Part 20
Het is een wel bekend feit, dat, als een dier op het land gedood is, de condors, evenals andere aasgieren, er spoedig kennis van krijgen en op onverklaarbare wijze samenscholen. Hierbij moet men niet vergeten, dat de vogels in de meeste gevallen hunne prooi hebben ontdekt en het skelet kaal geplukt, voordat het vleesch ook maar in 't minst bedorven is. Gedachtig aan de proefnemingen van Audubon over het geringe reukvermogen der aashavikken, deed ik in den bovengenoemden tuin de volgende proefneming. De condors werden, elk aan een touw, in eene lange rij aan den voet van een muur gebonden; daarop wikkelde ik een stuk vleesch in wit papier, en liep er mede in de hand, op ongeveer drie yards van hen af, op en neder. Er werd evenwel geen nota van genomen. Toen wierp ik het op den grond, nog geen yard van een oud mannetje af; voor een oogenblik keek hij er aandachtig naar, doch sloeg er verder geen acht op. Met een stok duwde ik het al dichter en dichter bij, tot hij het eindelijk met den bek aanraakte; onmiddellijk werd toen het papier met woede afgerukt, terwijl op hetzelfde oogenblik alle vogels in de rij begonnen te spartelen en te klapwieken. Een hond had men onder dezelfde omstandigheden moeilijk kunnen bedriegen.
De bewijzen voor en tegen het scherpe reukvermogen der aasgieren wegen zonderling tegen elkander op. Professor Owen heeft bewezen, dat de reukzenuwen van den kalkoenschen buizerd (Cathartes aura) hoog ontwikkeld zijn; en op den avond toen Owen's verhandeling in "Zoological Society" werd voorgedragen, deelde een der aanwezigen mede, dat hij in West-Indië bij twee gelegenheden de aashavikken zich op het dak van een huis had zien verzamelen, waarin een lijk, dat men verzuimd had te begraven, in ontbinding overging. In dit geval konden de dieren moeilijk door hun gezicht er kennis van gekregen hebben. Aan den anderen kant, en behalve de proefnemingen van Audubon en die eene van mijzelven, heeft Bachman in de Vereenigde Staten vele verschillende methoden gebezigd, welke aantoonen, dat noch de kalkoensche buizerd (de door Prof. Owen ontlede soort), noch de gallinazo hun voedsel door den reuk vinden. Hij wikkelde stukken zeer onsmakelijken afval in dun zeildoek en strooide er stukjes vleesch op; de aasgieren aten deze op, en bleven toen rustig met hunne bekken vlak boven de stinkende massa staan, zonder ze te ontdekken. Toen er een scheurtje in het zeildoek gemaakt was, werd de afval onmiddellijk ontdekt. Het zeildoek werd door een versch stuk vervangen; nogmaals werd er vleesch op gestrooid, en weder verslonden de gieren dit zonder de verborgen zelfstandigheid te ontdekken, waarop zij trapten. Deze feiten werden door de handteekeningen van zes heeren, buiten die van Bachman bevestigd. [170]
Dikwijls, als ik in de open vlakte lag uit te rusten en naar boven keek, heb ik aashavikken op groote hoogte door de lucht zien zweven. Waar het land vlak is, geloof ik niet dat een deel des hemels, hetwelk meer dan 15 graden boven den horizon gelegen is, door iemand te voet of te paard in 't algemeen aandachtig wordt waargenomen. Is dit het geval, en zweeft de gier op eene hoogte van 3 tot 4000 voet, voordat hij in het gezicht kan komen, dan zal zijn afstand in rechte lijn van het oog des waarnemers iets meer dan 2 Engelsche mijlen bedragen. Is het dan niet licht mogelijk, dat hij niet wordt opgemerkt? Kan een dier, dat door den jager in eene eenzame vallei gedood is, niet al dien tijd door den scherpzienden vogel van boven worden bespied? En zal zijne wijze van neerdalen niet een sein wezen voor alle aasvreters in het district, dat hunne prooi nabij is?
