De Reis om de Wereld

Part 17

Chapter 173,814 wordsPublic domain

Ik nam in rechte lijn den terugtocht naar Montevideo aan. Daar ik gehoord had, dat zich in eene naburige pachthoeve aan den Sarandis (een kleine stroom, die in de Rio Negro vloeit) eenige reusachtige beenderen bevonden, reed ik er heen, vergezeld van mijn gastheer, en kocht het hoofd van een Toxodon voor den prijs van 18 pence. [150] Toen dit gevonden werd, was het in gaven staat; maar de jongens sloegen er met steenen eenige tanden uit en zetten toen het hoofd overeind om er op te mikken. Tot mijn groot geluk vond ik een gaven tand, welke juist in eene der holten van dezen schedel paste, die zelf ongeveer 180 mijlen ver van deze plek aan de oevers van de Rio Tercero in den grond was gevonden. Nog op twee andere plaatsen vond ik overblijfsels van dit buitengewone dier, zoodat het in vroeger tijd algemeen moet zijn geweest. Ook vond ik hier eenige groote stukken van het pantser van een reusachtig armadil-achtig dier, en een gedeelte van het groote hoofd van een Mylodon. De beenderen van dit dier zijn zoo versch, dat zij volgens onderzoek van T. Reeks 7% dierlijke stof bevatten; en in eene spirituslamp geplaatst, branden zij met eene kleine vlam. Het aantal overblijfsels, begraven in de groote delta-afzetting, die de Pampas vormt en het graniet-gesteente van Oost-Banda bedekt, moet buitengewoon groot zijn. Ik houd het er voor, dat elke rechte lijn door de Pampas getrokken, door een skelet of beenderen zou gaan. Behalve die, welke ik op mijne korte uitstappen vond, hoorde ik spreken van vele andere; en de oorsprong van zulke namen, als: De Dierenstroom, De Reuzenberg, enz., is duidelijk. Op andere tijden hoorde ik van de wonderlijke eigenschap van sommige rivieren, die het vermogen hadden kleine beenderen in groote te veranderen: of, zooals sommigen beweerden, dat de beenderen zelven groeiden. Voorzoover ik weet, stierf geen dezer dieren, gelijk vroeger ondersteld werd, in de moerassen of modderige rivierbedden van het tegenwoordige land; maar hunne beenderen werden blootgelegd door de stroomen, die de onder water gevormde laag waarin zij oorspronkelijk begraven werden, doorsneden. Wij mogen besluiten, dat de geheele Pampas-oppervlakte één uitgestrekt graf is van deze uitgestorven reusachtige viervoeters.

Tegen den middag van den 28sten kwamen wij te Montevideo, na twee en een halven dag onderweg te zijn geweest. Den geheelen weg over droeg het land een zeer gelijkvormig karakter; alleen waren sommige gedeelten wat rots- en bergachtiger dan bij de hoogvlakte. Niet ver van Montevideo reden wij door het dorp Las Pietras, zoo genoemd naar eenige groote ronde syenietrotsen. De aanblik er van was vrij aardig. Enkele vijgeboomen rondom eene groep huizen, en eene ligging op eene plek honderd voet boven het algemeene niveau, mag in dit land altijd schilderachtig heeten.

Gedurende de laatste zes maanden heb ik gelegenheid gehad iets van het karakter der bewoners van deze provinciën te zien. De Gauchos of landlieden staan ver boven de bewoners der steden. Eerstgenoemde is altijd zeer voorkomend, beleefd en gastvrij: zelfs ontmoette ik geen enkel voorbeeld van ruwheid en ongastvrijheid. Hij is bescheiden, heeft achting voor zich zelf en het land, maar is tevens een moedig, vermetel man. Daarentegen worden vele rooverijen gepleegd, en wordt er veel bloed gestort; de gewoonte om altijd een mes bij zich te dragen, is van het laatste de hoofdoorzaak. Het is treurig als men hoort, hoeveel levens om beuzelachtige twisten verloren gaan. Onder het vechten tracht elke partij het gezicht van zijn tegenpartij te merken, door over zijn neus of oogen te snijden; zooals dikwijls uit de diepe en ijselijke litteekens blijkt. Rooverijen zijn een natuurlijk gevolg van het algemeene dobbelen, het vele drinken en de verregaande domheid. Te Mercedes vroeg ik twee mannen, waarom zij niet werkten. De een zeide ernstig, dat de dagen te lang waren; de ander, dat hij te arm was. Het aantal paarden en de overvloed van voedsel zijn de dood van alle nijverheid. Daarenboven zijn er zooveel feestdagen en gelooft men dat er niets kan slagen, tenzij het bij wassende maan begonnen is; zoodat de halve maand door deze twee oorzaken verloren gaat.

