De Reis om de Wereld

Part 21

Chapter 213,790 wordsPublic domain

De eenige inheemsche viervoeter van het eiland is een groote wolfachtige vos (Canis antarcticus), die zoowel Oost- als West-Falkland bewoont. [176] Ik twijfel niet of deze is eene bijzondere soort, die zich tot dezen archipel bepaalt; want vele robbenvangers, alsmede Gauchos en Indianen, die deze eilanden bezocht hebben, verklaren eenstemmig dat een dergelijk dier nergens in Zuid-Amerika gevonden wordt. Wegens eene overeenkomst in leefwijze dacht Molina, dat deze vos dezelfde was als zijn culpeu; [177] maar ik heb beiden gezien, en zij zijn geheel verschillend. Deze wolven zijn wel bekend uit Byron's verhaal over hunne makheid en nieuwsgierigheid, welke de zeelieden die te water gingen om hen te ontloopen, voor wildheid hielden. Tot heden blijven hunne gewoonten dezelfde. Men heeft hen eene tent zien binnengaan, waar zij een stuk vleesch onder het hoofd van een slapenden man weghaalden. Ook hebben de Gauchos hen dikwijls des avonds gedood, door hun met de eene hand een stuk vleesch voor te houden, en met een mes in de andere een steek te geven. Voorzoover ik weet, bestaat nergens ter wereld een tweede voorbeeld van een stuk land, zoo klein en gebroken, daarbij ver van een vasteland, dat zulk een grooten inheemschen viervoeter uitsluitend alleen bezit. Hun aantal is snel afgenomen; reeds zijn zij van die helft van het eiland verdwenen, welke oostwaarts ligt van de landtong tusschen St.-Salvator Baai in Straat Berkeley. Binnen weinige jaren nadat deze eilanden geregeld gekoloniseerd zullen zijn, zal deze vos waarschijnlijk, evenals de Dodo, bestempeld worden als een dier, dat op de aarde is uitgestorven. [178]

Des nachts (17 Mei) sliepen wij op de landtong aan het boveneinde der Straat Choiseul, die het zuidwestelijk schiereiland vormt. De vallei was aangenaam tegen den kouden wind beschut, maar er was zeer weinig kreupelhout voor brandstof. Spoedig, echter, hadden de Gauchos iets gevonden, dat tot mijne groote verbazing bijna evenveel hitte gaf als steenkool. Dit was het skelet van een onlangs gedooden jongen stier, wiens vleesch door de aashavikken was weggepikt. Zij zeiden mij, dat zij des winters dikwijls een beest doodden, met hunne messen het vleesch van de beenderen schraapten, en dan met dezelfde beenderen het vleesch voor hun avondeten braadden.

[18 Mei.]

Het regende bijna den geheelen dag. Des nachts konden wij met onze zadeldekken ons tamelijk droog en warm houden; maar de grond, waarop wij sliepen, verkeerde bijna in den toestand van een moeras, en er was bijna geen droge plek om na onzen dagrit te gaan zitten. Elders heb ik gezegd hoe zonderling het is, dat op deze eilanden volstrekt geen boomen zijn, ofschoon Vuurland geheel met bosch bedekt is. De grootste struik op het eiland, tot de familie der Compositae behoorende, is nauwelijks zoo hoog als onze brem. De beste brandstof levert een kleine groene struik, ongeveer zoo groot als het gewone heidekruid, die de nuttige eigenschap bezit van te branden terwijl hij versch en groen is. Het was verrassend de Gauchos midden in den regen en toen alles doorweekt was, met niet meer dan een tonderdoosje en een lapje onmiddellijk vuur te zien maken. Zij zochten onder de bosjes gras en struiken naar enkele droge takjes, en wreven die tot vezels; deze omringden zij met grovere takken, ongeveer in den vorm van een vogelnest, legden den lap met het vonkje vuur in het midden, en overdekten hem op gelijke wijze. Nu werd het nest in den wind gehouden; langzamerhand begon het te rooken, al meer en meer, tot eindelijk de vlammen er uit sloegen. Ik geloof niet, dat met zulke vochtige materialen eene andere methode kans van slagen zou hebben gehad.

[19 Mei.]

