De Reis om de Wereld

Part 16

Chapter 164,020 wordsPublic domain

Bij twee gelegenheden ontmoette ik in deze provincie eenige ossen van een zeer zeldzaam ras, nata genoemd. [142] Uiterlijk schijnen zij tot ander vee in ongeveer dezelfde betrekking te staan, als bul- of mophonden tot andere honden. Hun voorhoofd is zeer kort en breed; de punt van den neus keert zich naar boven, en de bovenlip ligt ver naar achteren; hunne onderkaken steken voor de bovenste uit en hebben eene overeenkomstige kromming, ten gevolge waarvan hunne tanden altijd bloot liggen. Hunne neusgaten zitten hoog op den kop en staan zeer open; hunne oogen puilen naar buiten. Onder het loopen laten zij hun kop aan den korten nek laag hangen, en hunne achterpooten zijn, vergeleken bij de voorpooten, iets langer dan gewoonlijk. Hunne bloote tanden, korte koppen en bovenwaarts gekeerde neusgaten geven hun een uitdagend voorkomen van zelfvertrouwen, zoo belachelijk als men zich denken kan.

Sedert mijne terugkomst, ben ik door de welwillendheid van mijn vriend, kapitein Sulivan der Koninkl. Marine, in het bezit gekomen van een schedel, welke nu bij de College of Surgeons berust. [143] Don F. Muniz te Luxan heeft al wat hij omtrent dit ras vernemen kon, bereidwillig voor mij bijeengebracht. Volgens zijn verhaal schijnt het, dat dit vee vóór omstreeks 80 of 90 jaar zeldzaam was, en te Buenos Aires als eene curiositeit werd beschouwd. Algemeen gelooft men, dat het ras zijn oorsprong vond onder de Indianen ten zuiden van de Plata, en bij hen voor de meest gewone soort gold. Zelfs nu toont vee, dat in de provinciën nabij de Plata gefokt is, zijne minder "beschaafde" afkomst hierin, dat het wilder is dan gewoon vee, en dat de koe licht haar eerste kalf in den steek laat, als zij te dikwijls bezocht of lastig gevallen wordt. Het is een zonderling feit, dat, zooals Dr. Falconer mij bericht, het Sivatherium, die groote uitgestorven herkauwer in Indië [144], zich kenmerkt door een bijna dergelijken bouw, als de abnormale van het nata-ras. [145]

Het ras is zeer echt, en een nata-os en koe brengen onveranderlijk nata-kalveren voort. Een nata-os en eene gewone koe, of de omgekeerde kruising verwekt eene nakomelingschap met tusschenliggende kenmerken, doch waarin die van het nata-ras sterk uitkomen. Volgens Segnor Muniz bestaan de duidelijkste bewijzen, dat, in tegenstelling met het algemeene gevoelen der landbouwers in zulke gevallen, de nata-koe bij kruising met een gewonen os hare bijzonderheden sterker overdraagt, dan de nata-os bij kruising met eene gewone koe. Als het gras tamelijk lang is, eet het nata-vee met tong en verhemelte evengoed als het gewone vee; maar gedurende de groote droogten, als zoovele dieren omkomen, verkeert het nata-ras in zeer ongunstigen toestand, en zou uitgeroeid worden, indien het niet werd opgepast; want het gewone vee kan, evenals paarden, zich nog in 't leven houden door met de lippen de takjes van boomen en riet af te vreten, hetgeen de nata's niet zoo goed kunnen, omreden hunne lippen niet sluiten; en zoodoende sterven zij vóór het gewone vee. Dit feit treft mij, als sprekend voorbeeld hoe weinig wij in staat zijn uit de gewone leefwijzen te beoordeelen door welke, alleen na lange tusschentijden voorkomende omstandigheden, de zeldzaamheid of uitsterving eener soort bepaald kan worden.

[19 November.]

Op onzen tocht door de vallei Las Vacas sliepen wij ten huize van een Noord-Amerikaan, die een kalkoven op den Arroyo de las Vivoras had. Des morgens reden wij naar eene vooruitspringende landtong aan de oevers der rivier, Punta Gorda genaamd, en trachtten onderweg een jaguar te ontdekken. Er waren tal van versche sporen, en wij bezochten de boomen waaraan zij hunne klauwen heeten te scherpen; doch het gelukte ons niet er een op te jagen. Van dit punt vertoonde de Rio Uruguay eene statige watermassa aan ons oog; en de aanblik van den stroom was wegens zijne helderheid en snelheid veel treffender, dan die van zijn buurman, de Parana. Aan de overliggende kust vloeiden verscheidene takken van de laatste in de Uruguay. Als de zon scheen, konden de twee kleuren van het water zeer duidelijk gezien worden.

