Part 29
Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch: Trochilus forficatus vindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust, van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland, waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt, is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere, die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid, welke te vergelijken is bij die van Syrphus onder de vliegen, en van Sphinx onder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen (evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner vleugels te steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten, zoodat ik vermoed dat hij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna de geheele familie.
HOOFDSTUK XIII.
CHILOË EN DE CHONOS-EILANDEN.
[10 November 1834.]
De Beagle zeilde van Valparaiso naar het zuiden, met het doel het zuidelijk deel van Chili, het eiland Chiloë, en het gebroken land--de Chonos-archipel geheeten--tot aan het schiereiland Tres Montes op te meten. Op den 21sten ankerden wij in de baai van San Carlos, de hoofdstad van Chiloë. [244]
Het eiland is omtrent 90 mijlen lang, bij eene breedte van iets meer dan dertig. Het land is heuvel-, doch niet bergachtig, en is, behalve op enkele plekken waar het groen rondom de met stroo gedekte hutten is weggekapt, geheel met een groot woud bedekt. Van verre gelijkt de aanblik eenigszins op dien van Vuurland; maar van dichterbij gezien zijn de bosschen onvergelijkelijk prachtiger. Vele soorten van fraaie, altijd groene boomen en planten die een tropisch karakter dragen, vervangen hier de donkere, sombere beuken der zuidelijke stranden. In den winter is het klimaat afschuwelijk, en des zomers is het maar weinig beter. Ik denk, dat er in de gematigde luchtstreken der aarde weinige plekken zijn, waar zooveel regen valt. De winden zijn zeer onstuimig, en de lucht is bijna altijd bewolkt. Eene week lang mooi weder te hebben, is iets wonderlijks. Het is zelfs moeilijk de Cordilleras vluchtig te zien. Tijdens ons eerste bezoek vertoonde de Vulkaan Osorno op zekeren morgen zijne breede omtrekken. Dit gebeurde vóór zonsopgang. Toen eindelijk de zon opging, was het verrassend te zien hoe deze omtrekken allengs in het wazige schijnsel van den oostelijken hemel verdwenen.
Om hunne gelaatskleur en kleine gestalte schijnen de bewoners voor drie vierden Indiaansch bloed in de aderen te hebben. Zij vormen een onderdanig, rustig en vlijtig slag van menschen. Ofschoon de vruchtbare grond, die uit de verweering der vulkanische gesteenten is ontstaan, een weligen plantengroei voortbrengt, is het klimaat toch niet gunstig voor een product, dat veel zonneschijn noodig heeft om te rijpen. Er is voor de groote viervoetige dieren zeer weinig weiland, en dientengevolge zijn de voornaamste voedingsmiddelen: varkens, aardappelen en visch. Alle bewoners dragen sterke wollen kleeren, die elke familie voor zichzelve vervaardigt en met indigo of eene donkerblauwe kleur verft. De kunst staat echter op den laagsten trap, gelijk te zien is aan hunne zonderlinge manier van ploegen, hunne wijze van spinnen, koren malen, en aan den bouw van hunne booten.
De wouden zijn zoo ondoordringbaar, dat het land nergens bebouwd wordt, behalve in de nabijheid der kust en op de naburige eilandjes. Zelfs daar waar paden bestaan, zijn deze bijna onbegaanbaar wegens de zachte en moerassige gesteldheid van den grond. De bewoners doen, evenals die van Vuurland, hunne tochten voornamelijk langs het strand of in booten. Ofschoon er overvloed van voedsel is, zijn de lieden zeer arm; er is geen vraag naar werk, en bijgevolg kunnen de lagere klassen geen geld genoeg bijeengaren om zelfs de kleinste weeldeartikelen te koopen. Ook is er groot gebrek aan een circulatie-middel. Ik heb een man een zak houtskool op zijn rug zien wegbrengen, om daarvoor een kleinigheid te koopen, en een ander eene plank zien wegdragen om die tegen eene flesch wijn te ruilen. Elk handelaar moet dus ook koopman zijn, en de goederen die hij in ruil neemt, weder verkoopen.