Elken morgen was ik zeer stijf, een gevolg hiervan, dat ik niet vooraf eenigen tijd gereden had. Met verwondering hoorde ik de Gauchos, die van jongs af bijna op het paard geleefd hebben, zeggen dat zij in zulke omstandigheden altijd pijn hebben. St.-Jago vertelde mij, dat hij, na drie maanden wegens ziekte aan huis gebonden te zijn geweest, uitging om wild vee te jagen; maar dat zijn dijen daardoor de twee volgende dagen zoo stijf waren, dat hij genoodzaakt was in bed te liggen. Dit bewijst, dat de Gauchos toch wel degelijk spierkracht bij het rijden gebruiken, al schijnt dit ook niet zoo. Het jagen van wild vee in een land, dat wegens den moerassigen grond zoo moeilijk te begaan is, moet een zeer zwaar werk zijn. De Gauchos zeggen, dat zij dikwijls in vollen ren over een grond heen gaan, die bij langzamer rijden, onbegaanbaar zou zijn; evenals dat men over dun ijs kan schaatsenrijden, waar loopen onmogelijk is. Op de jacht pogen de jagers zoo dicht mogelijk bij de kudde te komen, zonder ontdekt te worden. Elk man draagt vier of vijf paar bolas bij zich; deze werpt hij achtereenvolgens naar een gelijk aantal stuks vee, die, als zij gestrikt zijn, eenige dagen in dien toestand worden achtergelaten, tot zij door honger en inspanning wat zijn uitgeput. Dan worden zij vrij gelaten en naar eene kleine kudde tamme dieren gedreven, die opzettelijk naar die plek gebracht zijn. Daar de voorafgegane behandeling hen te zeer verschrikt heeft om de kudde te verlaten, worden zij, als hunne krachten het toelaten, gemakkelijk naar de kolonie gedreven.

Voortdurend bleef het weder zoo slecht, dat wij besloten spoed te maken, en te trachten het schip nog voor den nacht te bereiken. Door de groote hoeveelheid gevallen regen was de oppervlakte van het geheele land moerassig. Ik geloof, dat mijn paard minstens een dozijn malen viel, en soms spartelden alle zes paarden tegelijk in de modder. De oevers van alle kleine stroomen bestaan uit zacht veen, dat het den paarden zeer moeilijk maakt er zonder vallen over te springen. Als om onzen tegenspoed te voltooien, waren wij verplicht den kop van een zeeinham te doorwaden, waar het water zoo hoog stond als de ruggen onzer paarden; en door den hevigen wind sloegen de golfjes over ons heen, zoodat wij zeer nat en koud werden. Zelfs de Gauchos met hunne ijzeren gestellen achtten zich gelukkig, toen zij na ons uitstapje de kolonie bereikt hadden.

De geologische bouw dezer eilanden is in de meeste opzichten eenvoudig. Het lagere land bestaat uit leemschiefer en zandsteen, waarin fossielen, die aan de in de silurische formaties van Europa gevondene zeer na verwant, doch niet geheel gelijk zijn; de bergen zijn gevormd van wit korrelig kwartsgesteente. De lagen dezer laatsten zijn dikwijls volkomen symmetrisch gewelfd, en bij gevolg is het voorkomen van enkele bergen hoogst eigenaardig. Pernety [179] heeft verscheidene bladzijden gewijd aan de beschrijving van een berg, Hill of Ruins genaamd, welks op elkander volgende lagen hij terecht bij de rangen van een amphitheater heeft vergeleken. Het kwartsgesteente moet zeer deegachtig geweest zijn, toen het zulke merkwaardige buigingen onderging zonder te breken. Daar het kwarts onmerkbaar in den zandsteen overgaat, lijkt het waarschijnlijk, dat het eerste uit den zandsteen is ontstaan, toen deze zoo hoog verhit was, dat hij dik-vloeibaar werd en bij afkoeling kristalliseerde. De zandsteen moet vooraf in zachten toestand door de bovenliggende lagen omhoog zijn gestuwd.

