Part 19
Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn voor het leven der grootere viervoeters, niet lang geleden zich even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide halfronden verdelgde. Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook de Macrauchenia in het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft, die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium en de andere Edentata uitroeide? Wat de verdelging van den kleinen tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte, alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië tot aan de Behring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende kleine Edentata van hunne talrijke reusachtige prototypen? In de lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend, als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.
Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier: herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op treffender wijze gebleken, dan in Amerika, waar de Europeesche dieren gedurende de paar laatste eeuwen in 't wild loopen. In den natuurstaat teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden; maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke gevolgtrekking, dat in 't algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.
In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch, hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven [165] tusschen eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers opgemerkt hebben, nog treffender in de opvolgende tertiaire lagen, waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven beschouwd is. Indien dus--wat waarschijnlijk lijkt--soorten eerst zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd, zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen is hoe en wanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien--hoewel niet in staat de juiste oorzaak aan te wijzen--dat in hetzelfde district de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.
Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig waren. Toegeven, dat soorten in 't algemeen zeldzaam worden voordat zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt te bestaan--schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft, en gelooven dat hij door geweld stierf.
HOOFDSTUK IX.
DE SANTA CRUZ, PATAGONIË EN DE FALKLANDS-EILANDEN.
[13 April 1834.]
De Beagle ankerde in de monding van de Santa Cruz, eene rivier omstreeks 60 mijlen ten zuiden van Port St.-Julian gelegen. Gedurende zijne laatste reis, voer kapitein Stokes haar 30 mijlen op, maar was, wegens gebrek aan levensmiddelen, verplicht terug te keeren. Behalve hetgeen destijds ontdekt werd, was omtrent deze groote rivier nagenoeg niets bekend. Kapitein Fitz-Roy besloot nu haren loop te volgen, voorzoover de tijd het toeliet. Op den 18den voeren drie walvischbooten uit, met leeftocht voor drie weken, terwijl de bemanning, uit 25 koppen bestaande, sterk genoeg was om desnoods eene bende Indianen te weerstaan. Door een sterk vloedtij en fraai weder begunstigd, legden wij een flinken weg af, dronken spoedig wat van het zoete water, en waren tegen den avond bijna boven den invloed van het getij. De rivier bezat hier eene grootte en een aanblik, die zelfs op het hoogste punt dat wij later bereikten, bijna niet verminderden. Zij was in 't algemeen 300 tot 400 yards breed, en in het midden ongeveer 17 voet diep. De snelheid van den stroom, die over zijn geheelen loop van 4 tot 6 knoopen in 't uur aflegt, is wellicht zijne merkwaardigste eigenschap. Het water bezit eene fraaie blauwe kleur, maar met eene lichte melkachtige tint, en is niet zoo doorschijnend als men op 't eerste gezicht wel zou verwachten. De stroom vloeit door een bed van kiezelsteenen, zooals die waaruit de oevers en de omringende vlakten bestaan, en slingert zich in bochten door eene vallei, die zich lijnrecht naar het westen uitstrekt. De breedte dezer vallei wisselt af tusschen 5 en 10 mijlen, en wordt begrensd door trapvormige terrassen, die zich op de meeste plaatsen boven elkander tot 500 voet hoogte verheffen, en aan beide zijden eene merkwaardige overeenkomst bezitten.
[19 April.]
Tegen zulk een sterken stroom op te roeien of te zeilen was natuurlijk volstrekt onmogelijk; daarom werden de drie booten met boeg aan achtersteven gekoppeld; en nadat in elk een man was achtergelaten, gingen de overigen aan land om te trekken. Daar de algemeene regelingen, door kapitein Fitz-Roy gemaakt, zeer geschikt waren om het werk van allen te verlichten en omdat elk er aan deelnam, zal ik het stelsel beschrijven. De troep, met inbegrip van allen, werd in twee ploegen verdeeld, die elk om beurten anderhalf uur aan de lijn trokken. De officieren van elke boot werkten mede, aten hetzelfde voedsel en sliepen in dezelfde tent als hun scheepsvolk, zoodat elke boot geheel onafhankelijk was van de andere. Na zonsondergang werd de eerste effen plek, waar eenig struikgewas groeide, voor ons nachtverblijf gekozen. Elk man van het scheepsvolk nam op zich beurt om beurt kok te zijn. Onmiddellijk werd de boot aan land getrokken; de kok maakte vuur; twee anderen sloegen de tent op; de bootsman haalde het noodige uit de boot; de anderen brachten dit naar de tenten en zamelden brandhout. Door deze regeling was in anderhalf uur alles voor den nacht gereed. Een wacht van twee man en een officier stond altijd op post, wier taak het was op de booten te letten, het vuur aan te houden en tegen de Indianen te waken. Elk van den troep had iederen nacht zijn uur wacht.