[24 November.]
De jol en de walvischboot werden onder bevel van Mr. (nu kapitein) Sulivan uitgezonden, om de oostelijke of binnenkust van Chiloë op te meten, en met last om de Beagle aan het zuideinde van het eiland te ontmoeten--welk punt zij langs de buitenzijde zouden bereiken, om zoodoende het geheele eiland rond te varen. Ik vergezelde deze expeditie; maar in plaats van den eersten dag in de booten te gaan, huurde ik paarden om mij naar het aan het noordeinde van het eiland gelegen Chacao te brengen. De weg liep langs de kust en kruiste telkens voorgebergten, die met prachtige wouden waren bedekt. Op deze belommerde paden is het volstrekt noodzakelijk den geheelen weg met houtblokken te bedekken, die in 't vierkant afgezaagd en naast elkander worden gelegd. Doordien de zonnestralen nooit door de altijd groene bladeren dringen, is de grond zoo vochtig en week, dat zonder die houtbedekking man noch paard over het pad zouden kunnen gaan. Ik kwam in het dorp Chacao, kort nadat de bemanning der booten de tenten voor den nacht had opgeslagen.
In dezen omtrek was het hout over eene groote uitgestrektheid gekapt, en gaf het woud menig rustig en schilderachtig hoekje te zien. Chacao was vroeger de voornaamste haven van het eiland; maar toen vele schepen door de gevaarlijke stroomingen en klippen in de Straat verloren waren gegaan, verbrandde het Spaansche gouvernement de kerk, en noodzaakte dus op willekeurige wijze het meerendeel der bewoners naar San Carlos te verhuizen. Wij lagen nog niet lang in ons bivouak, toen de zoon van den gouverneur op bloote voeten naar omlaag kwam, om ons op te nemen. Toen hij de Engelsche vlag aan den top van den mast der jol bespeurde, vroeg hij met de grootste onverschilligheid of deze soms altijd te Chacao moest wapperen. Op verscheidene plaatsen waren de bewoners zeer verwonderd booten van een oorlogsschip te zien verschijnen, en hoopten en geloofden, dat dit de voorlooper eener Spaansche vloot was, die het eiland op het patriottische gouvernement van Chili kwam heroveren. Alle gezaghebbende personen waren intusschen van ons voorgenomen bezoek onderricht, en ontvingen ons uiterst beleefd. Terwijl wij ons avondeten gebruikten, bracht de gouverneur ons een bezoek. Hij was luitenant-kolonel in Spaanschen dienst geweest, maar verkeerde nu in de diepste armoede. Hij gaf ons twee schapen, en nam in ruil daarvoor twee katoenen zakdoeken, eenige koperen sieraden en een weinig tabak.
[25 November.]
Stroomen regen, welke intusschen niet beletten, dat wij snel de kust afzakten tot aan Huapi-lenou. Deze geheele oostkust van Chiloë heeft hetzelfde aanzien: eene vlakte, welke door valleien gebroken en in kleine eilanden verdeeld is--alles met een ontoegankelijk, donkergroen woud bedekt. Aan de kanten zijn eenige open ruimten, die de hutten met hare hooge daken omringen.
[26 November.]
Bij het aanbreken van den dag was de lucht prachtig helder. De vulkaan Osorno wierp wolken rook uit. Deze bij uitstek fraaie berg met zijne zuiver kegelvormige gedaante, is geheel met sneeuw bedekt en staat tegenover de Cordilleras. Ook een andere groote vulkaan, met een zadelvormigen top, spoot uit zijn reusachtigen krater kleine stralen stoom omhoog. Vervolgens zagen wij den Corcovado, die den naam van "el famoso Corcovado" ten volle verdient, met zijn hoogen top. Zoo zagen wij dan van eenzelfde punt drie groote werkende vulkanen, elk van omstreeks 7000 voet hoogte.
