Part 18
Denzelfden avond ging ik aan land. Het eerste landen in eene nieuwe streek is zeer belangwekkend, en vooral wanneer, zooals nu, het geheele landschap den stempel draagt van een scherp omlijnd en eigendommelijk karakter. Ter hoogte van 2 tot 300 voet boven eenige porfiergesteenten strekte zich eene groote vlakte uit, die inderdaad kenmerkend is voor Patagonië. De oppervlakte is geheel effen en bestaat uit ronde keisteenen, vermengd met eene witachtige aarde. Hier en daar verspreid groeien bosjes bruin dradig gras, en nog spaarzamer eenige lage doornboschjes. Het klimaat is droog en aangenaam; en de fraaie blauwe lucht wordt maar zelden verdonkerd. Staat men midden op een dezer verlaten vlakten en wendt men den blik naar de landzijde, dan wordt het uitzicht in 't algemeen begrensd door de steilte van eene andere vlakte, welke iets hooger, maar even effen en verlaten is; en in elke andere richting is de horizon onduidelijk door de trillende luchtspiegeling, die uit de verhitte oppervlakte schijnt voort te komen.
In zulk eene streek was het lot der Spaansche nederzetting weldra beslist: de droogte van het klimaat gedurende het grootste deel van het jaar, en nu en dan de vijandelijke aanvallen der zwervende Indianen, noodzaakten de kolonisten hunne halfvoltooide woningen te verlaten. Niettemin toont de stijl waarin zij waren aangelegd, Spanje's krachtige en onbekrompen hand in oude tijden. De uitslag van alle pogingen om dit deel van Amerika ten zuiden van 41° breedte te koloniseeren, is ellendig geweest. Port Famine drukt door haar naam, Hongerhaven, het kwijnend en vreeselijk lijden uit van vele honderden ongelukkige lieden, van wie slechts één in 't leven bleef, om hunne rampen te vertellen. Bij St.-Jozef's Baai, aan de Patagonische kust, werd eene kleine kolonie gevestigd; maar op een Zondag deden de Indianen een aanval en vermoordden de geheele nederzetting, behalve twee mannen, die vele jaren in gevangenschap bleven. Aan de Rio Negro sprak ik met een dezer mannen, die nu op zeer hoogen leeftijd is.
De Zoölogie van Patagonië is even beperkt als zijne Flora. [161] Op de dorre vlakten kon men een paar zwarte kevers (Heteromera) langzaam zien rondkruipen; en soms schoot een hagedis langs ons heen. Van vogels vonden wij drie aas-valken, en in de dalen enkele vinken en insecten-eters. Een ibis (Theristicus melanops--eene soort die, naar men zegt, in Midden-Afrika gevonden wordt) is op de eenzaamste gedeelten niet zeldzaam. In hunne magen vond ik sprinkhanen, krekels, kleine hagedissen en zelfs schorpioenen. [162] Den eenen tijd van het jaar trekken deze vogels rond in troepen, op een anderen bij paren; hun kreet is zeer luid en zonderling, evenals het gehinnik van het guanaco.
Het guanaco, of wilde lama, is de kenmerkende viervoeter der Patagonische vlakten en tevens de Zuidamerikaansche plaatsvervanger van den kameel in het oosten. In natuurstaat is het een fraai dier, met langen ranken hals en fijne pooten. Het komt veel voor in alle gematigde deelen van het vasteland: in 't zuiden tot aan de eilanden bij Kaap Hoorn. Meestal leeft het in kleine troepen, van zes tot dertig stuks elk; maar aan de oevers der Santa Cruz zagen wij een troep, die er minstens 500 moet hebben geteld.
