Part 26
De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens, de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers, die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.
Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van de Zuidwest-kust. De volgende tabel geeft aan de gemiddelde temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin ter vergelijking:
Breedte. Zomer- Winter- Gemid. Zomer- Temperat. Temperat. en Winter- Temperat. Vuurland 53°38' Z 50° 33°08 41°54 Falklands-Eil. 51°30' Z 51° -- -- Dublin 53°21' N 59°54 39°2 49°37
Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9 1/2° minder warm is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774-1853) is de gemiddelde temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan Port Famine. [212] Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel, er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55° Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien de zaden van den Drymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn de Conchyliën of schelpdieren (zooals de Patellidae, Fissurelidae, Chitonidae en Lepadidae veel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige species in het noordelijk halfrond. Eene groote Voluta (rolslak) komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren: drie species van Oliva (eene van aanzienlijke grootte), eene of twee Voluta's, en eene Terebra (boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan de zuidkusten van Europa zelfs eene kleine Oliva-species bestaat, en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte, waarin talrijke schelpdieren van drie Oliva-species, eene Voluta en eene Terebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.
Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap Hoorn hebben de wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker, kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt, terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te doen rijpen. [213] Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden; olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden, aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia, bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen, oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel- of wratmeloenen) welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan, voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar, van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten; groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond, tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte; een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit zelfs nog op 45° Z. B.
Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het land. Dientengevolge draagt de plantenwereld een half tropisch karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46° een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach, [214] varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.
Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in Zuid-Amerika. Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.
Breedte Hoogte (in voeten) Waarnemer. van de sneeuwgrens
Aequatoriaal-zone; gemid. result. 15.748 Humboldt. Bolivia, van 16° tot 18° Z.B. 17.000 Pentland. Midden-Chili, 33° Z.B. 14.500 tot 15.000 Gillies en de Schrijver. Chiloë, van 41° tot 43° Z.B. 6.000 Officieren v. d. Beagle en de Schrijver. Vuurland, 54° Z.B. 3.500 tot 4.000 King.
Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen, dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is, tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°--dat is ongeveer 14° dichter bij de pool--ontmoeten. Het hoogteverschil van circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë (waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen) en in Midden-Chili, een afstand van slechts 9 breedte-graden, is inderdaad verwonderlijk. [215] Ongeveer van af Concepcion (37° Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion, is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs is er suikerriet geweekt. [216] Zonder twijfel ondergaat de grens van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000 voet--welke zonder weerga is in andere deelen der wereld--niet ver van de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig warmte in den zomer.
Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte, hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts 3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei tot aan de zeekust met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere binnenketen doordringt--niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver noordwaarts aan de kust--eindigt in "geweldige en verbazingwekkende gletschers," volgens de beschrijving van een der officieren van de expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven, die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een hevigen schok (en die komen hier voor) [217] op zulk een gevaarte als een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond draait. In Eyre's Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200 voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool gelegen gletscher, die op de tochten van de Adventure en de Beagle opgemeten werd, bevindt zich op 46°50' Z.B. in de Golf van Penas. Hij is 15 mijlen lang, heeft op één punt eene breedte van 7 mijlen, en daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen [218] in de Laguna de San Rafael "vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere van middelbare grootte." Zij werden gezien in een smallen zeearm, op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op eene breedte gelijkstaande met die van het Meer van Genève!
In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij de zee bereiken, 7°30' of 450 mijlen verwijderd is van eene haven, waar drie soorten van Oliva, eene Voluta en eene Terebra de meest voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen groeien; 4°30' van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte zwerven; nog geen 2°30' van de boomgrassen; bovendien in westelijke richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog geen graad van de boomvarens!
Deze feiten zijn van zeer groot geologisch belang voor de studie van het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen met hun last van steenen. [219] Thans zijn er weinige geologen, die twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van hooge bergen liggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd; en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend (zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer zich tot 53°30' van de noordpool uit te strekken; in Europa echter niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië. [220]
Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het Zuidpoolgebied. De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilanden ten zuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond, dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar "vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was." Planten schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene oppervlakte van 2590 vierkante Kilom., en op de breedte van Yorkshire gelegen, is "midden in den zomer als het ware geheel met bevroren sneeuw bedekt." Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft het maar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10° dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat gras. Luitenant Kendall [221] vond, dat de baai, waarin hij voor anker lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8 September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa) de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in Noord-Amerika ter diepte van 3 voet, [222] en 62° in Siberië ter diepte van 12 tot 15 voet--het gevolg is van een geheel tegenovergestelden staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht, en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als wel bescherming tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.
Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon het eene dwaling is--zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen aan te toonen--te onderstellen, dat de grootere viervoeters een weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap Hoorn--waar, voor zoover de hoeveelheid plantengroei betreft, zeer vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan--voor de wetenschap van gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten en neushorens [223] is stellig een der wonderlijkste feiten in de geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven, maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest, [224] en in de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land; bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodem niet bevriest, de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder 32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië buitengewoon talrijk, [225] zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert, er bijna geheel uit bestaan; [226] en deze eilandjes liggen niet minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk, dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd, voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om, als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.
Recapitulatie. Ik zal in 't kort de hoofdfeiten herhalen, die op het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren, nl. drie soorten Oliva, eene Voluta en eene Terebra, een tropisch karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten op de boomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden in de Pyreneeën zwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel op een eiland ergens in 't westen van Europa, zouden boomvarens en woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eene Voluta te zien geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was, in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.
Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen, zou "bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn," en al zijne baaien zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen; en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele zoo groot als domkerken en soms met "niet onbeduidende rotsblokken" beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa's in het water daaronder doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne poging om een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni op eene breedte waar thans het Meer van Genève ligt! [227]
HOOFDSTUK XII.
MIDDEN-CHILI.
[23 Juli 1834.]
De Beagle ankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent 1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut, zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger, als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormige gevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft; want uit metingen, door de officieren van de Beagle verricht, bleek dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was. [228] Van dit punt bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig, als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.