Behalve deze waren er, ver zuidwaarts, andere hooge met sneeuw bedekte toppen, die, ofschoon niet als werkzaam bekend, oorspronkelijk vulkanisch moeten geweest zijn. In dezen omtrek is de Andesketen over het geheel niet zoo hoog als in Chili; ook schijnt zij niet zulk een volkomen scheidsmuur tusschen de aangrenzende gewesten der aarde te vormen. Hoewel deze groote keten in eene rechte lijn van noord naar zuid loopt, scheen zij, ten gevolge van een gezichtsbedrog, altijd min of meer gebogen. Dit bedrog vond zijn oorzaak in de convergentie der lijnen, die van de verschillende toppen naar het oog des waarnemers werden getrokken, evenals de stralen van een halven cirkel in zijn middelpunt convergeeren; en wegens de helderheid van den dampkring en de afwezigheid van alle tusschenliggende voorwerpen, was het niet mogelijk over den afstand der verst verwijderde toppen te oordeelen: zij schenen in een eenigszins afgeplatten cirkel te staan.
Toen wij des middags aan land gingen, zagen wij een gezin van zuiver Indiaansch bloed. De vader vertoonde eene zonderlinge gelijkenis met York Minster, en enkele van de jongere knapen met hunne roodachtige gelaatskleur hadden voor Pampas-Indianen kunnen doorgaan. Na al wat ik gezien heb, houd ik mij overtuigd, dat tusschen de verschillende Indiaansche stammen eene nauwe verwantschap bestaat, niettegenstaande zij verschillende talen spreken. Dit gezelschap kon maar weinig Spaansch voor den dag brengen, en sprak onder elkander zijne eigene taal. Het is aardig de inboorlingen tot denzelfden trap van beschaving gestegen te zien--hoe laag deze ook zij--als die welken hunne overwinnaars bereikt hebben. Meer naar het zuiden zagen wij vele echte Indianen. Werkelijk hebben op sommige eilandjes al de bewoners hunne Indiaansche bijnamen behouden. Volgens den census van 1832 wonen op Chiloë en onderhoorigheden 42000 zielen. Het meerendeel daarvan schijnt van gemengd bloed te zijn; elf duizend hebben hunne Indiaansche bijnamen behouden, maar het is niet waarschijnlijk, dat deze juist allen van zuiveren bloede zijn. Hunne leefwijze is dezelfde als die van de andere arme bewoners. Ofschoon allen christenen zijn, beweert men, dat zij nog enkele vreemde bijgeloovige ceremoniën bezitten, en volgens eigen verklaring met den duivel in gemeenschap staan, die in sommige holen verborgen is. Voorheen zond men elk, die van deze zonde overtuigd werd, naar de Inquisitie te Lima. Vele bewoners, die niet onder de elf duizend met Indiaansche bijnamen begrepen zijn, kunnen naar het uiterlijk niet van Indianen onderscheiden worden. Gomez, de gouverneur van Lemuy, stamt aan beide zijden van Spaansche edelen af; maar door voortdurend gemengde huwelijken met inboorlingen is de tegenwoordige afstammeling een Indiaan. Aan den anderen kant pocht de gouverneur van Quinchao zeer op zijn zuiver gehouden Spaansch bloed.