In het algemeen zijn deze dieren wild en uiterst op hunne hoede. Mr. Stokes vertelde mij, dat hij door een kijker eens een troep van deze dieren, die blijkbaar verschrikt waren, in vollen ren had zien wegloopen, ofschoon hun afstand zoo groot was, dat hij hen met het bloote oog niet kon onderscheiden. De jager ontvangt dikwijls het eerste sein van hunne tegenwoordigheid, doordien hij op verren afstand hun eigenaardigen, schellen, hinnikenden alarmkreet hoort. Indien hij dan goed kijkt, zal hij den troep waarschijnlijk op eene rij zien staan aan den kant van een afgelegen heuvel. Komt men dichter bij, dan worden nog eenige schelle kreten geuit, en verwijderen zij zich in een schijnbaar langzamen, doch inderdaad snellen galop, langs een smal gebaand pad naar een naburigen heuvel. Zoo hij echter toevallig eensklaps een enkelen of velen tegelijk ontmoet, zullen zij meestal roerloos blijven staan en hem opmerkzaam aanzien; dan misschien een paar yards wegloopen, zich omkeeren, en weer kijken. Wat is de oorzaak van dit verschil in hunne schuwheid? Zien zij van verre een mensch voor hun hoofdvijand, den puma, aan? Of wint de nieuwsgierigheid het van hunne beschroomdheid? Dat zij nieuwsgierig zijn, is zeker; want als iemand op den grond ligt en zonderlinge potsen maakt, bijv. door zijn voet in de hoogte te steken, zullen zij bijna altijd dichter bij komen, om hem te verkennen. Deze kunstgreep werd herhaaldelijk door onze jagers met geluk toegepast, en had bovendien het voordeel, dat verscheidene schoten gelost konden worden, welke alle werden opgevat als tot het spel behoorende. Op de bergen van Tierra del Fuego (Vuurland) heb ik meer dan eens een guanaco gezien, dat, als men het naderde, niet alleen hinnikte en gilde, maar op bijna belachelijke manier steigerde en sprong, schijnbaar tartend, als gold het eene uitdaging. Deze dieren worden zeer gemakkelijk getemd; en in Noord-Patagonië heb ik eenige gezien, die zelfs zonder toezicht of dwang in de nabijheid van een huis werden gehouden. In dezen staat zijn zij zeer driest en vallen licht een mensch aan door hem met beide knieën van achteren te stooten. Naar men beweert is de beweegreden tot deze aanvallen jaloezie ten opzichte van hunne wijfjes. De wilde guanaco's denken echter aan geen verdediging: zelfs één enkele hond zal een dezer groote dieren in bedwang houden, totdat de jager opdaagt. In vele hunner gewoonten zijn zij als schapen in eene kudde. Zien zij bijv. in verschillende richtingen mannen te paard naderen, dan worden zij spoedig verbijsterd en weten niet naar welken kant te vluchten. Dit maakt de Indiaansche manier van jagen zeer gemakkelijk; want zoo worden zij licht naar een middenpunt gedreven en omsingeld.
De guanaco's gaan gereedelijk te water; te Port Valdos zag men hen vaak van het eene eiland naar het andere zwemmen. Byron zegt in zijn reisverhaal, dat hij hen zout water zag drinken. Ook zagen eenige Engelsche officieren bij Kaap Blanco eene kudde, die de zoute vloeistof uit eene salina scheen te drinken. Ik denk, dat, als zij in verschillende deelen van dit land geen zout water drinken, zij in 't geheel geen water drinken. Op het midden van den dag rollen zij herhaaldelijk in schotelvormige holten in het zand. De mannetjes vechten samen: eens gingen twee mij voorbij, die gillend elkander trachtten te bijten; en verscheidene werden geschoten, wier huid diep gekorven was. Soms schijnen er kudden op ontdekkingstochten uit te gaan; te Bahia Blanca, waar deze dieren binnen 30 mijlen van de kust uiterst zeldzaam zijn, zag ik eens de sporen van 30 of 40 stuks, die in rechte lijn naar eene modderige zoutwater-kreek waren gegaan. Zij moeten toen bespeurd hebben, dat zij de zee naderden; want met de regelmatigheid eener afdeeling cavalerie hadden zij zich omgewend, en waren in eene even rechte lijn teruggekeerd als dat zij gekomen waren. De guanaco's hebben eene zonderlinge gewoonte, die mij geheel onverklaarbaar is, namelijk: dat zij dagen achtereen hun mest op denzelfden bepaalden hoop laten vallen. Ik zag een dezer hoopen, welke acht voet in middellijn was en eene groote hoeveelheid stof bevatte. Volgens A. d'Orbigny is deze gewoonte aan alle soorten van het geslacht eigen; voor de Peruaansche Indianen, die den mest als brandstof gebruiken, is zij zeer nuttig, en wordt hun zoodoende de moeite bespaard van hem te verzamelen.
De guanaco's schijnen lievelingsplekken te hebben om te gaan liggen sterven. Aan de oevers van de Santa Cruz was de grond op zekere beperkte ruimten, die meestal heesterachtig en alle bij de rivier gelegen waren, letterlijk wit van de beenderen. Op ééne plek telde ik tusschen de 10 en 20 hoofden. In 't bijzonder onderzocht ik de beenderen; zij schenen niet, zooals sommige die ik hier en daar verspreid had gezien, afgeknaagd en gebroken, alsof zij door roofdieren hierheen waren gesleept. In de meeste gevallen moeten deze dieren, vóór hun sterven, onder en tusschen de struiken doorgekropen zijn. Bynoe meldt mij, dat hij op eene vorige reis hetzelfde feit aan de oevers van de Rio Gallegos waarnam. Ik begrijp volstrekt niet de reden hiervan, maar wil opmerken, dat de gewonde guanaco's aan de Santa Cruz onveranderlijk naar de rivier liepen. Op Sint-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden herinner ik mij in een ravijn een afgelegen hoek gezien te hebben, die met geitenbeenderen bedekt was; wij zeiden toen, dat dit de begraafplaats van alle geiten op het eiland was. Ik vermeld deze beuzelachtige omstandigheden, omdat zij in sommige gevallen wellicht het voorkomen kunnen verklaren van een aantal ongeschonden beenderen in een hol, of van die welke onder alluviale ophoopingen begraven liggen; alsook de reden waarom sommige dieren meer in sedimentaire lagen bedolven liggen, dan andere.