Des avonds begaven wij ons op weg naar Mercedes aan de Rio Negro; en toen het nacht was vroegen wij in de estancia, waar wij aankwamen, verlof te slapen. Het was een zeer uitgestrekt landgoed van 10 vierkante leagues, welks eigenaar een der grootste grondbezitters in het land is. Zijn neef had het beheer er over, en dezen trof ik in gezelschap van een kapitein bij het leger, die onlangs uit Buenos Aires gevlucht was. Hun stand in aanmerking genomen, was het nu volgende gesprek vrij vermakelijk. Beiden uitten, als gewoonlijk, hunne grenzenlooze verwondering dat de aarde rond was, en konden moeilijk gelooven, dat een gat, mits diep genoeg in den grond gegraven, aan den anderen kant zou uitkomen. Zij hadden echter wel van een land gehoord, waar het zes maanden dag en zes maanden nacht was, en waar de inwoners zeer lang en mager waren! Zeer nieuwsgierig waren zij naar den prijs en de qualiteit van paarden en vee in Engeland. Toen zij hoorden, dat wij onze dieren niet met den lazo vingen, riepen zij uit:

"O, dan gebruikt gij zeker niets anders dan de bolas!"

Het denkbeeld van een omheind stuk land was geheel nieuw voor hen. Ten slotte zeide de kapitein, dat hij mij een vraag te doen had, en dat hij zich zeer verplicht zou achten, indien ik daarop in volle waarheid antwoordde. Ik beefde bij de gedachte hoe diep wetenschappelijk die vraag zou zijn... Zij luidde:

"Zijn de dames in Buenos Aires niet de mooiste ter wereld?"

Ik antwoordde als een afvallige:

"Inderdaad, bekoorlijk."

"Nu heb ik nog eene andere vraag," liet de kapitein er op volgen. "Dragen de dames in andere deelen der wereld wel zulke groote kammen?"

Plechtig verklaarde ik den dappere, dat zij dit niet deden: welk antwoord beiden bepaald in verrukking bracht.

"Zie nu eens aan," riep de kapitein. "Iemand, die de halve wereld heeft gezien, zegt, dat het zoo is. Wij dachten het wel, maar nu weten wij het."

Mijn uitstekend oordeel over kammen en mooie meisjes bezorgde mij eene hoogst gastvrije ontvangst; de kapitein dwong mij zijn bed te nemen, dan zou hij op zijn zadel slapen.

[21 November.]

Bij zonsopgang togen wij op weg en reden langzaam gedurende den ganschen dag. De geologische gesteldheid van dit deel der provincie verschilde van het overige, en geleek veel op die der Pampas. Zoo waren er uitgestrekte distelvelden, en andere met den cardón; het geheele land kan inderdaad éen groot veld van deze planten worden genoemd. De twee soorten groeien afzonderlijk, elke plant in gezelschap van hare eigen soort. De cardón is zoo hoog als de rug van een paard; maar de Pampas-distel is dikwijls hooger dan de kruin van het hoofd des ruiters. Er is geen sprake van dat men een yard ver van den weg afwijkt; de weg zelf is gedeeltelijk, en in sommige gevallen geheel versperd. Natuurlijk valt er niet te grazen; indien vee of paarden eenmaal in het veld komen, zijn zij voor het oogenblik geheel verloren. Daarom is het zeer gewaagd als men in dezen tijd van het jaar vee tracht te drijven; want is het genoeg afgejaagd om den distels het hoofd te bieden, dan loopt het er in en wordt niet meer gezien. In deze districten zijn zeer weinige estancias, en die enkele liggen in de nabijheid van vochtige valleien, waar deze woekerende planten gelukkig geen van beide bestaan kunnen. Daar de nacht inviel voordat wij aan het einde van onzen tocht waren, sliepen wij in eene ellendige kleine hut, die door de armste lieden bewoond werd. De buitengewone, ofschoon eenigszins vormelijke beleefdheid van onzen gastheer en gastvrouw waren, hun stand in aanmerking genomen, bepaald kostelijk.

[22 November.]