Des nachts bereikten wij eene fraaie kleine kreek in het noorden van het eiland Caucahue. De menschen klaagden hier over gebrek aan land. Gedeeltelijk is dit te wijten aan hunne eigen nalatigheid in het sloopen van bosschen, anderdeels aan drukkende bepalingen van het gouvernement, hetwelk eischt om vóór den aankoop van een stuk land, hoe klein ook, twee shillings aan den opzichter te betalen voor elken gemeten cuadro (150 vierk. yards), [245] behalve den prijs dien hij voor de waarde van het land verkiest te stellen. Na zijne schatting, moet het land driemaal in veiling worden gebracht, en zoo niemand meer biedt, kan de kooper het voor dien prijs krijgen. Al deze afpersingen moeten een ernstige hinderpaal zijn voor het ontbosschen van een land, waar de bewoners zoo uitermate arm zijn. In de meeste landen worden de wouden zonder veel moeite door middel van vuur gesloopt; maar op Chiloë is het wegens de vochtige gesteldheid van het klimaat en de soort boomen noodig hen eerst te kappen. Dit is een gevoelig nadeel voor de welvaart van Chiloë. In den Spaanschen tijd konden de Indianen geen land in bezit krijgen, en kon een gezin, na een stuk grond te hebben ontboscht, verdreven worden met verbeurdverklaring van zijne goederen door het gouvernement. De Chileensche autoriteiten verrichten thans eene daad van rechtvaardigheid, door deze arme Indianen voor hun verlies schadeloos te stellen en elk man, overeenkomstig zijn stand, een zekere hoeveelheid land te geven. De waarde van niet ontboschte gronden is zeer gering. Het gouvernement gaf aan Douglas (den tegenwoordigen opzichter, die mij deze bijzonderheden mededeelde) 8 1/2 vierkante mijl bosch in de nabijheid van San Carlos, in ruil voor eene schuld; en dezen grond verkocht hij voor 350 dollars of ongeveer 70 pond sterling.
Op de twee volgende dagen was het fraai weder, en bereikten wij des avonds het eiland Quinchao. Deze buurtschap is het meest bebouwde gedeelte van den archipel; want eene breede strook lands op de kust van het hoofdeiland, alsmede op vele aangrenzende kleinere zijn bijna geheel van bosch bevrijd. Sommige pachthoeven schenen zeer welvarend. Benieuwd hoe rijk zoo'n pachter hier wel zijn zou, vroeg ik Douglas daarnaar; maar deze zeide, dat geen van deze lieden geacht kon worden een geregeld inkomen te bezitten. Een van de rijkste landeigenaars zou mogelijk in een lang, werkzaam leven een 1000 pond sterling kunnen bijeenbrengen; maar mocht dit gebeuren, dan zou toch al het geld in een geheimen hoek verborgen worden, want bijna elk gezin is gewoon zijne schatten in eene kruik of kist onder den grond te begraven.
[30 November.]
Zondagmorgen vroeg bereikten wij Castro, de oude hoofdstad van Chiloë, thans echter eene zeer ellendige en verlaten plaats. De gewone vierhoekige aanleg der Spaansche steden kon hier duidelijk worden waargenomen, maar de straten waren met een fraai groen grastapijt bedekt, waarop schapen graasden. De kerk, welke in het midden staat, is geheel van planken gebouwd en heeft een schilderachtig en eerwaardig voorkomen. De armoede der plaats kan worden opgemaakt uit het feit, dat hoewel zij nog een honderdtal inwoners bevatte, een van ons gezelschap nergens een pond suiker of een gewoon mes kon koopen. Niemand bezat hier een horloge of klok; en een oud man, die voor een goed tijdkenner doorging, werd gebruikt om op den gis de kerkklok te luiden. De komst van onze booten was eene zeldzame gebeurtenis in dezen stillen, afgelegen hoek der wereld; en bijna alle bewoners kwamen naar het strand, om ons onze tenten te zien opslaan. Zij waren zeer beleefd en boden ons een huis aan; één man stuurde ons zelfs een vat appeldrank ten geschenke. In den namiddag gingen wij den gouverneur een bezoek brengen--een kalm oud man, die in zijn uiterlijk en leefwijs bijna niet boven een Engelschen hutbewoner stond. Des avonds viel er een hevige regen, maar deze was ternauwernood in staat den grooten kring van nieuwsgierigen om onze tenten te verjagen. Een Indiaansch gezin, dat in eene kano van Caylen gekomen was om handel te drijven, kampeerde in onze nabijheid. Zoolang het regende, hadden deze lieden geene beschutting. Des morgens vroeg ik aan een jongen Indiaan, die tot op de huid toe nat was, hoe hij den nacht had doorgebracht. Hij scheen volkomen met zijn lot tevreden en antwoordde: "Muy bien, segnor." (Zeer goed, mijnheer).