Gedurende dezen dag trokken wij slechts een kleinen afstand; want er waren vele eilandjes, met doornboschjes bedekt, en de tusschenliggende kanalen waren ondiep.
[20 April.]
Wij gingen voorbij de eilanden en trokken verder. Ofschoon onze geregelde dagelijksche tocht zeer inspannend was, vorderden wij gemiddeld slechts tien mijlen in rechte lijn, op eene weglengte van misschien 15 of 20. Voorbij de plek waar wij den vorigen nacht sliepen, is de streek volslagen onbekend land; want het was dáár dat kapitein Stokes den terugtocht aannam. Van verre zagen wij een dichten rook; en tevens het geraamte van een paard vindende, begrepen wij dat er Indianen in de nabijheid waren. Op den morgen van den 21sten werden sporen van een troep paarden en sleepstrepen van chuzos of lange speren op den grond ontdekt. Algemeen dachten wij, dat de Indianen ons des nachts verkend hadden. Kort daarna kwamen wij aan eene plek, waar uit de versche voetstappen van volwassenen, kinderen en paarden bleek, dat de troep de rivier was overgetrokken.
[22 April.]
De streek bleef dezelfde en was uiterst onbelangwekkend. De volkomen gelijkheid van producten door het geheele land is een van Patagonië's treffendste kenmerken. De effene vlakten van dorre keien bevatten dezelfde onontwikkelde en dwergachtige planten; en in de dalen groeien dezelfde doornboschjes. Overal zien wij dezelfde vogels en insecten. Zelfs de oevers der rivier en van de heldere daarin uitloopende stroompjes werden nauwelijks door eene helderder tint van groen verlevendigd. De vloek van onvruchtbaarheid rust op het land; en het water dat door een bed van kiezelsteenen vloeit, deelt in denzelfden vloek. Zoodoende is het getal watervogels zeer beperkt; want in den stroom dezer dorre rivier is niets om het leven te onderhouden.
Arm als Patagonië in sommige opzichten is, zoo kan het echter op een grooteren voorraad kleine knaagdieren bogen, [166] dan mogelijk elk ander land ter wereld. Verscheidene soorten muizen kenmerken zich uiterlijk door groote, dunne ooren en een zeer fijnen pels. Deze diertjes zwerven tusschen de kreupelboschjes in de dalen, waar zij maanden lang geen druppel water kunnen proeven, behalve den dauw. Zij schijnen allen kannibalen te zijn; want nauwelijks was er een muis in een mijner vallen gevangen, of zij werd door andere verslonden. Een kleine en fijngebouwde vos, die ook zeer talrijk is, vindt waarschijnlijk zijn geheele bestaan in deze kleine dieren. Ook het guanaco is hier thuis: troepen van 50 of 100 dieren waren aan de orde van den dag, en zooals ik gezegd heb, zagen wij er een, die minstens 500 bevatte. De puma, gevolgd door den condor en andere aasgieren, jaagt en aast op deze dieren. De voetstappen van den puma zag men bijna overal op de oevers der rivieren; en de overblijfsels van verscheidene guanaco's met ontwrichte halzen en gebroken beenderen, bewezen hoe zij den dood hadden gevonden.
[24 April.]