Wij kwamen aan eene estancia op den Berquelo, toebehoorende aan een zeer gastvrijen Engelschman, aan wien ik een introductie-brief had van mijn vriend Mr. Lumb. Ik bleef hier drie dagen. Eens reed ik des morgens met mijn gastheer naar de Sierra del Pedro Flaco, omstreeks 20 mijlen de Rio Negro op. Bijna het geheele land was bedekt met goed, alhoewel grof gras, dat tot aan den buik van een paard reikte; toch was over verscheidene leagues geen enkel stuk vee te zien. Mits goed verdeeld, zou de provincie Oost-Banda een verbazend getal dieren kunnen voeden. Tegenwoordig beloopt de jaarlijksche uitvoer van huiden uit Montevideo 300.000, en het binnenlandsch verbruik is, ten gevolge van verspilling, zeer aanzienlijk. Een estanciero vertelde mij, dat hij dikwijls groote kudden vee vér weg naar eene inrichting voor pekelvleesch moest zenden, en dat de vermoeide dieren menigmaal gedood en gevild moesten worden; maar dat hij nooit de Gauchos kon bewegen hiervan te eten, en elken avond voor hun maal een versch beest geslacht werd! De aanblik van de Sierra op de Rio Negro was schilderachtiger dan elke andere, dien ik in deze provincie zag. De breede, diepe en snelstroomende rivier kronkelde zich aan den voet van een steilen rotswand; een boschrand omzoomde hare oevers, en de horizon verloor zich in de verre golvende grasvlakte.

Toen ik in deze buurt was, hoorde ik verscheidene malen van de Sierra de las Cuentas: een berg die vele mijlen noordwaarts lag. De naam beteekent "Bergketen der Rozenkranskralen." Men verzekerde mij, dat daar een groot aantal kleine ronde steenen, in verschillende kleuren en elk met een klein cilindrisch gat er in, gevonden werden. Vroeger plachten de Indianen die te verzamelen om er halssnoeren en armbanden van te maken--een smaak die, wil ik opmerken, aan alle wilde volken, zoowel als aan de meest beschaafde gemeen is. Ik wist niet wat ik van deze geschiedenis moest denken; maar toen ik haar aan de Kaap de Goede Hoop aan Dr. Andrew Smith mededeelde, vertelde hij mij zich te herinneren, dat hij aan de zuidoostkust van Afrika, omstreeks 100 mijlen ten oosten van de St. John's-rivier, eenige kwartskristallen had gevonden met stomp afgewreven kanten, die aan het zeestrand met kiezelzand vermengd waren. Elk kristal mat ongeveer 5 strepen in doorsnede, en had eene lengte van een tot anderhalven inch. Vele hadden een klein kanaal, loopende van het eene einde naar het andere, volkomen cilindrisch, en zoo wijd dat een grove draad of fijne darmsnaar er gemakkelijk doorheen kon. De kleur was rood of dof wit. De inboorlingen waren met dezen kristalbouw bekend. Ik heb deze omstandigheden vermeld, opdat het geval--ofschoon tegenwoordig geen kristal bekend is dat dezen vorm aanneemt--den een of anderen reiziger in de toekomst moge aansporen den waren aard van zulke steenen te onderzoeken.

Gedurende mijn verblijf in deze estancia, vermaakte ik mij met wat ik van de schaapherdershonden in dit land zag en hoorde. [146] Het is een gewoon verschijnsel, dat men onder het rijden eene groote, door een of twee honden bewaakte kudde schapen ontmoet, die zich op eenige mijlen afstand van een mensch of woning bevinden. Dikwijls verwonderde ik mij hoe zulk een hechte vriendschap wel ontstaan was. De wijze van opvoeding bestaat hierin, dat men den hond, als hij nog zeer jong is, van de teef verwijdert en aan zijne toekomstige metgezellen gewent. Drie- of viermaal daags laat men eene ooi het jonge dier zoogen, en in het schapenhok wordt er een nest van wol voor gemaakt; te geener tijd mag het zich bij andere honden of bij de kinderen van het gezin voegen. Daarenboven wordt de jonge hond meestal gesneden: zoodat hij, volwassen zijnde, moeilijk eenige neigingen gemeen kan hebben met anderen van zijne soort. Door deze opvoeding koestert hij geen wensch de kudde te verlaten; en evenals een andere hond zijn meester zal verdedigen, zal deze het de schapen doen. Het is aardig op te merken hoe de hond, als men eene kudde nadert, onmiddellijk blaffende vooruitschiet en de schapen zich alle achter hem aansluiten, evenals om den oudsten ram. Ook kan men dezen honden gemakkelijk leeren de kudde op een bepaald uur in den avond thuis te brengen. Hun lastigste gebrek, als zij jong zijn, is hun zucht om met de schapen te spelen; want in hun sport rennen zij soms ongenadig tegen hunne arme makkers op.