[1 December.]
Wij stevenden naar het eiland Lemuy. Ik was verlangend eene steenkolenmijn te onderzoeken, waarvan men mij verteld had, maar die een bruinkolenlaag bleek te zijn in den zandsteen (waarschijnlijk van een oud tertiair tijdvak), waaruit deze eilanden bestaan. Toen wij Lemuy bereikten, kostte het ons veel moeite eene plek te vinden om onze tenten op te slaan; want het was springtij, en het land was tot aan den rand van het water met bosch bedekt. In korten tijd waren wij omringd door een grooten troep lieden van bijna echt Indiaansch ras. Zij waren zeer verwonderd over onze komst, en zeiden tot elkander:
"Dit is de reden waarom wij onlangs zooveel papegaaien hebben gezien; de cheucau (een zonderlinge kleine vogel met roode borst, die het dichte woud bewoont en zeer eigenaardige geluiden voortbrengt) heeft niet zonder reden "pas op" geschreeuwd." [246]
Spoedig kregen zij zin om te ruilen. Geld was bijna niets waard, maar hunne begeerte naar tabak was iets zeer buitengewoons. Na den tabak, had indigo de meeste waarde; dan volgden Spaansche peper, oude kleeren en kruit. Het laatste artikel was noodig voor een zeer onschuldig doel. Elk kerspel had namelijk een eigen snaphaan, en nu diende het kruit om op heilige of feestdagen rumoer te maken.
De menschen leven hier voornamelijk van schaaldieren en aardappelen. In sommige tijden van het jaar vangen zij ook veel visch in corrales (heggen of omheiningen onder water), die bij vallend tij op de modderbanken is achtergebleven. Nu en dan houden zij kippen, schapen, geiten, varkens, paarden en rundvee; de volgorde waarin zij hier genoemd worden, drukt de getalverhouding uit. Nooit zag ik zulke voorkomende en onderdanige manieren als bij deze lieden. Meestal begonnen zij met te verklaren, dat zij arme inboorlingen van de plaats en geen Spanjaarden waren, en dat zij schromelijk gebrek hadden aan tabak en andere versnaperingen of gemakken. Op Caylen, het meest zuidelijke eiland, kochten onze zeelieden voor een handvol tabak ter waarde van drie halve pences, twee hoenders, waarvan een (zoo beweerde de Indiaan) een vlies tusschen de teenen had, en die een fraaie eend bleek te zijn; en voor eenige katoenen zakdoeken ter waarde van drie shillings, werden drie schapen en een groote rist uien gekocht. De jol werd hier op eenigen afstand van het strand voor anker gelegd, daar wij bevreesd waren voor dieven gedurende den nacht. Om dezelfde reden zeide onze stuurman, Douglas, aan den commandant der plaats, dat wij altijd schildwachten met geladen geweren op post zetten, en dat wij, geen Spaansch kennende, zoodra wij iemand in het duister zagen rondsluipen, onverbiddelijk op hem zouden schieten. Op zeer onderdanige wijze keurde de commandant de billijkheid van dezen maatregel goed, en beloofde ons, dat niemand dien nacht uit zijn huis zou komen.
Gedurende de vier volgende dagen zeilden wij voortdurend zuidwaarts. Over het geheel behield het land hetzelfde aanzien, doch was veel minder dicht bewoond. Op het groote eiland Tanqui was bijna geen enkele open plek, en strekten de boomen hunne takken aan alle zijden boven het strand uit. Op zekeren dag bespeurde ik op de zandsteenklippen eenige zeer fraaie planten van de panque (Gunnera scabra), welke eenigszins op eene reusachtige rhabarberplant gelijkt. De inwoners eten de stengels, die een zuurachtigen smaak bezitten, looien het leder met de wortels, en bereiden eene zwarte verf daaruit. Het blad is bijna cirkelvormig, maar aan den rand van diepe insnijdingen of tanden voorzien. Ik mat er een, dat bijna acht voet in middellijn was, en dus niet minder dan 24 voet in omtrek. De stengel is iets meer dan een yard hoog, en elke plant spreidt vier of vijf van deze reusachtige bladeren uit, die te zamen een prachtigen aanblik opleveren. [247]
[6 December.]