In vele gedeelten van het eiland zijn de dalbodems op buitengewone wijze bedekt met tallooze groote en losse, hoekige brokken kwartziet, die zoogenaamde "steenstroomen" vormen. Sedert den tijd van Pernety heeft elk reiziger met verwondering hiervan melding gemaakt. De brokken zijn niet door het water geslepen of afgerond, alleen zijn hunne hoeken wat gestompt; in grootte wisselen zij af van een of twee voet in doorsnede, tot tien- of zelfs meer dan twintigmaal zooveel. Zij zijn niet in onregelmatige hoopen bijeengeworpen, maar liggen in horizontale vlakten of groote stroomen verspreid. Het is niet mogelijk hunne dikte te bepalen; maar verscheidene voeten onder de oppervlakte kan men het water van kleine stroompjes door de steenen hooren druppelen. Waarschijnlijk is de werkelijke diepte aanzienlijk, daar de spleten tusschen de lagere brokken sedert lang met zand gevuld moeten zijn. De breedte dezer steenvlakten wisselt tusschen enkele honderden voeten en eene mijl; maar dagelijks overschrijdt de veenachtige bodem de randen dier vlakten, en vormt zelfs eilandjes daar waar enkele brokken dicht bij elkander liggen. In eene vallei ten zuiden van Straat Berkeley, door eenigen van ons gezelschap de "groote brokken-vallei" genoemd, moesten wij eene onafgebroken strook van zulke steenen, die eene halve mijl breed was, oversteken, waarbij wij van den eenen puntigen steen op den anderen sprongen. De brokken waren zoo groot, dat, toen wij door eene regenbui overvallen werden, ik gemakkelijk onder een ervan eene schuilplaats kon vinden.

Hunne geringe helling is wel de merkwaardigste omstandigheid in deze "steenstroomen." Aan de heuvelzijden heb ik ze eene helling van tien graden met den horizon zien maken; maar in enkele vlakke dalen met breede bodems is de helling juist groot genoeg om scherp te worden waargenomen. Er was geen middel om op zulk eene ruwe oppervlakte den hoek te meten; om echter eene alledaagsche opheldering te geven, kan ik zeggen dat de glooiing de snelheid van eene Engelsche postkar niet zou vertraagd hebben. Op sommige plaatsen volgde een onafgebroken stroom van deze brokken den loop eener vallei, en strekte zich zelfs tot aan den top van een heuvel uit. Hier, op deze toppen, schenen de geweldige steenen, die een klein huis in grootte overtroffen, in hun voorwaartschen loop gestuit; hier stapelden zich ook de gebogen lagen der overwelfde ruimten op, evenals de bouwvallen eener reusachtige kathedraal. Poogt men deze tafereelen van geweld te beschrijven, dan is men onwillekeurig geneigd van de eene gelijkenis in de andere te vallen. Wij kunnen ons voorstellen, dat stroomen witte lava uit vele deelen van het gebergte naar het lagere land zijn gevloeid, en dat zij bij het stollen door eene geweldige golving of trilling van den bodem in tienduizenden brokken zijn gespleten. De uitdrukking "steenstroomen," die elk terstond in den mond kwam, sluit hetzelfde begrip in. Op de plek zelve worden deze tafereelen nog indrukwekkender gemaakt door hunne tegenstelling met de lage, ronde vormen der naburige heuvels.

Met belangstelling vond ik op den hoogsten top van eene heuvelreeks (omtrent 700 voet boven de zee) een groot gewelfd brok, dat op zijne bolle zijde, of het ondersteboven lag. Moeten wij aannemen, dat dit in de lucht werd geworpen en zóó dezen vorm verkreeg; of, wat waarschijnlijker is, dat vroeger in dezelfde keten een hooger gedeelte bestond dan het punt waarop dit gedenkteeken eener groote natuurberoering nu ligt? Daar de brokken in de dalen niet afgerond en hunne spleten niet met zand zijn gevuld, moeten wij besluiten, dat die hevige beroering plaats had in een tijdperk, nadat het land boven het water der zee was gerezen. Eene dwarsdoorsnede in deze valleien doet zien, dat de bodem bijna horizontaal is of maar zeer weinig naar beide kanten stijgt. Ofschoon de brokken dus van het hoofdeinde der vallei schijnen gewandeld te hebben, lijkt het inderdaad waarschijnlijker, dat zij van de naastbijliggende hoogten zijn geslingerd, en sedert door eene trillende beweging van overweldigende kracht in eene onafgebroken horizontale laag verspreid zijn. [180] Zoo men zich al verwonderde over het feit, dat gedurende de aardbeving, die in 1835 de stad Conception in Chili verwoestte, [181] kleine lichamen enkele inches hoog van den grond werden geworpen, wat zullen wij dan zeggen van eene beweging, die brokken van vele tonnen gewicht omhoog wierp, als zand op een trillend carton, en daarna horizontaal verspreidde? In de Cordilleras de los Andes heb ik de duidelijke bewijzen gezien, dat ontzaglijke bergen als even zoovele dunne korsten in stukken waren gebroken, en hunne lagen verticaal omhoog geworpen; maar nooit drong een natuurtafereel het denkbeeld van eene hevige aardbeving, waarvan wij in historische tijdperken vruchteloos de wedergade kunnen vinden, sterker aan mijn geest op, dan deze "steenstroomen." Toch zal de vooruit strevende wetenschap vermoedelijk eens eene eenvoudige verklaring van dit verschijnsel geven, gelijk zij het reeds deed van het zoolang onverklaarbaar geachte vervoer der erratische of zwerfblokken, die over de vlakten van Europa zijn verspreid. [182]