De schaapherdershond komt elken dag thuis wat eten halen; en zoodra het hem gegeven is, schuilt hij weg, als schaamde hij zich over zichzelf. Bij deze gelegenheden zijn de huishonden zeer vijandig, en de minste hunner zal den vreemdeling aanvallen en vervolgen. Maar nauwelijks heeft de laatste de kudde bereikt, of hij keert zich om en begint zoo duchtig te blaffen, dat alle huishonden overhaast de hielen lichten. Evenzoo zal een groote troep hongerige wilde honden het hoogst zelden (en enkelen zeiden mij: nooit) wagen eene kudde aan te vallen, zelfs al wordt zij door slechts één van deze trouwe herdershonden bewaakt. Het geheele verhaal schijnt mij een zeldzaam voorbeeld van de buigzame neigingen bij den hond; toch heeft dit dier, hetzij wild of hoe ook opgevoed, een gevoel van eerbied of vrees voor hen die hun instinct van vereeniging volgen. Want dat de wilde honden door den enkelen met zijne kudde worden verjaagd, kunnen wij door geen ander beginsel verklaren, dan dat een vaag begrip hun de overtuiging schenkt, dat die enkele, aldus vereenigd, macht verkrijgt, als ware hij in gezelschap van zijne eigene soort. F. Cuvier heeft opgemerkt, dat alle dieren die gemakkelijk tam worden, den mensch als een lid hunner eigene maatschappij beschouwen, en zoo aan hun instinct van vereeniging voldoen. In bovenstaand geval beschouwt de schaapherdershond de schapen als zijne medebroeders en wint dus vertrouwen; en de wilde honden, ofschoon wetende, dat de schapen zelven geen honden maar goed zijn om op te eten, huldigen gedeeltelijk die zienswijze, wanneer zij hen in eene kudde zien, met een schaapherdershond aan het hoofd.

Op een avond kwam een domadór [147] of paardenbedwinger, ten einde eenige veulens af te richten. Ik zal hier de voorbereidende stappen beschrijven, want ik geloof, dat zij nog niet door andere reizigers vermeld zijn. Een troep wilde jonge paarden wordt in den corrál of groote omheining van palen gedreven, en daarna sluit men de deur. Stellen wij ons voor, dat iemand alléen een paard moet vangen en bestijgen, dat nog nooit te voren teugel of zadel heeft gevoeld. Behalve door een Gaucho, ben ik overtuigd, dat zulk eene daad geheel onuitvoerbaar is. De Gaucho kiest een volwassen veulen uit; en zoodra nu het beest den circus rondrent, werpt hij zijn lazo zóó, dat deze de beide voorpooten grijpt. Onmiddellijk valt het paard met een hevigen schok voorover; en terwijl het op den grond spartelt, houdt de Gaucho den lazo gespannen, beschrijft een cirkel zoodat hij een der achterpooten vlak onder den vetlok grijpt, en trekt hem dicht naar de voorpooten. Hierna knoopt hij den lazo vast, zoodat de drie pooten samengebonden zijn, gaat op den nek van het paard zitten, en bevestigt een stevigen teugel zonder gebit aan de onderkaak; dit doet hij door een smallen riem door de oogen aan het uiteinde van den teugel te steken en verscheidene malen om de kaak en de tong te winden. Nu worden de twee voorpooten met een sterken lederen riem, waarin een schuifknoop zit, vast bijeengebonden; en nadat de lazo, die de drie pooten verbond, is losgemaakt, staat het paard met moeite op.