Evenals de oude scheepvaarders wanneer zij een onbekend land naderden, onderzochten en bespiedden wij het geringste teeken van verandering. Een aangespoelde boomstam of een rolblok van overoud gesteente werd met evenveel vreugde begroet, alsof wij een woud op de helling van de Cordilleras hadden gezien. Het meest belovende teeken echter was de top van een zware wolkbank, die voortdurend op éene plaats bleef, en die werkelijk een voorbode bleek te zijn. Eerst werden de wolken ten onrechte voor de bergen zelve aangezien, in plaats van voor dampmassa's, die door hunne ijzige toppen verdicht waren.
[26 April.]
Dezen dag ontdekten wij eene merkbare verandering in den geologischen bouw der vlakten. Sedert wij het eerst op weg gingen, had ik het grofzand in de rivier zorgvuldig onderzocht, en in de twee laatste dagen de aanwezigheid van enkele kleine zeer cellige basaltsteenen opgemerkt. Deze namen trapswijze in aantal en grootte toe, doch geen enkel was zoo groot als een menschenhoofd. Maar dezen morgen werden diezelfde basaltsteenen, ofschoon dichter en vaster, plotseling overvloedig; en na verloop van een half uur zagen wij op een afstand van 5 of 6 mijlen den hoekigen rand van een groot basaltterras. Toen wij den voet er van bereikten, zagen wij den stroom tusschen de gevallen blokken borrelen. Over de volgende 28 mijlen werd de loop der rivier door deze basaltmassa's belemmerd. Voorbij dit punt kwamen ook reusachtige klompen van overoud gesteente, afkomstig van de omringende rolsteenformatie, in groot aantal voor. Geen enkel brok van eenige aanzienlijke grootte was meer dan 3 of 4 mijlen van den gemeenschappelijken oorsprong de rivier afgedreven. Let men op de ongewone snelheid van het groote watervolume in de Santa Cruz, waarin nergens stille gedeelten voorkomen, dan is dit wel een der treffendste voorbeelden van het onvermogen der rivieren om brokken van zelfs matige grootte te vervoeren.
Het basalt is slechts lava, die onder de zee is gevloeid; maar de uitbarstingen moeten op de allergrootste schaal geschied zijn. Ter plaatse waar wij deze formatie het eerst vonden, was zij 120 voet dik; de rivier opwaarts volgend, steeg de oppervlakte onmerkbaar en werd de laag dikker, zoodat zij 40 mijlen boven het eerste punt 320 voet dik was. Hoe groot de dikte was nabij de Cordilleras, kon ik niet bepalen, maar het terras bereikt daar eene hoogte van omstreeks 3000 voet boven den zeespiegel. In die groote bergketen moeten wij dus den oorsprong van het basalt zoeken; en stroomen die honderd mijlen ver over den zacht hellenden zeebodem vloeiden, zijn zulk een oorsprong waardig. Bij den eersten blik op de basaltklippen aan weerszijden van de vallei, was te zien dat de lagen eenmaal vereenigd waren. Welke kracht was dan in staat over eene groote uitgestrektheid land een vaste, zeer harde steenmassa te verwijderen, die eene gemiddelde dikte had van omtrent 300 voet, en eene breedte van bijna 2 tot 4 mijlen? Ofschoon de rivier zoo weinig vermogen bezit om zelfs onaanzienlijke brokken te vervoeren, zou zij toch in den loop der eeuwen door gestadige afknaging eene werking kunnen voortbrengen, waarvan de omvang moeilijk te schatten is. Maar afgescheiden van het onbeteekenende van zulk eene werking, kunnen in dit geval goede redenen worden aangewezen voor de meening, dat deze vallei eenmaal door een zeearm werd ingenomen.