Over de zoölogie dezer eilanden heb ik weinig op te merken. Den aasgier of Polyborus heb ik reeds vroeger beschreven. Dan zijn er eenige andere havikken, uilen, en een paar kleine landvogels. Het watergevogelte is bijzonder talrijk; en blijkens de verhalen der oude zeevaarders, moeten er vroeger nog meer geweest zijn.

Op zekeren dag zag ik eene zeeraaf (Carbo cormoranus sive haliaeus) met een visch spelen, dien hij gevangen had. Achtmaal achtereen liet de vogel zijne prooi los, dook haar dan na, en bracht ze, ofschoon in diep water, elken keer weer boven. In de Zoological Gardens heb ik den otter een visch op gelijke manier zien behandelen, als de kat een muis doet; ik ken geen ander voorbeeld waarin Moeder Natuur zoo moedwillig wreed schijnt. Op een anderen keer had ik mij tusschen eene vetgans (Aptenodytes demersa) [183] en het water geplaatst, en vermaakte mij zeer met het gadeslaan van hare gewoonten. Het was een moedige vogel, die mij geregeld slag leverde en terug dreef totdat hij de zee bereikte. Niet dan met harde slagen kon men hem tot staan brengen; krachtig handhaafde hij elk duimbreed gewonnen grond, en stond rechtop en vastberaden voor mij. In die houding waggelde hij met het hoofd naar rechts en links, op eene zeer koddige manier, alsof het vermogen van duidelijk zien alleen in het voor- en ondergedeelte der oogen gelegen was. Deze vogel wordt gewoonlijk de "ezel-vetgans" genoemd, vanwege zijne gewoonte om, als hij op het strand is, zijn hoofd naar achteren te bewegen, en een zonderling schreeuwend geluid te maken, dat zeer op het gebalk van een ezel gelijkt; maar is hij op zee, en stoort men hem niet, dan is zijn geluid zeer diep en plechtig, en wordt vaak des nachts gehoord. Bij het duiken worden zijne kleine vleugels als vinnen gebruikt, maar op het land als voorpooten. Als hij--op vier pooten kan men zeggen--door de bosjes gras of over de helling eener begraasde rots kruipt, beweegt hij zich zoo snel, dat men hem licht voor een viervoetig dier kan houden. Is hij op zee aan het visschen, dan komt hij, om adem te scheppen, zoo onstuimig naar de oppervlakte en duikt weer zoo plotseling, dat ik iedereen tart met zekerheid te zeggen, dat dit geen visch was, die voor pleizier aan het springen was.

Twee soorten van ganzen bewonen de Falklands-Eilanden. De hooglandsche soort (Anas Magellanica) bewoont paarsgewijze of in kleine troepen het geheele eiland. Zij trekt niet, maar nestelt op de kleine afgelegen eilandjes. Vermoedelijk geschiedt dit uit vrees voor de vossen; en mogelijk om dezelfde reden zijn deze vogels, ofschoon zeer mak bij dag, schuw en wild in de avondschemering. Zij leven geheel van plantenstoffen. De klipgans, zoo genoemd omdat zij uitsluitend op het zeestrand woont (Anas antarctica) [184] huist zoowel hier als op de westkust van Amerika tot in Chili. In de diepe en afgelegen kanalen van Vuurland vormt de sneeuwwitte mannetjesgans, die steeds van zijn donkerder gekleurd wijfje vergezeld dicht bij haar op eene verwijderde rotspunt staat, een gewoon tafereel in het landschap.