Als de condors in een zwerm om de eene of andere plek zweven, is hunne vlucht zeer mooi. Behalve wanneer zij van den grond opvliegen, herinner ik mij niet een dezer vogels te hebben zien klapwieken. Bij Lima sloeg ik bijna een half uur lang verscheidene gade, zonder de oogen van hen af te wenden. Zij bewogen zich in groote bochten, schoten in kringen voorbij, daalden en stegen zonder een enkelen wiekslag. Als zij dicht boven mijn hoofd zweefden, sloeg ik van ter zijde aandachtig de omtrekken der gescheidene en groote eindveêren van elken vleugel gade; bij de minste trillende beweging zouden die veêren als 't ware gemengd hebben geschenen; maar zij waren duidelijk op den blauwen hemel zichtbaar. Hoofd en hals bewogen zich voortdurend en schijnbaar met kracht; en de uitgespreide vleugels schenen het fulcrum (steunpunt) te vormen, waarop de bewegingen van hals, romp en staart werkten. Wilde de vogel dalen, dan vielen de vleugels een oogenblik samen; en als zij zich bij veranderde helling weer uitspreidden, scheen de hoeveelheid van beweging of gang, door de snelle daling verkregen, den vogel opwaarts te drijven met de kalme en gelijkmatige beweging van een vlieger. Wanneer een vogel stijgt, moet zijne beweging snel genoeg zijn, opdat de werking der hellende oppervlakte van zijn lichaam op den dampkring kan opwegen tegen zijne zwaarte. De kracht om het moment van een lichaam op te houden, dat zich in een horizontaal vlak door de lucht beweegt (waarin zoo weinig wrijving is) kan niet groot zijn; en deze kracht is al wat er noodig is. Wij moeten aannemen, dat de beweging van hals en romp van den condor daartoe voldoende is. Hoe dit ook zij, het is een waarlijk treffend en fraai schouwspel zulk een grooten vogel, uur aan uur, zonder schijnbare inspanning over berg en rivier te zien zwenken en zweven.
[29 April.]
Op een hoogland gekomen, begroetten wij met vreugde de witte toppen der Cordilleras, als zij nu en dan door hun donker wolkenhulsel gluurden. De twee volgende dagen kwamen wij langzaam vooruit; want de rivier bleek zeer bochtig en was bezaaid met kolossale brokken graniet en verschillende oude leigesteenten. De vlakte, die de vallei omzoomde, had hier eene hoogte bereikt van omstreeks 1100 voet boven de rivier, en haar voorkomen was zeer veranderd. De goed afgeronde porfiersteenen waren vermengd met vele reusachtige brokken basalt en overoude gesteenten. Het eerste dezer zwerfblokken, dat ik zag, was 67 mijlen van den naasten berg verwijderd; een ander, dat ik mat, was vijf yards in het vierkant en stak vijf voet boven het grofzand uit. Zijne kanten waren zoo hoekig en zijne grootte zoo aanzienlijk, dat ik het eerst voor eene vaststaande rots hield en mijn kompas uithaalde om de splijtingsrichting te bepalen. De vlakte hier was niet zoo geheel effen als dichter bij de kust, maar verried toch geen teekenen van groot geweld. Ik geloof, dat het onder deze omstandigheden geheel onmogelijk is het vervoer van deze reusachtige steenblokken, zoo vele mijlen van hun oorsprong, te verklaren volgens eene andere theorie dan die van drijvende ijsbergen.
Gedurende de twee laatste dagen ontmoetten wij sporen van paarden, en vele kleine voorwerpen die aan Indianen hadden toebehoord, als: stukken van een mantel en een bos struisvederen; maar zij schenen hier al lang gelegen te hebben. Ofschoon de plaats, waar de Indianen zoo onlangs over de rivier waren getrokken, en deze buurt zoo vele mijlen van elkander lagen, scheen het tusschenliggende land geheel onbewoond. Eerst verwonderde mij dit met het oog op den overvloed van guanaco's; doch het verklaart zich uit de steenachtige gesteldheid der vlakten, die een onbeslagen paard spoedig ongeschikt zou maken om aan de jacht deel te nemen. Niettemin vond ik op twee plaatsen in deze afgelegen streek kleine hoopjes steenen, die er, naar ik denk, niet toevallig neergeworpen konden zijn. Zij lagen op uitspringende punten van den rand der hoogste lavaklip, en geleken, ofschoon op kleinere schaal, op die bij Port Desiré.
[4 Mei.]