Politie en justitie zijn totaal machteloos. Indien een arm man een moord pleegt en gevat wordt, zal hij gevangen gezet en misschien doodgeschoten worden; maar zoo hij rijk is en vrienden heeft, kan hij er op rekenen, dat er geen zeer ernstige gevolgen uit zullen voortvloeien. Het is merkwaardig, dat de geachtste ingezetenen des lands steeds een moordenaar helpen ontsnappen; zij schijnen te denken, dat het individu tegen de Regeering en niet tegen het volk zondigt. Een reiziger heeft geen andere bescherming dan zijne vuurwapenen; en de gewoonte van deze altijd bij zich te dragen is het beste middel om talrijker rooverijen tegen te gaan.

Het karakter der hoogere en meer opgevoede klassen, die in de steden wonen, heeft, schoon in mindere mate, de goede zijden met den Gaucho gemeen, maar wordt, vrees ik, met vele andere ondeugden bezoedeld, die hem vreemd zijn. Zinnelijkheid, spotternij met allen godsdienst en de grootste verdorvenheid zijn verre van ongewoon. Bijna elk openbaar ambtenaar kan worden omgekocht. De chef van het postkantoor verkocht vervalschte rijkszegels. De gouverneur en eerste minister werkten openlijk samen om den staat te plunderen. Als er goud in 't spel kwam, had bijna niemand gerechtigheid te wachten. Ik kende een Engelschman, die naar den opperrechter ging (hij vertelde mij, dat hij, met de gebruiken der plaats niet bekend, beefde toen hij de kamer binnentrad), en zeide:

"Mijnheer, ik kom u hier 200 (papieren) dollar aanbieden (waarde omstreeks £ 5), indien u vóór een bepaalden tijd een man wilt arresteeren, die mij bedrogen heeft. Ik weet, dat het tegen de wet is; maar mijn advocaat (hij noemde dien) ried mij aan dezen stap te doen."

De opperrechter glimlachte toestemmend, bedankte hem, en nog vóor den avond was de man veilig in de gevangenis. Met dit totale gebrek aan beginsel in vele van de leidende krachten; met een land vol slecht betaalde, onrustige ambtenaren, hoopt het volk toch nog, dat een democratische regeeringsvorm kan slagen!

Bij de eerste intrede in de samenleving dezer landen treffen u twee of drie kenmerken door hunne bijzondere merkwaardigheid: de beleefde en waardige manieren, die elke klasse eigen zijn; de uitnemende smaak, dien de vrouwen in hare kleeding aan den dag leggen, en de gelijkheid onder alle standen. Aan de Rio Colorado plachten eenige mannen, die de nederigste winkels hielden, met generaal Rosas te eten. Een zoon van een majoor te Bahia Blanca verdiende zijn kost met het maken van cigaretten, en wilde mij als gids of knecht naar Buenos Aires vergezellen; maar zijn vader weigerde alléén op grond van het gevaar. Vele officieren in het leger kunnen lezen noch schrijven; toch ontmoeten zij elkander in gezelschap als gelijken. In Entre Rios bestond de Sala uit slechts zes vertegenwoordigers. Een hunner hield een gewonen winkel en werd om zijn ambt er blijkbaar niet minder om geacht. Dit alles heeft men in een nieuw land te verwachten; niettemin komt het ontbreken van gentlemen by profession een Engelschman als iets vreemds voor.

Als men over deze landen spreekt, moet de wijze waarop zij door hun onnatuurlijken bloedverwant, Spanje, zijn opgeleid, altijd in 't oog worden gehouden. Over het geheel moet men misschien meer achting hebben voor hetgeen gedaan is, dan schimpen op hetgeen er te kort komt. Onmogelijk kan men betwijfelen of het buitengewone liberalisme dezer landen zal ten slotte tot goede uitkomsten leiden. De zeer algemeene verdraagzaamheid van vreemde godsdiensten; de aandacht, die men aan de middelen van opvoeding schenkt; de vrijheid der pers; de gemakken, die aan alle vreemdelingen geboden worden, en vooral (moet ik er bijvoegen) aan elk, die ook maar de geringste aanspraak op wetenschap maakt--dit alles dient met dankbaarheid herdacht te worden door hen, die Spaansch Zuid-Amerika bezocht hebben.

