Part 14
Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76 Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.
[29 en 30 September.]
Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario is eene groote stad [125] in eene doodsche effen vlakte, die een zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever, laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien, indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur; andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk een belangrijk middel van gemeenschap zij vormt voor den handel van het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.
Vele leagues ten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar, als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand, wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst, op 2 4/5 mijl afstand. [126] Hoe vlakker het terrein, des te meer ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid, welke men denken zou dat zij bezat.
[1 October.]
Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een volledigen tand van den Toxodon en vele verspreide beenderen, vond ik twee reusachtige skeletten, die, dicht bij elkander, als een verheven beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de overblijfsels tot een Mastodon [127] behooren--waarschijnlijk dezelfde soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden, dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat de Mastodon, evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas medevoert.
[2 October.]
Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte, is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij gingen langs eenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren, en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.
Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassing bemerkte welke groote klimaatverandering een breedte-verschil van slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen, uit de meerdere hoogte der ombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had mogen verwachten.
[3 en 4 October.]
Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt, soms ten antwoord geven: "Eergisteren had ik hoofdpijn." Vele van de geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.
Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhouden wordt. [128] De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen voor den prijs van drie of vier pond het stuk.
[5 October.]
Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In 1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs: bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata worden. [129] De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en Uruguay twee groote verbindingswegen.
Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten haaietanden en zeeschelpen van uitgestorven soorten opwaarts in een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk, dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen, die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen, òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen, waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze: haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel, dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen, de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d'Orbigny vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet, groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat, onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste of Quartaire Tijdvak viel. [130]
In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel belang in, [131] en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft dit Amerikaansche paard Equus curvidens genoemd. Het is zeker een wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!
Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht een olifant, [132] en een holhoornig herkauwend dier (door Lund en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding der dieren. Verdeelen wij nu Amerika--niet bij de landengte van Panama, maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte, [133] waar het groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten--dan zullen wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden aangemerkt: zooals de puma, het opossum of Amerikaansche buideldier, de kinkaju (Cercoleptes caudivolvolus) en het pecari. Zuid-Amerika kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in 't bijzonder door verschillende geslachten Edentata--eene orde, waartoe de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika, daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend) door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os, schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.
Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige herkauwers, den olifant, mastodon, het paard en drie geslachten Edentata, namelijk: Megatherium, Megalonyx en Mylodon. In ongeveer het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika--naar wij straks gezegd hebben--een mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie geslachten (tegelijk met vele andere) Edentata. Daaruit blijkt, dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij: ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduiden wanneer en hoe één groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord- en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische zoogdieren [134] schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in 't vervolg van tijd een gezonken gebied is geworden.
Toen Amerika, en in 't bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten, mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer geslachten aan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van Siberië gevonden worden, [135] zijn wij genoopt de noordwestzijde van Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten, levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië naar Noord-Amerika verhuisden, en vandaar, over later gezonken land in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert uitgestorven zijn.
Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de "gran seco" of groote droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats plachten te komen, [136] dien hij genoodzaakt was geweest te graven, om zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833) weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den "gran seco" werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was, op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil: wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa's stof op, dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!
Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het bepaald onmogelijk maakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen veroorzaakte dit den dood van talrijke individuën; want als een dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft [137] de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid, die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij, dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag, die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming, in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van 1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan aan den gewonen loop der dingen? [138]
[12 October.]
Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar ik niet wel was, moest ik op een balandra of eenmast-vaartuig [139] van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires, terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstige weder vertuiden wij vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en vernieuwing ondergaan. Voorzoover de schipper zich herinnerde, waren verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd, die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aan capybara's en jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid van een tigre [140] ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tocht el rastro de los Indios (het spoor der Indianen) het onderwerp der gesprekken vormde, zoo was het hier el rastro del tigre.
De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat daar waar de capybara's talrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In Bajada leeft thans een man, die, toen hij eens bij donker uit het ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters, die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr in aantocht is.