De Reis om de Wereld

Part 25

Chapter 253,703 wordsPublic domain

Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo's, mannen, vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan; want de "Oude Maria," eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten 750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven, terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In den tijd van Sarmiento [201] hadden deze Indianen bogen en pijlen, welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet; en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden in het wild. [202] Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.

[1 Juni.]

Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven heet. [203] Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven, waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal, waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was, en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op te merken hoe de berg in hoogte steeg.

Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen, dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het te dicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen, sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.

Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen, hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden, met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg, en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.

Toen de Beagle hier in de maand Februari was, ging ik op zekeren morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik alle hoop den top te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren, als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug, die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.

Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie boomsoorten groeien. [204] Boven de woudstreek zijn vele dwergachtige Alpenplanten, [205] welke alle uit den veenbodem ontspruiten en dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland, waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier een Drymis Winteri van vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk, die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.

Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker mij, dat onlangs op eene derde soort beukeboomen in Van-Diemensland eene derde soort ontdekt is geworden. [206] Hoe zonderling is deze verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen--voornamelijk van den dwergachtigen Arbutus--eten de inboorlingen buiten dezen paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden, vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.

Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den tucutuco verwante of daarmede gelijkstaande Ctenomys; twee vossen (Canis Magellanicus en Canis Azarae); een zeeotter; het guanaco en een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als de tucutuco en reithrodon den overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen, die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die men gelaagd alluvium zou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin geheeten, komen vossen en guanaco's voor, maar op het andere eiland, Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt, en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte er van gescheiden is.

De donkere bosschen worden door enkele vogels bewoond. Nu en dan hoort men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps), [207] die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje (Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal in de beukenwouden, hoog in 't gebergte en dicht bij den voet, in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp fladdert hij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op, maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor: drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (of Icterus); twee Opetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.

Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land, evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren, alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt; maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof, was dit niet zoo duidelijk.

Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland, [208] bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond, waren Alpen-soorten (Harpalidae en Heteromidae), welke onder steenen leven. De plantenetende Chrysomelidae, waardoor de keerkringen zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel. [209] Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen, en geen krekels (Gryllidae) of Orthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewel Succinea op het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker geheel verschillend.

Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens, dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is de kelp of Macrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust als binnen de kanalen. [210] Ik geloof, dat er op de reizen van de Adventure en de Beagle geen enkele rots bij het oppervlak der zee werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots, hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen, waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden uit eene diepte van meer dan 24 fathoms omhoog groeit; "en daar die groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later vele fathoms ver over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen, dat sommige eene lengte van 60 fathoms en meer bereiken." Ik geloof niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond kapitein Fitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk 45 fathoms, naar de oppervlakte groeit. [211] Deze zeewier-velden vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.

Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren zijn ook verschillende Patellidae, Trochidae, naakte weekdieren, en eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren, inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren, prachtige Holothuriae, Planariae, en kruipende Nereïdae in tal van vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë, waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-, koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkele Flustraceae en eenige samengestelde Ascidiae over, waarvan de laatsten echter tot andere soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken; maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen, in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.

[8 Juni.]

Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere, gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen, besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou men zich een oord kunnen denken, waar hij minder eischen of minder macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente, ijs en sneeuw, en wind en water--alle met elkander, maar vereenigd tegen den mensch in strijd--regeerden hier in onbeperkte heerschappij.

[9 Juni.]

Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg, die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800 voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa's, die nooit smelten en bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht, die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen smallen zeearm op en neer te varen.

[10 Juni.]

Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen Oceaan. De westkust bestaat in 't algemeen uit lage, afgeronde, geheel naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir John Narborough noemde een gedeelte South Desolation, omdat het land er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede golfslag van den Stillen Oceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts rollen zooveel brekers, dat de zee hier de Melkweg genoemd wordt. Een blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste, huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor altijd vaarwel.