Kapitein Fitz-Roy besloot de booten niet hooger op te brengen. De rivier had een kronkelenden loop met zeer snelle strooming, terwijl het aanzien der streek ons niet in verzoeking bracht om verder te gaan. Overal ontmoetten wij dezelfde voortbrengselen en hetzelfde naargeestige landschap. Wij waren nu op 140 mijlen van den Atlantischen, en omstreeks 60 van den naastbij liggenden arm van den stillen Oceaan. In dit hoogere gedeelte strekte de vallei zich uit tot eene wijde kom, in 't noorden en zuiden door hooge basaltvlakten begrensd, en in 't front de lange keten der besneeuwde Cordilleras. Het was met een gevoel van spijt, dat wij naar deze grootsche bergen keken; want in plaats van op hunne toppen te staan, zooals wij gehoopt hadden, moesten wij ons hunne natuur en voortbrengselen maar voorstellen. Behalve het nuttelooze tijdverlies, dat eene poging om de rivier nog hooger op te gaan ons gekost zou hebben, waren wij al eenige dagen op half brood-rantsoen gesteld. Hoewel dit voedsel voor verstandige menschen inderdaad genoeg is, was het na een moeilijken dagmarsch toch wat karig. Eene lichte maag en eene gemakkelijke spijsvertering zijn goede dingen om over te praten, maar zeer onaangenaam in de praktijk.
[5 Mei.]
Vóór zonsopgang begonnen wij onze daling. Met groote snelheid schoten wij den stroom af, meest met een spoed van 10 knoopen (18530 Met.) in het uur. Op dezen eenen dag vorderden wij evenveel als in vijf en een halven dag hard werken bij het opvaren. Op den 8sten dag bereikten wij de Beagle na een tocht van 21 dagen. Elk had reden om onvoldaan te zijn, behalve ik zelf; want mij gaf de opvaring eene hoogst belangwekkende doorsnede te zien van de groote tertiaire formatie van Patagonië.
Op 1 Maart 1833 en andermaal op 16 Maart 1834 ankerde de Beagle in Berkeley Sound op Oost-Falklands-Eiland. Deze Archipel ligt op nagenoeg dezelfde breedte als en ten oosten der Straat van Magelhaen, beslaat eene oppervlakte van 120 bij 60 geographical miles, en is iets meer dan half zoo groot als Ierland. [171] Nadat het bezit van deze ellendige eilanden door Frankrijk, Spanje en Engeland betwist was geworden, werden zij onbewoond gelaten. De Regeering van Buenos Aires verkocht hen toen aan een particulier persoon, doch gebruikte hen, evenals Spanje in vroeger tijden, voor strafkolonie. Daarop deed Engeland zijne rechten gelden en nam hen in 1833 in bezit. De Engelschman, die ter bewaking van de vlag was achtergelaten, werd later vermoord. Hierna werd er een Britsch officier zonder gewapende macht heen gezonden; en dezen vonden wij bij onze komst aan het hoofd eener bevolking, die voor meer dan de helft uit weggeloopen rebellen en moordenaars bestond.
Het tooneel is de voorstellingen waardig, die er op afgespeeld zijn. Een golvend land met een troosteloozen, ellendigen aanblik, dat overal met een veenachtigen grond en dradig gras van eene eentonige bruine kleur bedekt is. Hier en daar breekt een bergspits of rotsrug van grijs kwarts door de effene oppervlakte. Ieder heeft wel eens van het klimaat dezer streken gehoord. Men zou het kunnen vergelijken met dat, hetwelk 1000 tot 2000 voet hoog in de bergen van Noord-Wallis wordt gevonden: met dit verschil, dat het minder zonneschijn en minder koude, doch meer wind en regen heeft. [172]
[16 Maart.]