Wij bereikten Caylen, dat el fin del Cristiandad genoemd wordt. Des morgens vertoefden wij eenige minuten in een huis aan het noordeinde van Laylec--een zeer armzalig gehucht, dat den uitersten zetel vormde van het Zuidamerikaansche christendom. Het lag op 43°10' Z.B., derhalve twee graden zuidelijker dan de Rio Negro aan de Atlantische kust. Deze afgezonderde christenen waren zeer arm, en bedelden onder verontschuldiging van hun toestand om wat tabak. Als bewijs van de armoede dezer Indianen wil ik vermelden, dat wij kort te voren een man hadden ontmoet, die drie en een halven dag geloopen had (en denzelfden weg terug moest), om den geringen prijs van een bijltje en eenigen visch te ontvangen. Als men zich zooveel inspanning getroost om zulk eene kleine schuld te beuren, hoe moeilijk moet het dan zijn om het kleinste artikel te koopen!
Des avonds bereikten wij het eiland San Pedro, waar wij de Beagle voor anker vonden. Bij het omvaren van de landpunt, gingen twee onzer officieren aan wal om met den theodoliet eene reeks hoeken te meten. Een vos (Canis fulvipes), tot eene soort behoorende welke uitsluitend op dit eiland voorkomt, hier zeer zeldzaam is en als eene nieuwe species moet worden aangezien, zat op de rotsen. Hij zat zoo aandachtig en verdiept naar het werk der officieren te kijken, dat ik hem in stilte van achteren kon naderen en met mijn geologischen hamer op den kop kon slaan. Deze vos, die meer nieuwsgierig of wetenschappelijk, doch minder wijs was dan zijne broeders in het algemeen, staat nu opgezet in het Museum van de Zoological Society.
Wij bleven drie dagen in deze haven. Op een daarvan poogde kapitein Fitz-Roy met een gezelschap den top van San Pedro te bereiken. De bosschen hadden hier een eenigszins ander aanzien dan die op het noordelijk deel van het eiland. Ook het gesteente verschilde en bestond uit glimmerschiefer. Er was geen strand, en de steile rotsen daalden bijna loodrecht in het water. Dientengevolge was het voorkomen over 't geheel meer dat van Vuurland dan van Chiloë. Vruchteloos trachtten wij den top te bereiken; het woud was zoo ondoordringbaar, dat niemand die dit niet gezien heeft, zich zulk eene verwarde massa van stervende en doode stammen kan voorstellen. Ik ben er zeker van, dat onze voeten dikwijls langer dan tien minuten achtereen den grond niet raakten, en menigmaal waren wij tien tot vijftien voeten er boven, zoodat onze zeelieden voor den grap de peilingen afriepen. Op andere keeren kropen wij achter elkander op handen en voeten onder de verrotte stammen door. Op het lagere gedeelte van den berg zag men statige boomen van den Drymis Winteri, eene soort laurierboomen evenals de sassafras met welriekende bladeren, en ook andere waarvan ik de namen niet ken, door een kruipenden bamboes- of rietstengel ontvlochten. [248] Hier geleken wij meer op visschen die in een net spartelden, dan op menschen. Op de hoogere gedeelten maken de grootere boomen plaats voor kreupelhout, met hier en daar een rooden ceder-, een lorke- of een pijnboom. Ook vond ik tot mijn genoegen, onzen ouden vriend, den zuidelijken beuk. Het waren echter schrale, weinig ontwikkelde boomen en ik onderstel dat hier hunne noordelijke grens moet zijn. Eindelijk gaven wij, wanhopig, de poging op.
[10 December.]