.08 centim.) in middellijn was. Zij geleken in alle opzichten op Engelsche aardappelen en hadden ook denzelfden geur als deze; gekookt, krompen zij echter sterk samen, waren waterig en flauw, en zonder eenigen prikkelenden smaak. Zonder twijfel zijn zij hier inheemsch. Volgens Low groeien zij tot 50° Z.B., en worden daar door de wilde of zwervende Indianen Aquinas genoemd; de Indianen van Chiloë hebben er een anderen naam voor. Professor Henslow, die de gedroogde exemplaren onderzocht heeft, zegt dat zij dezelfde zijn als die uit Valparaiso, door Sabine beschreven, [249] maar dat zij eene variëteit of basterdsoort vormen, die sommige plantkundigen als eene verschillende soort beschouwen. Het is opmerkelijk, dat dezelfde plant zou gevonden zijn op de dorre bergen van Midden-Chili, waar in meer dan zes maanden geen droppel regen valt, en in de vochtige wouden dezer zuidelijke eilanden.

In de centrale gedeelten van den Chonos-archipel (45° Z.B.) bezat het woud vrij wel hetzelfde karakter als langs de geheele westkust--600 mijlen ver zuidwaarts tot Kaap Hoorn. Terwijl het boomvormige gras van Chiloë hier niet gevonden wordt, groeit de Vuurlandsche beuk tot eene flinke hoogte, en vormt een aanzienlijk deel van het bosch, doch niet in die overheerschende mate als verder zuidwaarts. Kryptogamen of bedekt bloeiende planten vinden hier een zeer voor haar geschikt klimaat. Zooals ik te voren heb opgemerkt, schijnt het land in de Straat van Magelhaen te koud en te nat voor deze planten, om zich volkomen te ontwikkelen; maar op deze eilanden en te midden van het woud is het aantal soorten en de groote overvloed van mossen, paddenstoelen en kleine varens inderdaad buitengewoon. [250] In Vuurland groeien boomen alleen op de heuvelhellingen, daar elk vlak gedeelte van het land steeds met eene dikke veenlaag bedekt is; maar op Chiloë draagt het vlakland de weelderigste wouden. Hier, in den Chonos-archipel, komt het klimaat dichter bij dat van Vuurland dan van noordelijk Chiloë, want elk plekje vlakke grond is bedekt met twee soorten planten (Astelia pumila en Donatia magellanica), die beide door afsterving en verval eene dikke en buigzame veenlaag vormen.

In Vuurland, en wel boven de streek van het boschland, is het voornamelijk de eerste dezer bij uitstek gezellige planten, welke de veenvorming veroorzaakt. Rondom den centralen hoofdwortel volgt steeds het eene versche blad het andere op; de lagere sterven weldra af, en als men nu een wortel tot onder den grond vervolgt, kan men de bladeren, nog op dezelfde plaats bevestigd, alle stadiums van ontbinding zien doorloopen, tot waar het geheel in eene verwarde massa overgaat. De Astelia wordt bijgestaan door enkele andere planten: hier en daar een kruipende Myrtus (M. nummularia) met een houtachtigen stengel, evenals onze blauwbezie (Vaccinium uliginosum), en met eene zoete bes: vervolgens een Empetrum (E. rubrum) evenals ons heidekruid, en eindelijk een bies (Juncus grandiflorus). Deze zijn nagenoeg de eenigen, die op de moerassige oppervlakte leven. Ofschoon deze planten in het algemeen zeer veel overeenkomst bezitten met de Engelsche soorten van hetzelfde geslacht, zijn zij toch verschillend. In de meer effen gedeelten van het land, wisselt de veenoppervlakte af met kleine waterpoelen, die op verschillende hoogten staan en kunstmatig schijnen uitgediept te zijn. Kleine ondergrondsche waterstroomen voltooien de verrotting der plantaardige stof, en maken de geheele massa vast.