Ik zal nu een korten uitstap beschrijven, dien ik op een deel van het eiland volbracht. Des morgens reed ik uit met zes paarden en twee Gauchos: beiden mannen, uitstekend voor het doel geschikt, en wel gewoon van eigen middelen te leven. Het weder was zeer koud en onstuimig, met hevige hagelstormen. Wij kwamen echter vrij goed vooruit; doch behalve de geologie, leverde onze dagrit bijna niets op dat belangstelling verdiende. Overal hetzelfde golvende heideland, welks oppervlakte bedekt was met lichtbruin verweerd gras en enkele zeer kleine struiken, die alle uit een buigzamen veengrond opschoten. In de valleien kon men hier en daar eene kleine kudde wilde ganzen zien; en overal was de grond zoo zacht, dat de snip er zijn voedsel kon vinden. Buiten deze vogels waren er maar weinig andere. Er is eene hoofdketen van bijna 2000 voet hooge bergen, uit kwarts bestaande, welker ruwe en naakte toppen ons bij het overklimmen eenige moeite veroorzaakten. Aan de zuidzijde kwamen wij in land, dat voor wild vee zeer goed geschikt is; maar daar dit onlangs fel gejaagd was, vonden wij er niet veel van.
Des avonds stieten wij op eene kleine kudde. Een mijner metgezellen, St.-Jago genaamd, zonderde spoedig een vette koe af, wierp zijne bolas en trof hare pooten, maar kon deze niet omstrikken. Toen wierp hij zijn hoed neer, om de plek terug te vinden waar de bolas gevallen waren, wond in vollen galop zijn lazo los, en haalde na eene zeer ingespannen jacht de koe opnieuw in, die hij nu bij de horens ving. Daar de andere Gaucho met de reserve-paarden vooruit gereden was, kostte het St.-Jago eenige moeite om het woedende beest te dooden. Hij trachtte haar naar een effen terrein te voeren, door telkens van de gelegenheid gebruik te maken als zij op hem toerende. Wilde zij zich niet bewegen, dan kwam mijn paard, op zulke jachten afgericht, in korten galop achter haar aan, en gaf haar met zijn borst een hevigen stoot. Maar zelfs op effen grond schijnt het voor één man geen gemakkelijk werk een dier te dooden, dat razend is van schrik. En het zou ook niet kunnen, indien het paard, dat zonder den ruiter aan zijn lot is overgelaten, voor eigen veiligheid niet spoedig leerde den lazo strak te houden; zoodat, als de koe of os naar voren stuift, het paard zich even schielijk voortbeweegt; anders staat het onbeweeglijk naar één kant geleund. Dit paard was echter een jong dier en wilde niet stilstaan, maar liep terug als de koe zich poogde los te rukken. Het was verwonderlijk te zien, met welke behendigheid St.-Jago achter de koe uitweek, tot hij er eindelijk in slaagde aan de groote pees van den achterpoot de noodlottige snede toe te brengen. Zonder veel moeite stak hij toen zijn mes in het hoofdeinde van het ruggemerg, en viel de koe als door den bliksem getroffen neer. Nadat eenige stukken vleesch met de huid er aan, doch zonder beenderen en genoeg voor onzen tocht, waren afgesneden, reden wij naar onze slaapplaats, en hadden voor ons avondeten carne con cuero of gebraden vleesch met de huid er aan. Dit is evenver boven rundvleesch te verkiezen, als wildbraad boven schapenvleesch. Een groot cirkelvormig stuk wordt boven de gloeiende asch of kolen gehouden, met de huid omlaag en in den vorm van een schotel, zoodat van het vleeschnat niets verloren gaat. Indien de een of andere achtbare raadsheer uit Londen dien avond met ons gegeten had, zou het carne con cuero in die stad ongetwijfeld spoedig vermaardheid hebben gekregen.