Het is niet noodig in dit werk de bewijsgronden uit te meten, die tot deze gevolgtrekking voeren, afgeleid als zij is uit den vorm en de natuur der trapvormige terrassen aan weerszijden van de vallei; uit de manier waarop de bodem der vallei nabij de Andes zich uitbreidt tot een groote delta-vormige vlakte met zandheuvels er op, en uit het voorkomen van enkele zeeschelpen in de rivierbedding. Indien ik ruimte had, kon ik bewijzen dat Zuid-Amerika hier vroeger door eene straat werd afgesneden, die, evenals de Straat van Magelhaen, de Atlantische en Stille Oceanen verbond. Intusschen kan gevraagd worden, hoe dat vaste basalt verwijderd werd. Eertijds zouden geologen de hevige werking van een overweldigenden moddervloed of ijsbreuk in 't spel hebben gebracht; maar in dit geval zou zulk een onderstelling geheel onaannemelijk zijn, omdat dezelfde trapvormige vlakten met bestaande zeeschelpen aan haar oppervlak, die aan de lange Patagonische kustlijn liggen, zich ophoogen aan elken kant der Santa Cruz-vallei. Geen denkbare vloedwerking kon het land dien vorm hebben gegeven, noch binnen de vallei, noch langs de opene zeekust; en door de vorming van zulke trapvormige vlakten of terrassen is de vallei zelve uitgehold. Ofschoon wetende, dat er getijden zijn, die met eene snelheid van acht knoopen in 't uur door de engten der Straat van Magelhaen loopen, moeten wij bekennen, dat wij bijna duizelen bij de gedachte aan het aantal jaren, die de getijden, eeuw in eeuw uit, zonder hulp van eene zware branding, noodig moeten gehad hebben, om zulk eene uitgestrekte en dikke laag van vaste basaltlava af te knagen. Nochtans moeten wij gelooven, dat de lagen, door het water dezer oude straat ondermijnd, in groote stukken werden gebroken, en dat deze, op de oevers verspreid, eerst werden herleid tot kleinere brokken, daarna tot kiezelsteenen, en eindelijk tot de fijnste ontastbare modder, die de getijden naar de Oostelijke of Westelijke Oceanen dreven.
Tegelijk met de verandering in den geologischen bouw der vlakten, veranderde ook het kenmerk van het landschap. Toen ik door eenige nauwe en rotsachtige engten doolde, kon ik mij bijna verbeelden weer in de dorre valleien van het eiland St.-Jago verplaatst te zijn. Onder de basaltrotsen vond ik eenige planten, die ik nergens elders had gezien; maar andere herkende ik als zwervers uit Vuurland. Deze poreuze gesteenten dienen als vergaarbakken voor het schaarsche regenwater; en zoo kwam het, dat op de grensscheiding tusschen vulkanische en sedimentaire [167] formaties eenige kleine bronnen (hoogst zeldzame verschijningen in Patagonië) ontsprongen, die zich van verre aan de omringende kluitjes van licht groen gras onderscheiden lieten.
[27 April.]
De rivierbedding werd iets smaller en daardoor de stroom sneller. Hij liep hier met een gang van zes knoopen in het uur. Om deze reden, en ook om de vele groote hoekige brokken werd het trekken van de booten tegelijk gevaarlijk en vermoeiend.
Dezen dag schoot ik een condor, metende tusschen de beide vleugeltoppen acht en een halven, en van den bek tot aan den staart vier voet. Deze vogel heeft, zooals men weet, eene ruime geographische verspreiding, want men vindt hem aan de westkust van Zuid-Amerika, van de Straat van Magelhaen langs de Cordilleras tot acht graden benoorden den evenaar. De steile rots bij de monding van de Rio Negro is de noordelijke grens op de Patagonische kust, waar zij omtrent 400 mijlen van de groote middellijn hunner woonplaats op de Andes zijn afgedwaald. Verder zuidelijk, tusschen de steile afgronden aan het hoofd van Port Desiré, is de condor niet zeldzaam; maar slechts enkele zwervers bezoeken nu en dan de zeekust. Deze vogels bewonen ook eene klipreeks bij den mond der Santa Cruz; en omstreeks 80 mijlen de rivier op, waar de vallei door steile basaltrotsen wordt omzoomd, verschijnt de condor opnieuw. Naar deze feiten te oordeelen, schijnen de condors loodrechte klippen te behoeven. In Chili bezoeken zij gedurende het grootste deel des jaars het lagere land bij de stranden van den Stillen Oceaan, waar vele des nachts te zamen in een boom slapen; maar vroeg in den zomer trekken zij zich naar de ongenaakbaarste deelen der centrale Cordilleras terug, om hier rustig te broeden.