Het klimaat van het zuidelijk deel van Amerika schijnt voor de veenvorming bijzonder gunstig. Op de Falklands-Eilanden wordt bijna elke plantensoort--zelfs het grove gras dat de gansche oppervlakte van het land bedekt--in deze stof omgezet. Bijna geen enkele plek houdt zijn groei tegen. Enkele veenbeddingen zijn tot 12 voet diep, en het lagere gedeelte wordt door opdroging zóó vast, dat het moeilijk zal branden. Ofschoon elke plant het hare bijdraagt, is toch de Astelia op de meeste plaatsen het werkzaamst. Het is een eenigszins zonderling feit, zoozeer verschillend van wat in Europa geschiedt, dat ik in Zuid-Amerika nergens het mos door rotting aan de vorming van eene veenlaag zag deelnemen. Wat de noordelijke grens betreft, tot welke het klimaat die bijzondere soort van langzame ontbinding toelaat als voor de veenvorming noodig is, geloof ik, dat op Chiloë (41°-42° Z.B.) geen veen in den eigenlijken zin voorkomt, niettegenstaande er veel moerassige grond is; maar op de Chonos-Eilanden, drie graden zuidelijker, hebben wij het in overvloed gezien. Op de oostkust van La Plata (35° Z.B.) vertelde mij een Spaansche bewoner, die Ierland bezocht had, dat hij dikwijls naar deze stof gezocht had, doch ze nooit had kunnen vinden. Als iets dat er het naast bij kwam, wees hij mij een door hem gevonden zwarten veenachtigen grond, welke zoo doorboord was van wortels, dat hij slechts uiterst langzaam en onvolkomen verbrandde.

De zoölogie dezer gebroken eilandjes van den Chonos-archipel is, zooals te verwachten was, zeer arm. Van de viervoetige dieren zijn er twee watersoorten inheemsch. De Myopotamus Coypus [251] (evenals een bever, doch met een ronden staart) is wel bekend om zijn fraai bont, dat een handelsartikel is door het geheele aan La Plata cijnsplichtige gebied. Hier bewoont hij echter uitsluitend zout water, hetgeen, zooals wij reeds schreven, soms ook met het groote knaagdier, de Capybara, het geval is. Een kleine zeeotter is zeer talrijk. Dit dier voedt zich niet uitsluitend met visch, maar leeft, evenals de robben, voor een groot deel van eene kleine roode krab, die in scholen nabij de oppervlakte van het water zwemt. In Vuurland zag Bynoe een zeeotter, die een inktvisch at, en in Low's Haven werd er een gedood, die bezig was eene groote rolslak (Voluta) naar zijn hol te dragen. Op zekeren dag ving ik in eene val eene zonderlinge kleine muis (Mus brachiotis), die op vele eilandjes inheemsch scheen te zijn; maar de Chiloten te Low's Haven zeiden, dat deze muis niet op alle werd gevonden. Welk eene aaneenschakeling van toevalligheden, [252] of welke niveau-veranderingen moeten er in 't spel geweest zijn, om deze kleine dieren zoo door dezen gebroken archipel te verspreiden!

Op elk deel van Chiloë en in den Chonos-archipel komen twee zeer vreemde vogels voor, die aan den Turco en Tapacolo van Midden-Chili verwant zijn, en hen hier vervangen. De een wordt door de inwoners cheucau (Pteroptochos rubecula) genoemd, en houdt zich in de donkerste en eenzaamste gedeelten der vochtige wouden op. Soms zal men, ondanks alle opmerkzaamheid, den cheucau niet ontdekken, zelfs al wordt zijn kreet in de onmiddellijke nabijheid gehoord; op andere keeren kan het gebeuren, dat de vogel, zoo men zich niet verroert, op de vertrouwelijkste wijs tot op enkele voeten afstands nadert. Hij huppelt dan rusteloos, met zijn staartje omhoog, tusschen de verwarde massa van rottende stengels en takken. De Chiloten koesteren eene bijgeloovige vrees voor den cheucau, wegens zijne zonderlinge en afwisselende kreten. Er zijn drie zeer verschillende kreten: de een wordt chiduco genoemd, en is een gunstig voorteeken; de tweede, huitreu geheeten, is uiterst ongunstig; en dan een derde, waarvan mij de naam is ontschoten. Het is inderdaad een allergrappigst wezen, dat de Chiloten tot hunnen profeet hebben gekozen. Eene verwante soort, maar iets grooter, wordt door de inboorlingen Guid-guid (Pteroptochos Tarnii), en door de Engelschen "Blaffende Vogel" genaamd. Deze laatste naam is juist gekozen; want ik ben er zeker van, dat elk, die hem voor het eerst hoort, overtuigd is dat ergens in het bosch een kleine hond keft. Evenals met den cheucau het geval is, zal men het geblaf soms dichtbij hooren, maar ondanks alle opmerkzaamheid dikwijls vergeefsche pogingen doen om den vogel te zien; en die kans wordt nog geringer, wanneer men de struiken schudt; op andere keeren, daarentegen, komt de guid-guid onbevreesd naar u toe. Zijne wijze van voeding en zijne gewoonten in 't algemeen, gelijken zeer veel op die van den cheucau.