Des nachts regende het, en de volgende dag (17 Mei) was zeer stormachtig met veel hagel en sneeuw. Wij reden dwars over het eiland naar de landtong, welke Rincon del Toro (het groote schiereiland aan de zuidwestpunt) met de rest van het eiland verbindt. Doordien een groot aantal koeien gedood zijn, zijn hier de stieren ver in de meerderheid. Deze zwerven alleen, of bij twee en drie te zamen, en zijn zeer wild. Nooit zag ik zulke prachtige beesten; in hunne forsche koppen en nekken evenaarden zij de marmeren standbeelden der Grieken. Kapitein Sulivan meldt mij, dat de huid van een stier van gemiddelde grootte 47 pounds weegt, terwijl eene minder goed gedroogde huid van dit gewicht te Montevideo als eene zeer zware wordt beschouwd. De jonge stieren loopen, bij het zien van een ruiter, in den regel een eind weg; maar de ouden verzetten geen voet, tenzij om op den ruiter toe te hollen; en vele paarden zijn zoodoende gedood. Een oude stier waadde door een modderigen stroom, en vatte recht tegenover ons post. Vruchteloos poogden wij hem te verjagen; en toen dit mislukte, waren wij verplicht een grooten omweg te nemen. Uit weerwraak daarvoor besloten de Gauchos hem te overmannen en voor het vervolg onschadelijk te maken. Het was zeer van belang te zien, hoe volkomen de kunst zegevierde over de kracht. Een lazo werd om zijn horens geworpen, toen hij op de paarden toesnelde, en een tweede om zijn achterpooten; in een minuut lag het monster machteloos tegen den grond. Wanneer een lazo eenmaal strak om de horens van een woedend dier is geworpen, schijnt het oppervlakkig niet gemakkelijk hem te ontwarren, zonder het beest te dooden; ook vrees ik dat het niet gaan zou, indien de man alleen was. Doch met behulp van een tweeden persoon, die zijn lazo zóó werpt dat de beide achterpooten worden gegrepen, is het spoedig geschied; want zoolang de achterpooten gestrekt worden gehouden, is het dier volkomen hulpeloos; en de eerste kan met zijne handen den lazo van de horens losmaken, en daarna kalm te paard stijgen. Op het oogenblik echter, dat de tweede man iets inloopt en de spanning vermindert, glijdt de lazo van de pooten van het worstelende dier, dat hierna vrij oprijst, zich schudt, en vruchteloos zijn tegenstander narent.
Op onzen ganschen tocht zagen wij slechts één troep wilde paarden. Deze dieren werden, evenals het vee, in 1764 door de Franschen ingevoerd, en hebben zich sedert dien tijd sterk vermenigvuldigd. Het is een merkwaardig feit, dat de paarden nooit het oosteinde van het eiland hebben verlaten, ofschoon geen enkele natuurlijke grens hun belet rond te zwerven, en dat gedeelte van het eiland niet aantrekkelijker is dan het overige. De Gauchos, door mij hierover ondervraagd, konden, ofschoon zij het feit bevestigden, er geen andere verklaring van geven, dan dat de paarden sterk aan een plek grond hechten waaraan zij gewend zijn. Overwegende, dat het eiland niet geheel door dieren bewoond scheen en dat er geen roofdieren waren, was ik bijzonder benieuwd te weten, wat hunne aanvankelijk snelle vermeerdering in den weg had gestaan. Dat op een begrensd eiland vroeger of later eene stoornis moet ontstaan, is onvermijdelijk; maar waarom was de vermeerdering der paarden vroeger tot staan gekomen dan die van het vee? Kapitein Sulivan heeft zich veel moeite gegeven dit voor mij te onderzoeken. De hier wonende Gauchos schrijven de oorzaak voornamelijk hieraan toe, dat de springhengsten voortdurend van de eene plek naar de andere zwerven en de merries noodzaken hen te vergezellen, onverschillig of de jonge veulens al dan niet in staat zijn te volgen. Een Gaucho vertelde aan Sulivan, dat hij een hengst een vol uur lang eene merrie had zien schoppen en bijten, tot hij haar noodzaakte haar veulen aan zijn lot over te laten. Dit merkwaardige verhaal kan kapitein Sulivan in zoover bevestigen, dat hij verscheidene malen jonge doode veulens heeft gevonden, en daarentegen nooit een dood kalf. Bovendien worden meer doode lichamen van volwassen paarden gevonden, dan van vee, alsof de eersten meer aan ziekten of ongelukken onderhevig zijn. Wegens de zachtheid van den grond bereiken hunne hoeven dikwijls een onregelmatig groote lengte; en dit veroorzaakt lamheid. De overheerschende kleuren zijn roodgrijs en ijzergrauw. Al de hier gefokte paarden, zoo tamme als wilde, zijn, ofschoon goed geëvenredigd, wat klein van stuk, en hebben zooveel kracht verloren, dat zij ongeschikt zijn om bij het vangen van wild vee met den lazo te dienen; bijgevolg moet men zich de groote kosten getroosten van versche paarden uit La Plata in te voeren. In de toekomst zal het zuidelijk halfrond waarschijnlijk zijn ras van Falklandsche ponies hebben, evenals het noordelijke zijn Shetlandsch ras.