Eene groote, domme gans of eend (Anas brachyptera), die soms een gewicht van 22 pounds bereikt, is op deze eilanden zeer talrijk. In vroegeren tijd werden deze vogels, om hunne buitengewone manier van in het water te pagaaien en te plassen, harddravers genoemd; doch nu noemt men hen veel gepaster stoomers. Hunne vleugels zijn te klein en te slap om te vliegen; maar door er deels mede te zwemmen en deels de oppervlakte van het water te slaan, bewegen zij zich zeer snel. De manier komt eenigszins overeen met die waarop de gewone huiseend vlucht, als hij door een hond vervolgd wordt; maar ik ben er bijna zeker van, dat de Anas brachyptera hare vleugels beurt om beurt beweegt, in plaats van beide tegelijk, zooals bij andere vogels. Deze plompe, domme eend maakt zulk een vreemd geluid en geplas, dat het een ongewonen indruk achterlaat.

In Zuid-Amerika vinden wij dus drie vogels, die hunne vleugels voor andere doeleinden, als vliegen, gebruiken: de vetgans als vinnen; de stoomer als riembladen of schoepen, en de struisvogel als zeilen; terwijl de Apteryx van Nieuw-Zeeland, zoowel als zijn reusachtig prototype, de Dinornis, slechts rudimentaire vertegenwoordigers van vleugels bezitten. [185] De stoomer kan alleen over zeer korten afstand duiken. Hij voedt zich geheel met schaaldieren uit het zeewier en van vloedrotsen, ten gevolge waarvan zijn bek en kop, om die te kunnen breken, verbazend hard en sterk zijn. De kop is zoo sterk, dat ik hem met mijn geologischen hamer bijna niet kon splijten, en spoedig ontdekten al onze jagers hoe taai het leven dezer vogels is. Als zij des avonds, in een troep bijeengezeten, hunne vederen opstrijken, maken zij hetzelfde zonderlinge mengsel van geluiden, als de oskikvorschen in de keerkringen.

In Vuurland zoowel als op de Falklands-Eilanden deed ik vele waarnemingen op de lagere zeedieren; maar deze zijn niet van algemeen belang. [186] Ik zal slechts ééne soort van feiten vermelden, welke op zekere Zoöphieten of plantdieren in de hooger georganiseerde afdeeling dezer klasse betrekking hebben. Verscheidene geslachten (Flustra, Eschara, Cellaria, Crisia, en andere) komen hierin overeen, dat zij zonderlinge beweeglijke organen bezitten (zooals die van Flustra avicularia, welke in de Europeesche zeeën gevonden wordt), die aan hunne cellen bevestigd zijn. Dit orgaan gelijkt in de meeste gevallen zeer na op een gierekop, met dit verschil, dat de onderkaak veel wijder geopend kan worden dan in den bek van een werkelijken vogel. De kop zelf bezit door middel van een korten nek een aanzienlijk bewegingsvermogen. Bij den eenen zoöphiet was de kop zelf vast, maar de onderkaak vrij; bij een anderen werd hij vervangen door een driehoekige kap met eene fraai passende klep, die blijkbaar de onderkaak voorstelde. Bij de meeste soorten was elke cel van één hoofd voorzien, doch bij andere had elke cel er twee.

De jonge cellen aan het einde der takken van deze koraalgewassen bevatten geheel onrijpe poliepen; toch zijn de daaraan gehechte gierekoppen, hoewel klein, in elk opzicht volkomen. Als de poliep met eene naald uit eene der cellen verwijderd werd, schenen deze organen in 't minst niet geraakt. Werd een der zoogenoemde gierekoppen van eene cel afgesneden, dan behield de onderkaak haar vermogen tot openen en sluiten. Het zonderlingste in hun bouw is misschien wel, dat, als er meer dan twee rijen cellen op een tak waren, de centrale cellen van zulke aanhangsels voorzien waren, die slechts een vierde van de grootte der buitenste hadden. Hunne bewegingen wisselden af naar de soort; maar terwijl ik bij enkelen nooit de geringste beweging zag, schommelden anderen, met de onderkaak meestal open en ongeveer ééns in de vijf secunden, voor- en achteruit; weer anderen bewogen zich snel en met rukken. Met eene naald aangeraakt, greep de bek de punt meestal zoo stevig vast, dat men den geheelen tak kon schudden.