Op de kust [253] leeft een kleine, donkerkleurige vogel (Opetiorhynchus Patagonicus), die daar zeer algemeen is. Hij is merkwaardig om zijne stille leefwijze, en houdt zich, evenals een strandlooper, uitsluitend aan de zeekust op. Behalve deze vogels, bewonen nog enkele andere dit gebroken land. In mijne kladaantekeningen beschrijf ik de zonderlinge geluiden, die, hoewel menigmaal in deze sombere wouden gehoord, de algemeene stilte bijna niet verbreken. Het gekef van den guid-guid, en het plotselinge wjoe-wjoe van den cheucau komen nu eens van ver af, en dan weer van dicht bij. Het kleine zwarte winterkoninkje (Troglodytes) van Vuurland voegt er soms zijn kreet bij; de boomlooper (Oxyurus) volgt gillend en tjilpend den indringer; den kolibrie kan men nu en dan snel van den eenen kant naar den anderen zien schieten, onder het uiten van zijn schel gepiep, evenals een insect; en eindelijk verneemt men soms uit den top van een hoogen boom den onduidelijken, doch klagenden toon van den witgekuifden Myiobius of tyran-vliegenvanger. Het groote overwicht in aantal van sommige vogelsoorten, bijv. de vinken, in de meeste landen, is oorzaak, dat men in 't eerst verbaasd staat de bijzondere soorten, welke wij boven noemden, als de meest gewone vogels in een district te ontmoeten. In Midden-Chili komen twee daarvan, nl. Oxyurus en Scytalopus voor, doch hoogst zelden. Vindt men, zooals in dit geval, dieren, die in het groote raderwerk der natuur schijnbaar zulk eene onbeduidende rol spelen, dan zou men zich kunnen verwonderen, waarom zij geschapen zijn. Maar altijd moet men in het oog houden, dat diezelfde dieren mogelijk in een ander land hoogst belangrijke leden der samenleving zijn, of dit althans in een vroeger tijdperk waren. Indien Amerika ten zuiden van 37° Z.B. onder het water van den oceaan ware gezonken, zouden deze twee vogels langen tijd in Midden-Chili kunnen voortbestaan; maar zeer onwaarschijnlijk is het, dat hun aantal zou toenemen. Wij zouden dan een geval zien, dat onvermijdelijk met zeer vele dieren moet hebben plaats gehad.

Deze zuidelijke zeeën worden door verscheidene soorten van Zwaluw-Stormvogels of Sint-Pietersvogels bezocht. De grootste soort, Procellaria gigantea, of nelly (quebrantahuesos of beenderenbreker der Spanjaarden) [254] is een algemeen voorkomende vogel, zoowel in de binnenkanalen als in volle zee. In zijne gewoonten en wijze van vliegen, bezit hij eene zeer nauwe overeenkomst met den Albatros (Diomedea). Evenals met den laatsten het geval is, kan men hem uren lang gadeslaan, zonder te bespeuren waarmede hij zich voedt. De beenderenbreker is echter een roofvogel; en dit wordt bevestigd door eenige officieren, die hem bij Port San Antonio op een Duiker (Colymbus) zagen jagen, welke al duikend en vliegend poogde te ontsnappen, maar telkens omlaag geworpen en eindelijk door een slag op het hoofd gedood werd. Bij Port San Julian zag men dezen grooten Sint-Pietersvogel jonge zeemeeuwen dooden en verslinden. Eene tweede soort, Puffinus cinereus, die in Europa, bij Kaap Hoorn en aan de kust van Peru voorkomt, heeft eene veel geringere grootte dan Procellaria gigantea, maar, evenals deze, eene groezelig zwarte kleur. Meestal bezoekt hij in zeer talrijke zwermen de landwaarts in gelegen zeeëngten. Ik geloof niet, dat ik ooit zoovele vogels van eenerlei soort bijeen heb gezien, als op zekeren dag achter het eiland Chiloë. Honderdduizenden vlogen in eene onregelmatige lijn uren lang in dezelfde richting. Wanneer een deel van den zwerm op het water neerstreek, zag de oppervlakte zwart, en hoorde men een gonzend geluid als van eene woelige menschenmenigte in de verte.