[6 December.]

De Beagle zeilde de Rio Plata uit, om nooit weer haren modderigen stroom binnen te varen. Onze koers was gericht naar Port Desiré op de kust van Patagonië. Eer ik verder ga, zal ik hier eenige op zee gedane waarnemingen vermelden.

Menigmaal, toen het schip eenige mijlen van den mond der Plata, en andere keeren toen het ver van de Noord-Patagonische kust verwijderd was, zijn wij door insecten omringd geworden. Op zekeren avond, toen wij ongeveer 10 mijlen van de Baai San Bias waren, zagen wij eene menigte kapellen, die zich in troepen of zwermen van tallooze myriaden uitstrekten zoover het oog reikte. Zelfs met een kijker konden wij geen plek zien, die vrij van deze insecten was. De zeelieden zeiden, dat het witjes sneeuwde; en zoo scheen het ook werkelijk. Er was meer dan ééne species; maar het grootste aantal behoorde tot eene soort, die zeer op de gewone Engelsche Colias edusa geleek, doch niet dezelfde was. Eenige vlinders en Hymenoptera (Vliesvleugeligen) [151] vergezelden de kapellen; en een fraaie kever (Calosoma) vloog aan boord. Andere gevallen zijn bekend, dat deze kever ver in zee gevangen is; en dit is te merkwaardiger, omdat de meeste Carabidae (Loopkevers) zelden of nooit opvliegen. Het was een fraaie en kalme dag geweest, en evenzoo daags te voren, met zwakke, afwisselende luchtbeweging. Wij kunnen dus niet aannemen, dat de insecten van land af gewaaid waren, maar moeten besluiten, dat zij vrijwillig waren opgevlogen. Oppervlakkig schijnen de groote zwermen van Colias een voorbeeld te geven gelijk aan de bekende trektochten, van eene andere kapel (Vanessa cardui) [152] maar de aanwezigheid van andere insecten maakt de zaak anders en zelfs minder verklaarbaar. Vóór zonsondergang stak een sterke bries uit het noorden op, en deze moet tienduizenden kapellen en andere insecten hebben doen omkomen.

Bij eene andere gelegenheid, toen wij 17 mijlen van Kaap Corrientes waren, had ik een net overboord geworpen om pelagische dieren te vangen. [153] Bij het optrekken vond ik er, tot mijne verbazing, een groot aantal kevers in; en hoewel in volle zee, schenen zij door het zoute water niet veel geleden te hebben. Eenige exemplaren gingen verloren; maar die, welke ik bewaarde, behoorden tot de geslachten Colymbetes, Hydroporus, Hydrobius (2 soorten), Notaphus, Cynucus, Adimonia en Scarabaeus.

Eerst dacht ik, dat deze insecten van het strand afgewaaid waren; maar overwegende, dat vier van de acht soorten in hare leefwijze uitsluitend, en twee andere gedeeltelijk waterspecies waren, scheen mij het waarschijnlijkst, dat zij door een kleinen stroom die een meer bij Kaap Corrientes afwatert, naar zee gedreven waren. In welke onderstelling ook, schijnt het toch een belangrijk feit 17 mijlen van de dichtst bij zijnde landpunt levende insecten in volle zee te zien zwemmen. Er bestaan verscheidene verhalen, dat insecten van het strand van Patagonië in zee gewaaid zijn. Kapitein Cook nam dit geval waar, en in lateren tijd evenzoo kapitein King op de Adventure. De oorzaak is waarschijnlijk toe te schrijven aan het gemis van beschutting door boomen en bergen; zoodat een vliegend insect, door eene strandbries gedreven, zeer wel naar zee gewaaid zou kunnen worden. Het belangrijkste voorbeeld, dat ik gezien heb van een insect, dat ver van land gevangen werd, was dat van een grooten sprinkhaan (Acrydium), die aan boord vloog, toen de Beagle bovenwinds van de Kaap-Verdische Eilanden was, en de dichtst bij zijnde, niet recht tegenover den passaat gelegen landpunt was Kaap Blanco aan de Afrikaansche kust, op 370 mijlen afstand. [154]