De Gaucho houdt den teugel, die aan de onderkaak bevestigd is, stevig vast en voert het paard uit den corrál. Indien een tweede man bij de hand is (anders is de moeite veel grooter), houdt deze den kop van het dier vast, terwijl de eerste zadel en paardedekken oplegt en alles met den buikriem bevestigd. Gedurende deze bewerking buitelt het paard, van schrik en verbazing dat het aldus om zijn midden gebonden wordt, voortdurend over den grond en verkiest niet op te staan voordat het geslagen wordt. Als dan eindelijk het zadelen is afgeloopen, kan het arme dier van vrees nauwelijks ademhalen en is wit van schuim en zweet. Nu maakt de man zich gereed om op te stijgen, leunt daarbij stevig op den stijgbeugel, opdat het paard zijn evenwicht niet zal verliezen, en trekt op het oogenblik dat hij zijn been over den rug werpt, den schuifknoop los die de voorpooten verbindt, zoodat het beest vrij is. Sommige domadórs gaan boven den zadel staan, trekken den knoop los terwijl het dier nog op den grond ligt, en laten het dan onder zich opstaan. Wild van vrees, doet het paard eenige geweldige sprongen en rent in vollen galop weg; als het uitgeput is, brengt de man het geduldig naar den corrál terug, waar het arme dier dampend van de hitte en nauwelijks levend, in vrijheid wordt gesteld. Paarden, die niet weg willen galoppeeren, maar zich hardnekkig op den grond werpen, zijn op verre na de lastigste. De behandeling is dan verschrikkelijk streng; maar in twee of drie keeren is het paard getemd. Het duurt evenwel eenige weken voordat het dier met ijzeren gebit en ring gereden wordt; want het moet den wil van zijn berijder met het voelen van den teugel leeren vereenigen, eerdat de sterkste teugel van eenigen dienst kan zijn.

In deze landen zijn dieren zoo overvloedig, dat menschelijkheid en zelfbelang niet nauw samengaan; het is daarom, vrees ik, dat de eerste hier nauwelijks bekend is. Op zekeren dag reed ik met een zeer achtingswaardigen estanciero over de Pampas, toen mijn paard wegens vermoeidheid achteraan begon te komen. Dikwijls riep de man mij toe het de sporen te geven. Toen ik hem onder het oog bracht, dat dit wreed zou zijn, wijl het paard geheel uitgeput was, riep hij uit:

"Waarom niet? Het doet er immers niet toe. Geef het de sporen--het is mijn paard!"

Het kostte mij toen eenige moeite hem duidelijk te maken, dat het niet om hem, maar ter wille van het paard was, dat ik mijne sporen niet wilde gebruiken. Met een blik van groote verbazing riep hij uit:

"Ah, Don Carlos, que cosa!" [148]

Blijkbaar was zulk eene gedachte vroeger nooit in zijn brein opgekomen.

De Gauchos staan als voortreffelijke ruiters bekend. Het denkbeeld, dat zij kunnen worden afgeworpen, onverschillig welke kunsten het paard ook uithale, komt nooit bij hen op. Hun criterium van een goed ruiter is: een man, die een ongetemd veulen kan regeeren; die, als zijn paard valt, op zijn eigen voeten neerkomt, of andere van die kunststukken kan verrichten. Ik heb gehoord van iemand die wedde, dat hij twintigmaal zijn paard omver zou werpen en negentien keeren niet zou vallen. Ik herinner mij een Gaucho, die een zeer koppig paard bereed, dat driemaal zóó hoog steigerde dat het met veel geweld achterover viel. Met ongewone koelbloedigheid bepaalde de man het rechte oogenblik--geen secunde te vroeg of te laat--om zich te laten afglijden; en zoodra het paard weer opkwam, sprong de man op zijn rug en reed eindelijk in galop weg. Nooit schijnt de Gaucho eenige spierkracht te gebruiken. Eens toen wij in een flinken galop reden, zag ik een goed ruiter schijnbaar zoo zorgeloos op zijn paard zitten, dat ik bij mijzelven dacht: "Als het paard aan den haal gaat, zult ge zeker uit den zadel vallen."--Weinige oogenblikken later sprong een mannetjes-struisvogel uit zijn nest en schoot vlak onder den kop van het paard door. Het jonge veulen deed een zijwaartschen sprong, evenals een hert; maar op den man had het gebeurde geen andere uitwerking, dan dat hij opsprong en den schrik met zijn paard deelde.

In Chili en Peru geeft men zich meer moeite met den mond van het paard dan in La Plata; en blijkbaar is dit een gevolg van de meer ingewikkelde natuur van het land. In Chili wordt een paard niet als volkomen afgericht beschouwd, voordat men het midden in zijn vollen ren op eene bepaalde plek, bijv. op een op den grond geworpen mantel, kan doen stilstaan; of het moet een muur kunnen berennen en onder het steigeren de oppervlakte met zijne hoeven schuren. Ik heb een paard, slechts door voorvinger en duim bestuurd, opgewekt zien springen; in vollen galop over eene plaats zien rennen, en daarna met groote snelheid om den post eener veranda cirkelen, maar op zoo gelijken afstand, dat de ruiter met uitgestrekten arm al dien tijd zijn vinger over den post kon laten strijken. Toen maakte hij eene demi-volte, en cirkelde op gelijke wijze, met den anderen arm uitgestrekt, met verbazende snelheid in omgekeerde richting om den paal.