Op zekeren dag werd de jol onder bevel van Chaffers met drie dagen leeftocht uitgezonden, om het bovendeel der haven op te meten. Des morgens spoorden wij eenige op een oude Spaansche kaart vermelde plaatsen op, om water in te nemen. Wij vonden een kreek, en aan het boveneind daarvan een druppelend beekje brak water--het eerste dat wij hier zagen. Hier noodzaakte het getij ons verscheidene uren te wachten; en in dien tusschentijd wandelde ik eenige mijlen het land in. Als gewoonlijk bestond de vlakte uit grof zand, vermengd met grond, die op 't oog kalk geleek, doch in werkelijkheid er zeer van verschilde. Door de zachtheid dezer stoffen waren in den bodem vele greppels ontstaan. Er was geen enkele boom; en behalve het guanaco, dat als schildwacht over zijne kudde op een heuveltop stond, was bijna geen enkel dier of vogel te zien. Overal stilte en verlatenheid. Toch wordt, als men door deze landschappen zonder zichtbare afwisseling gaat, een onbestemd maar sterk en levendig gevoel van blijdschap in ons opgewekt. Iemand vroeg mij hoeveel eeuwen de vlakte in dien staat verkeerd had, en hoeveel andere zij nog gedoemd was zoo te blijven:
Niemand kan antwoorden; nu schijnt zij eeuwig. De wildernis heeft eene geheimzinnige taal, Die ontzagwekkend twijfelen leert.
(Shelley, regels op den Mont-Blanc.)
Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers de dingey, [163] en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was, zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden, waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de wijde vlakte.
Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van het rotsblok een groot stuk los te maken en op den stapel te werpen, zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn), want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt, dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot, naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof, dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen, vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid hebben als nu de Vuurlanders, en dus in 't algemeen in de nabijheid der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar hunne oude begraafplaats op de kust.
[9 Januari.]
Vóór het donker was, ankerde de Beagle in de fraaie ruime haven van Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water, en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van een heuvel (sedert Thirsty Hill of Dorstige Heuvel genoemd) werd een fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ook de reden zij--zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water, bij het hoofd der baai, een niet geheel dooden Colymbetes, die in een niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten (een Cincindella als bastaard, een Cymindis en een Harpalus, die alle op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd), en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt, vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.
De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa, waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben, vinden wij hier over honderden mijlen kustland ééne groote afzetting, in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel in volume uit infusoria bestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30 zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian is hare dikte meer dan 800 voet! Deze witte beddingen zijn overal bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op 200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!
Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa's op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, en lang na de vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!
In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland--een afstand van 1200 mijlen--is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300 en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen van klippen en steilten vormde, die de verschillende als terrassen achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust, zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog, en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd, dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400 voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500 voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van 40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn, om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig samengestelde kust van Patagonië!
Te Port St.-Julian [164] vond ik in eene roode modderlaag, die het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van de Macrauchenia Patagonica: een merkwaardigen viervoeter, die zoo groot was als een kameel. Hij behoort tot dezelfde afdeeling der Pachydermata als de rhinoceros, de tapir en het palaeotherium; maar in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot het guanaco en de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn vóór het afzetten van de modder waarin de Macrauchenia begraven was, blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15' in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei geleefd kon hebben; maar de verwantschap van de Macrauchenia tot het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten, verklaart deze moeilijkheid ten deele.
De, ofschoon verre, verwantschap tusschen de Macrauchenia en het guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap tusschen de vele uitgestorvenen Edentata en de levende luiaards, miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten van Ctenomys en Hydrochoerus--zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt verwonderlijk--even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven Buideldieren van Australië--uit de groote verzameling, die onlangs door Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris, guanaco's, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen, alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde vasteland tusschen de dooden en de levenden zal, ongetwijfeld, later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse van feiten.
Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en verdwenen Pachydermata geweten had, zou hij met meer schijn van waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle, leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.
Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In 't eerst is de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken; maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië, Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.