Toen de Beagle zich in den mond der Rio Plata bevond, is het tuig meermalen met het web van de herfstdraad-spin bedekt geworden. Op zekeren dag (1 November 1832) besteedde ik aan dit onderwerp al mijne aandacht. Het was fraai en helder weêr geweest, en des morgens was de lucht vol pluisjes van dat vlokkig weefsel, evenals op een herfstdag in Engeland. Het schip bevond zich 60 mijlen van het land in de richting van eene stijve hoewel zwakke bries. Groote menigten van eene kleine spin, ongeveer een tiende inch lang en van eene donkerroode kleur, waren aan de webben gehecht. Ik vermoed, dat er wel eenige duizenden stuks op het schip bijeen waren. Op het oogenblik, dat het spinnetje 't eerst met het tuig in aanraking kwam, zat het altijd op een enkelen draad, en niet op de vlokkige massa, die eenvoudig schijnt te ontstaan door de verwarring der enkele draden. De spinnen waren alle van ééne soort, maar van beide seksen en vergezeld van hare jongen. Behalve door geringere grootte, onderscheiden de laatsten zich door hare donkerder kleur. Ik zal geen beschrijving van deze spin geven, maar alleen zeggen, dat zij mij tot geen enkele van Latreille's geslachten schijnt te behooren. [155] Zoodra de kleine luchtreizigster aan boord kwam, werd zij zeer ijverig, liep rond, liet zich somtijds vallen en klom dan langs denzelfden draad weer naar boven; soms was zij bezig met het maken van een kleine en zeer onregelmatige maas in de hoeken tusschen de touwen. Zij kon gemakkelijk over het water loopen. Stoorde men haar, dan hief zij de voorpooten op, als nam zij eene afwachtende houding aan.

Terstond bij hare aankomst scheen zij zeer dorstig en dronk zij met uitgestoken kaken gretig van de druppels water: welk feit ook door Starck is waargenomen. Zou dit niet een gevolg hiervan zijn, dat het insect door een drogen en ijlen dampkring is gegaan? Zijn weefselvoorraad scheen onuitputtelijk. Terwijl ik eenigen gadesloeg, die aan een enkelen draad hingen, zag ik verscheidene malen, dat de minste luchtbeweging ze in horizontale richting uit het gezicht voerde. Bij eene andere gelegenheid (25 November) zag ik onder gelijke omstandigheden dezelfde soort kleine spin, nadat zij op eene kleine verhevenheid gezet of gekropen was, herhaaldelijk haar abdomen (onderlijf) oprichten, een draad uitschieten, en dan horizontaal wegzeilen met eene snelheid, die in 't geheel niet te bepalen was. Ik meende te kunnen bespeuren dat de spin, eer zij die voorbereidende stappen deed, hare pooten met de fijnste draden verbond, doch weet niet zeker of deze opmerking juist was.

Te Santa Fé had ik eens eene betere gelegenheid om eenige van die feiten waar te nemen. Eene spin, ongeveer 0.3 inch lang en die naar het uiterlijk in 't algemeen op een Citigradus of loopspin geleek (zij verschilde dus geheel van de herfstdraad-spin), schoot, terwijl zij op den nok van een paal stond, vier of vijf draden uit haar spintoestel. Deze in de zon glinsterende draden kon men bij divergeerende lichtstralen vergelijken; zij waren echter niet recht, maar golvend als vloszijde waarin de wind speelt. Zij waren meer dan een yard lang en liepen uit alle openingen in stijgende richting uiteen. Eensklaps liet toen de spin haar steunpunt op den paal los, en was spoedig uit het oog verdwenen. Het was heet en schijnbaar bladstil; maar onder zulke omstandigheden kan de lucht nooit zoo rustig zijn, dat zij een zoo fijnen wimpel als een spinragdraad niet in beweging brengt. Als wij op een warmen dag naar de schaduw van een voorwerp op een oever, of over eene effene vlakte naar een verwijderd baken kijken, is de werking van een opstijgenden warmen luchtstroom bijna altijd zichtbaar; men heeft opgemerkt, dat zulke opwaartsche stroomen ook blijken uit het stijgen van zeepbellen, die binnenskamers niet opgaan. Het zal dus, denk ik, niet veel moeite kosten de stijging der fijne draden, die uit het lichaam eener spin steken, en daarna die van de spin zelve te begrijpen. De divergentie of afwijking der draden heeft, geloof ik, Murray uit hun gelijknamigen electrischen toestand pogen te verklaren. Het feit, dat spinnen van dezelfde soort maar van verschillende sekse en leeftijd, in groot aantal aan hare draden gehecht, dikwijls vele leagues ver van land gevonden worden, maakt het waarschijnlijk, dat de gewoonte om door de lucht te zeilen even kenmerkend is voor dezen stam, als die van het duiken voor de Argyroneta. Wij mogen dan Latreille's onderstelling, dat de herfstdraden hun ontstaan zonder onderscheid aan de jongen van verschillende spinnengeslachten te danken hebben, verwerpen: zeker is het, dat de jongen van andere spinnen, gelijk wij gezien hebben, het vermogen bezitten om luchtreizen te doen. [156]