In stede van verbasterd te zijn, zooals de paarden, schijnt het vee, gelijk wij boven opmerkten, in grootte te zijn toegenomen; ook is het veel talrijker dan de paarden. Kapitein Sulivan bericht mij, dat het vee in algemeenen lichaamsbouw en vorm der horens onderling veel minder verschilt, dan het Engelsche. In kleur verschilt het echter zeer; en het is een merkwaardig feit, dat op verschillende deelen van dit eene kleine eiland, verschillende kleuren de overhand hebben. Rondom Mount Usborne, op eene hoogte van 1000 tot 1500 voet boven de zee, zijn sommige kudden voor ongeveer de helft muis- of loodkleurig: eene tint, die op andere deelen van het eiland niet algemeen is. Bij Port Pleasant heeft donkerbruin den boventoon, terwijl ten zuiden van Straat Choiseul (welke het eiland bijna in tweeën verdeelt) het meest witte beesten met zwarte hoofden en voeten voorkomen; zwarte en enkele gevlekte dieren kan men in alle gedeelten aantreffen. Sulivan merkt op, dat het verschil in de heerschende kleuren zoo in 't oog sprong, dat, als men bij Port Pleasant naar de kudden keek, die op de heuvelhellingen weidden, zij zich op verren afstand als zwarte vlekken afteekenden, terwijl die ten zuiden van Straat Choiseul onder dezelfde omstandigheden witte vlekken geleken. Sulivan denkt, dat de kudden zich niet vermengen; en het is een zonderling feit dat het muiskleurige vee, ofschoon op het hoogland levende, ongeveer eene maand vroeger in het seizoen kalft, dan de andere gekleurde beesten op het lagere land. Het is merkwaardig het eenmaal tamme vee zich zoo te zien splitsen in drie kleuren, waarvan naar alle waarschijnlijkheid ééne kleur ten slotte over de andere zou zegevieren, indien de kudden in de eerstvolgende eeuwen ongestoord werden gelaten.
Een ander ingevoerd dier is het konijn, dat zeer wel geslaagd en nu op groote stukken van het eiland in overvloed voorkomt. Doch evenals de paarden, zijn zij binnen zekere grenzen beperkt; want zij hebben de centrale bergketen niet overschreden, en zouden zelfs niet den voet er van bereikt hebben, indien er geen kleine kolonies waren heengebracht--zooals de Gauchos mij vertelden. Ik zou niet vermoed hebben dat deze dieren, uit Noord-Afrika afkomstig, in een zoo vochtig klimaat als dit konden leven, en waar zoo weinig zonneschijn is, dat zelfs tarwe er alleen bij toeval tot rijpheid komt. Men zegt dat in Zweden, welks klimaat toch algemeen voor gunstiger zou worden gehouden, het konijn niet buitenshuis kan leven. Bovendien hadden de eerste weinige paren hier te kampen tegen vijanden, als de vos en eenige groote havikken, die al vroeger bestonden. De Fransche natuuronderzoekers hebben de zwarte variëteit voor eene bijzondere soort gehouden, en Lepus Magellanicus genoemd. [173] Zij meenden dat Magelhaen deze soort bedoelde, toen hij sprak over een dier, dat onder den naam conéjo [174] in de Straat van zijn naam voorkwam; maar hij zinspeelde op een kleine Cávia Patagonica, die door de Spanjaarden tot heden toe zoo genoemd is. [175]
De Gauchos lachten om het denkbeeld, dat de zwarte soort eene andere zou zijn dan de grijze, en zeiden, dat de eerste in elk geval haar gebied niet verder had uitgestrekt dan de tweede; dat beide nooit afzonderlijk werden gevonden; dat zij gemakkelijk paarden, en bonte nakomelingen voortbrachten. Van de laatsten bezit ik nu een exemplaar, dat, wat de kenmerken van het hoofd betreft, van de Fransche soortbeschrijving afwijkt. Dit feit getuigt hoe voorzichtig natuuronderzoekers moeten zijn met het maken van soorten; want zelfs Cuvier dacht, toen hij den schedel van een dezer konijnen bekeek, dat het waarschijnlijk eene andere soort was!