Zulk een paard is goed afgericht; en hoewel dit in 't eerst nutteloos schijnt, is het in werkelijkheid van veel nut. Op die wijs worden de dagelijks noodige eigenschappen tot volmaaktheid gebracht. Wanneer een os door den lazo gegrepen en beteugeld is, zal hij soms in een cirkel rondgaloppeeren, en zal het paard, opgewonden door de inspanning, niet gemakkelijk als een wiel om zijn as kunnen meedraaien, zoo het niet goed is afgericht. Ten gevolge hiervan zijn vele ruiters gedood; want als de lazo één kronkel om het lichaam van den man maakt, zal hij dezen wegens de kracht der twee trekkende dieren, bijna in tweeën snijden. Op hetzelfde beginsel worden de rassen gedresseerd; de loop is slechts twee- of driehonderd yards lang, en de bedoeling is paarden te hebben, die een snellen uitval kunnen doen. Den raspaarden wordt niet alleen geleerd met hunne hoeven eene lijn aan te raken, maar ook de vier pooten bij elkander te trekken, zoodat zij bij den eersten sprong al de kracht hunner achterste voetpezen in 't spel kunnen brengen. In Chili werd mij eene anecdote verteld, die ik voor waarheid aanneem; zij geeft tevens een duidelijk beeld van het nut van een goed gedresseerd paard. Een geacht man ontmoette eens twee anderen op zijn rit, van wie er een op een paard zat, hetwelk hij wist dat hem ontstolen was. Hij sprak hen aan en eischte zijn paard op; maar tot antwoord trokken zij hunne sabels en zetten hem na. De man, die een snel en goed paard bereed, vlood voor hen uit, zwenkte toen hij een dicht kreupelbosch zag, er om heen en bracht zijn paard tot staan. De vervolgers konden hunne vaart niet stuiten en schoten hem vooruit. Plotseling deed nu de man een uitval achter hen aan, stak zijn mes in den rug van den eenen, wondde den anderen, ontnam den stervenden roover zijn paard en reed naar huis. Voor deze daden van rijkunst zijn twee dingen noodig: een zeer pijnlijk gebit of mondstuk, evenals de Mameluk gebruikt en waarvan het paard al de kracht kent, ofschoon het zelden gebruikt wordt; ten tweede, groote, botte sporen, die òf alleen voor aanraking, òf als een uiterst pijnlijk werktuig gebruikt kunnen worden. Ik ben overtuigd, dat het met Engelsche sporen, die bij de minste aanraking in de huid prikken, onmogelijk zou zijn een paard af te richten op de Zuidamerikaansche manier.

In eene estancia bij Las Vacas worden wekelijks talrijke merries om hare huiden geslacht, hoewel deze slechts vijf papieren dollars of ongeveer een halve crown waard zijn. [149] In 't eerst schijnt het vreemd, dat het loonen kan voor zulk een bagatel merries te dooden; maar wijl men het in dit land voor belachelijk houdt eene merrie af te richten of te berijden, hebben zij geen waarde behalve voor de teling. Het eenige, waarvoor ik eene merrie zag gebruiken, was om tarwe uit de aar te treden: met welk doel zij in eene groote cirkelvormige omheining werden rondgedreven, waar de tarweschoven neergestrooid waren. De man, die voor het slachten van de merries gebruikt werd, was om zijne behendigheid met den lazo vermaard. Hij had eene weddenschap aangegaan, dat hij, op een afstand van 12 yards van den corrál staande, elk dier in 't voorbijsnellen bij de pooten zou vangen, zonder ooit te missen. Een ander man zeide, dat hij te voet den corrál zou binnengaan, eene merrie vangen, hare voorpooten samenbinden, haar naar buiten drijven, nederwerpen, villen en de huid op staken bevestigen voor het verven (dit laatste is een zeer omslachtig karwei); en dat hij zich verbond deze bewerking met 22 dieren op één dag uit te voeren. Of hij zou in denzelfden tijd vijftig dieren dooden en villen. Dit zou eene reusachtige taak geweest zijn, want het wordt als een goed dagwerk beschouwd, 15 of 16 dieren te villen en hunne huiden op staken te bevestigen.

[26 November.]