Op onze verschillende tochten ten zuiden der La Plata, sleepte ik dikwijls een net van vlaggedoek achteraan en ving aldus vele zeldzame dieren. Van Crustacea (Kreeftdieren) waren er vele vreemde en onbeschreven geslachten. Een, die in sommige opzichten aan de Notopoda verwant is (nl. die krabben, wier achterpooten bijna op den rug geplaatst zijn, met het doel zich aan de onderzijde der rotsen te hechten), is zeer merkwaardig om den bouw van hun achterste paar pooten. De voorlaatste geleding eindigt, in plaats van in een enkelvoudigen klauw, in drie borstelvormige aanhangsels van ongelijke lengte, waarvan het grootste zoo lang is als de geheele poot. Deze klauwen zijn zeer dun, en met de fijnste tanden bezet, die naar achteren zijn gericht; hunne gebogen einden zijn afgeplat, en op dit gedeelte bevinden zich vijf zeer kleine bekervormige organen, die schijnen te werken evenals de zuigers op de armen van den inktvisch. Daar het dier in volle zee leeft en waarschijnlijk eene rustplaats behoeft, vermoed ik, dat deze fraaie en zeer afwijkende bouw is aangepast om zich aan drijvende zeedieren vast te houden.

In diep water, ver van het land, is het aantal levende wezens uiterst gering; zuidelijk van 35° breedte, kon ik nooit iets anders vangen dan eenige beroë, [157] en enkele kleine soorten Entomostraca. [158] In meer ondiep water, op enkele mijlen afstand van de kust, treden vele soorten Crustacea benevens eenige andere dieren in groot aantal op, doch alleen gedurende den nacht. Tusschen 56° en 57° breedte, ten zuiden van Kaap Hoorn, werd het net verscheidene keeren achter uitgeworpen; maar nooit bracht het iets anders boven dan enkele exemplaren van twee uiterst kleine soorten Entomostraca. Niettemin zijn walvisschen en robben, Petervogels (Thalassidroma pelagica) [159] en albatrossen overal in dit deel van den oceaan zeer overvloedig. Het is voor mij altijd een raadsel geweest, waarvan de albatros, die ver van het strand leeft, bestaan kan; ik vermoed, dat hij, evenals de Condor, lang kan vasten, en dat één goed maal aan het lijk van een rottenden walvisch voor langen tijd genoeg is. De midden- en tusschenkeerkrings-gedeelten van den Atlantischen Oceaan wemelen van Pteropoda, Crustacea en Radiata; van hunne verslinders, de Vliegende Visschen (Exocoetus volitans); en eindelijk van de verslinders van deze, de Bonitos en Albicoros. [160] Ik veronderstel, dat de talrijke lagere pelagische dieren zich voeden met de Infusoria, die, zooals nu uit Ehrenberg's onderzoekingen bekend is, overvloedig in volle zee voorkomen. Maar waarvan leven deze infusoria in het heldere blauwe water?

Toen wij in een zeer donkeren nacht even ten zuiden van de Rio de la Plata zeilden, bood de zee een wondervol en zeer prachtig schouwspel. Er woei eene frissche bries, en elk deel van het zeeoppervlak dat men bij dag als schuim ziet, gloeide nu met een bleek licht. Het schip stuwde vóor zijn boeg twee baren vloeibaren phosphorus uit, en werd in zijn zog door een melkachtig spoor gevolgd. Zoover het oog reikte, was de kruin van elke golf helder; en door den glanzigen weerschijn dezer loodkleurige vlammen, was de lucht boven den horizon niet zoo geheel donker als onder het hemelgewelf.