Deze lichamen staan in hoegenaamd geen verband met de voortbrenging van de eieren of knoppen, wijl zij gevormd worden voordat de jonge poliepen in de cellen aan het einde der groeiende takken verschijnen. Daar zij zich onafhankelijk van de poliepen bewegen, en in geenerlei verband met dezen schijnen te staan; en wijl zij op de buitenste en binnenste celrijen verschillen, koester ik weinig twijfel of zij zijn in hunne functiën eerder aan de hoornachtige as der takken, dan aan de poliepen in de cellen verwant. Het vleezige aanhangsel aan de onderste extremiteit van de zeeveder (te Bahia Blanca beschreven) maakt ook deel uit van den zoöphiet als een geheel, op dezelfde wijs als de wortels van een boom deel uitmaken van een geheelen boom en niet van het loof of de bloemknoppen alleen.

Bij een ander sierlijk klein koraalgewas (Crisia?) was elke cel van een langen getanden borstel voorzien, die het vermogen had van zich snel te bewegen. Elk dezer borstels en elk der zoogenoemde gierekoppen bewoog zich meestal onafhankelijk van de andere; maar soms bewogen allen aan beide zijden van een tak, of alleen die aan ééne zijde zich tegelijktijdig; dan weêr bewoog elk zich in regelmatige orde de een na den anderen. In deze handelingen bij den zoöphiet, ofschoon uit duizende verschillende poliepen samengesteld, zien wij blijkbaar eene even volkomen wilsoverdracht, als bij een enkelvoudig dier. Inderdaad verschilt het geval niet van dat der zeeveders, die zich aan de kust van Bahia Blanca in het zand terugtrokken, zoodra men ze aanraakte. Ik zal een ander voorbeeld noemen van gelijkmatige handeling, hoewel van zeer verschillenden aard, bij een zoöphiet die nauw aan Clytia verwant en dus zeer eenvoudig georganiseerd is. Nadat ik eens eene groote pluim daarvan in eene kom met zout water had gedaan, bespeurde ik, toen het donker was, dat telkens als ik een stuk van den tak wreef, de geheele pluim met een sterk groen licht phosphoresceerde. Ik herinner mij niet ooit een schooner verschijnsel gezien te hebben. Doch het merkwaardigste van het geval was, dat de lichtstralingen zich altijd opwaarts langs de takken bewogen, van de basis naar de uiteinden.

Het onderzoek van deze samengestelde dieren boezemde mij altijd zeer veel belang in. Wat kan merkwaardiger zijn dan een plantachtig lichaam een ei te zien voortbrengen, hetwelk in staat is rond te zwemmen en eene geschikte plaats te kiezen om zich vast te hechten; waaruit vervolgens takken ontspruiten, elk met tallooze afzonderlijke dieren van dikwijls saamgestelden bouw bedekt? Daarenboven bezitten de takken, gelijk wij juist zagen, somtijds organen, die zich kunnen bewegen en onafhankelijk zijn van de poliepen. Hoe verwonderlijk deze vereeniging van afzonderlijke individuën op een gemeenschappelijken stam ook altijd schijnen moet, vertoont toch elke boom hetzelfde feit; want knoppen moeten als planten op zich zelven worden beschouwd. Het is echter natuurlijk, dat men een poliep, die in 't bezit is van een mond, ingewanden en andere organen, als een zelfstandig individu beschouwt, terwijl de individualiteit of persoonlijkheid van een bladerknop niet licht verwezenlijkt wordt; zoodat de vereeniging van afzonderlijke individuën tot een gemeenschappelijk lichaam ons meer treft in een koraalgewas dan in een boom. Ons begrip van een samengesteld dier kan, waar de persoonlijkheid van elk in sommige opzichten niet volledig is, opheldering vinden door de overweging, dat twee afzonderlijke wezens worden voortgebracht, als men een enkelvoudig met een mes in tweeën snijdt, of als de Natuur zelve de taak der halveering verricht. Wij kunnen de poliepen op een plantdier, of de knoppen aan een boom als gevallen beschouwen, waarin de deeling van het individu niet geheel is tot stand gekomen. Te oordeelen volgens analogie met de koraalgewassen, schijnen zeker, wat de boomen betreft, de door knoppen voortgeplante individuën nader aan elkander verwant, dan eieren of zaden aan hunne ouder-individuën. Het schijnt thans vrijwel vastgesteld te zijn, dat gewassen, door knoppen voortgeplant, allen een gemeenschappelijke levensduur hebben; en iedereen weet welke zonderlinge en talrijke eigenaardigheden met zekerheid worden overgebracht door knoppen, afleggers en enten, die door zaadvoortplanting nooit of slechts toevallig weêrverschijnen.

HOOFDSTUK X.

TIERRA DEL FUEGO OF VUURLAND.

[17 December 1832.]