Wat de voortteling betreft, deelde het landvolk in Chili mij mede, dat de condor geen soort van nest maakt, maar in de maanden November en December twee groote witte eieren op eene naakte rotsplaat legt. Men zeide, dat de jonge condors een geheel jaar lang niet kunnen vliegen; en lang nadat zij het kunnen, slapen zij des nachts en jagen over dag met hunne ouders. De oude vogels leven meest paarsgewijze; maar tusschen de landwaarts in gelegen basaltklippen van de Santa Cruz vond ik eene plek, waar zij zich gewoonlijk in troepen van een twintigtal of meer ophouden. Eens, aan den rand van een afgrond komende, werd ik plotseling door het fraaie schouwspel verrast van een twintig tot dertig dezer groote vogels statig van hunne rustplaats te zien opstijgen, en in prachtige kringen wegzweven. Naar de hoeveelheid mest op de rotsen te oordeelen, hadden zij deze klip zeker langen tijd voor slapen en broeden bewoond. Wanneer zij zich in de vlakte omlaag aan aas hebben verzadigd, trekken zij naar deze geliefkoosde verblijven om hun voedsel te verteren. Om deze feiten moet de condor, evenals de gallinazo, tot op zekere hoogte als een gezelligen vogel worden beschouwd.
In dit deel van het land leven zij geheel van de guanaco's, die een natuurlijken dood gestorven zijn, of, zooals meer algemeen gebeurt, die door de puma's zijn gedood. Naar wat ik in Patagonië gezien heb, geloof ik, dat zij in gewone omstandigheden hunne dagelijksche tochten niet ver van hunne geregelde slaapplaatsen uitstrekken.
Dikwijls ziet men de condors op groote hoogte in de sierlijkste kringen boven eene bepaalde plek zweven. [168] Ik ben zeker, dat zij dit in sommige gevallen uit vermaak doen; maar de Chileensche landman zegt u, dat zij in andere gevallen een stervend dier bespieden, of den puma als hij bezig is zijne prooi te verslinden. Als de condors neerstrijken, en dan plotseling alle tegelijk opvliegen, weet de Chileen, dat de puma in de nabijheid is, die het lijk bespiedende, uit zijn schuilhoek is gesprongen om de roovers te verjagen. Behalve dat zij op aas teren, vallen de condors dikwijls jonge geiten en lammeren aan; en de schaapherdershonden zijn er op afgericht, om, als zij voorbij vliegen, naar buiten te rennen en met den kop omhoog, heftig te blaffen.
De Chileenen vangen en dooden hen in menigte. Daarbij zijn twee methoden in gebruik: de eene is, dat men een lijk op een vlak stuk grond legt binnen eene omheining van stokken, waarin eene opening is; en dan, als de condors verzadigd zijn, te paard naar den ingang draaft en hen op die wijs insluit; want als deze vogel geen ruimte heeft om te loopen, kan hij zijn lichaam geen voldoende aanloop of hoeveelheid van beweging geven, om van den grond op te stijgen. De tweede methode is, dat men de boomen merkt waarin zij dikwijls ten getale van vijf of zes slapen, en dan des nachts hierin klimt om hen te strikken. Zij zijn zulke vaste slapers--zooals ik zelf heb waargenomen--dat deze wijze van vangen niet moeilijk is. Te Valparaiso heb ik een levenden condor voor sixpence zien verkoopen; maar de gewone prijs is 8 tot 10 shillings. Een, dien ik zag binnenbrengen, was met een touw gebonden en zeer gehavend; doch nauwelijks was het touw doorgesneden waarmede zijn bek was dichtgemaakt, of hij begon, trots al het volk om hem heen, vraatzuchtig een stuk aas te verscheuren. In een tuin op dezelfde plaats hield men twintig tot dertig levende condors, die slechts eens in de week gevoed werden, maar toch zeer welvarend schenen. [169] De Chileensche landlieden zeggen, dat de condor vijf tot zes weken kan leven zonder eten, en toch zijne kracht behoudt. Voor de waarheid hiervan kan ik niet instaan; maar het is zeer waarschijnlijk, dat deze wreede proefneming gedaan is.