Verder zuidwaarts gaande, is de zee zelden phosphoresceerend; ter hoogte van Kaap Hoorn herinner ik mij niet haar meer dan eenmaal zoo gezien te hebben en toen was het verschijnsel ver van schitterend. Deze omstandigheid staat waarschijnlijk in nauw verband met de schaarschheid aan organische wezens in dat gedeelte van den oceaan. Na het doorwrochte geschrift van Ehrenberg over het phosphoresceeren der zee, is het bijna overbodig van mijn kant eenige opmerkingen over het onderwerp te doen. Ik wil er echter bijvoegen, dat dezelfde gescheurde en onregelmatige deeltjes geleiachtige stof, door Ehrenberg beschreven, in het zuidelijk zoowel als in 't noordelijk halfrond de gemeenschappelijke oorzaak van dit phosphoresceeren schijnen te zijn. De deeltjes waren zoo klein, dat zij gemakkelijk door fijn gaas gingen; toch waren vele duidelijk met het bloote oog zichtbaar. Water, in een groot glas geschonken en geschud, gaf vonken af; maar eene kleine hoeveelheid op een horlogeglas gaf bijna nooit licht. Ehrenberg zegt, dat die deeltjes alle een zekeren graad van prikkelbaarheid behouden. Mijne waarnemingen, waarvan enkele terstond na het ophalen van het water genomen werden, gaven eene andere uitkomst. Ook wil ik het volgende vermelden: toen ik eens des nachts het net gebruikt, daarna gedeeltelijk had laten drogen, en twaalf uur later gelegenheid had het opnieuw te gebruiken, vond ik de geheele oppervlakte even helder vonkelend, als toen het pas uit het water was gehaald. Het komt mij in dit geval niet waarschijnlijk voor, dat de diertjes zoo lang in 't leven hebben kunnen blijven. Eens toen ik eene zeekwal van het geslacht Dianaea bewaarde tot zij dood was, begon het water waarin zij lag, te lichten. Ik geloof, dat als de golven met helder groene vonken schitteren, dit in 't algemeen aan kleine Crustacea is toe te schrijven. Er kan echter geen twijfel bestaan, of zeer vele andere pelagische dieren phosphoresceeren, als zij levend zijn.

Bij twee gelegenheden heb ik de zee op aanzienlijke diepte onder de oppervlakte zien lichten. Nabij de monding van de Plata blonken eenige cirkelvormige en eironde plekken, van twee tot vier yards in middellijn en met duidelijke omtrekken, in een bestendig maar bleek licht, terwijl het water er om heen slechts enkele vonken uitstraalde. Het verschijnsel geleek op eene weerspiegeling van de maan of ander lichtend voorwerp; want de randen waren gebogen door de golvingen van het zeeoppervlak. Het schip, dat 13 voet diepgang had, ging over deze plekken heen zonder er verandering in te brengen. Wij moeten dus onderstellen, dat er eenige dieren bijeengehoopt waren op grootere diepte dan de bodem van het schip.

Nabij Fernando Noronha was het lichten der zee straalvormig. Het verschijnsel geleek veel op wat men zien zou als een groote visch zich snel door eene lichtende vloeistof bewoog. Aan deze oorzaak schreven de zeelieden het toe; maar destijds koesterde ik daaromtrent eenigen twijfel wegens de talrijkheid en snelheid der stralen. Reeds heb ik opgemerkt, dat het verschijnsel veel meer algemeen is in warme dan in koude streken; en soms heb ik gemeend, dat een gestoorde electrische toestand van den dampkring de gunstigste factor voor zijn ontstaan was. Ik geloof zeker, dat het lichten der zee het sterkst is na enkele dagen van kalmer weder dan gewoonlijk, als wanneer het gewemeld heeft van allerlei dieren. Na opgemerkt te hebben, dat het met geleiachtige deeltjes bezwangerde water in een onzuiveren staat verkeert, en dat het lichtverschijnsel in alle gewone gevallen wordt voortgebracht door de beweging der vloeistof in aanraking met den dampkring, ben ik tot de beschouwing geneigd, dat de phosphorescentie het gevolg is van de ontbinding der organische deeltjes: door welk proces (bijna is men geneigd het eene soort ademhaling te noemen) de zee gezuiverd wordt.

[23 December.]

Wij kwamen te Port Desiré, op 47° breedte aan de kust van Patagonië gelegen. De kreek loopt ongeveer 20 mijlen landwaarts in en heeft eene onregelmatige wijdte. De Beagle ankerde enkele mijlen de kreek in, tegenover de puinhoopen eener oude Spaansche nederzetting.