Part 13
gingen wij naar den zevenden post aan den voet van de Sierra Tapalguen. Het land was geheel vlak en bestond uit een met grof gras begroeiden, zachten veengrond. De rancho was hier bijzonder netjes: hut en balken waren gemaakt van ongeveer een dozijn droge distelstengels, onderling door riemen van huiden verbonden; en met deze Ionische zuilen tot steun, waren dak en wanden met riet gedekt. Men vertelde ons hier een feit, dat ik haast niet zou gelooven, indien ik niet voor een deel er van getuige was geweest. Den vorigen nacht had het vreeselijk gehageld; er waren korrels gevallen zoo groot als kleine appelen en verbazend hard: en met zulk eene kracht, dat zij het meeste wild gedood hadden. Een der soldaten had reeds 13 doode herten (Cervus campestris) gevonden, wier versche huiden mij getoond werden. Een ander van den troep bracht, kort na mijne komst, er nog zeven mee. Nu weet ik dat één man, zonder honden, nog geen zeven herten in de week kan dooden. De mannen meenden ongeveer 15 doode struisvogels gezien te hebben, waarvan wij een gedeeltelijk tot middagmaal kregen; en zij zeiden, dat er verscheidene rondliepen, die aan één oog blind schenen te zijn. Een menigte kleine vogels, als eenden, valken en patrijzen waren gedood. Ik zag een der laatsten met een zwarte vlek op den rug, alsof hij door een straatsteen getroffen was. Eene haag van distelstengels om de hut was bijna geheel vernield; en de man, die mij dit vertelde, kreeg, toen hij ging kijken wat er gebeurde, eene ernstige wond, waarom nu een verband zat. Men zeide, dat de donderbui over eene beperkte ruimte gewoed had; en inderdaad hadden wij uit ons bivouak van den vorigen nacht eene zwarte wolk met bliksemlicht in deze richting gezien. Het is merkwaardig, dat zulke sterke dieren, als herten, hierdoor gedood konden worden; maar op grond van hetgeen ik gezegd heb, geloof ik, dat de geschiedenis geenszins overdreven is. Intusschen doet het mij genoegen, dat de geloofwaardigheid er van door den Jezuïet Dobrizhoffer versterkt wordt, die, sprekende van een land ver noordwaarts gelegen, zegt, dat er hagelkorrels vielen van verbazende grootte, die eene groote menigte vee doodden. De Indianen noemden daarom die plaats "Lalegraicavalca," hetgeen zeggen wil: "De kleine witte dingen." [114] Ook deelt Dr. Malcolmson mij mede, dat hij in 1831 in Indië een hagelstorm heeft bijgewoond, die tal van groote vogels doodde en het vee zeer teisterde. Deze hagelsteenen waren plat: een had een omtrek van 10 inches, en een ander woog twee ounces (56,7 gram). Zij ploegden een pad van kiezelsteenen als geweerkogels om, en sloegen ronde gaten in glasruiten zonder ze te breken.
Na afloop van ons maal van "neergehageld" vleesch, trokken wij over de Sierra Tapalguen--een lage bergketen van enkele honderden voeten hoogte, die bij Kaap Corrientes begint. Het gesteente in dit gedeelte is zuiver kwarts; verder oostwaarts bevat het, geloof ik, graniet. De bergen hebben een merkwaardigen vorm: zij bestaan uit vlakke stukken tafelland, omgeven door lage loodrechte klippen, evenals de uitloopers eener sedimentaire formatie. De berg, dien ik besteeg, was zeer klein--niet meer dan een paar honderden yards in middellijn; maar ik zag andere, grootere. Een, die den naam van "Corral" voert, werd gezegd eene middellijn te hebben van twee of drie mijlen, en omsloten te zijn door loodrechte klippen van tusschen 30 en 40 voet hoogte--behalve op één plek, waar de ingang ligt. Falconer [115] doet een merkwaardig verhaal van de wijze waarop de Indianen troepen wilde paarden in dezen corral drijven en hier gevangen houden door den ingang te bewaken. Nooit heb ik van een ander geval gehoord, dat tafelland in eene kwarts-formatie voorkwam en, zooals in den door mij onderzochten berg, splijting noch laagvorming vertoonde. Men vertelde mij, dat het gesteente van den "Corral" wit was en vuur kon slaan.
Niet voordat het donker was, bereikten wij den post aan de Rio Tapalguen. Gedurende het avondeten hoorde ik hier een uitdrukking, die mij, bij de gedachte, dat ik bezig was een der lievelingsschotels van het land te eten--namelijk een halfvoldragen kalf in een stadium van lang vóór de geboorte--plotseling met afgrijzen vervulde. Het bleek een puma te zijn, wiens vleesch zeer wit is en in smaak bijzonder op kalfsvleesch gelijkt. Dr. Shaw werd uitgelachen toen hij verklaarde, dat "het vleesch van den leeuw zeer in trek is, en zoowel in kleur, smaak als geur niet weinig op kalfsvleesch gelijkt." Met den puma is dat zeker het geval. De Gauchos zijn het niet eens omtrent de vraag of de jaguar een goed eten is, maar zeggen eenstemmig, dat de kat uitmuntend is.
[17 September.]
Wij volgden den loop van de Rio Tapalguen door eene zeer vruchtbare streek tot aan den negenden post. Tapalguen zelf, of de stad van dien naam (indien zij zoo heeten mag) bestaat uit een volkomen effen vlakte, die, zoover het oog reikt, bezet is met de toldos of ovenvormige hutten der Indianen. Hier woonden de familiën der bevriende Indianen, die aan de zijde van Rosas streden. Wij ontmoetten en haalden vele jonge Indiaansche vrouwen in, die met tweeën of drieën op één paard zaten; zij waren, evenals vele van de jongere mannen, bijzonder schoon, en hare fraaie roode aangezichten vormden een toonbeeld van gezondheid. Behalve de toldos, waren er drie ranchos: een bewoond door den commandant, en de twee andere door Spanjaarden die winkeltjes hielden.
Hier hadden wij gelegenheid wat beschuit te koopen. Ik had nu in verscheidene dagen niet anders dan vleesch geproefd; wel stond het nieuwe diëet mij volstrekt niet tegen, maar ik gevoelde, dat ik het niet dan met groote moeite zou volhouden. Ik heb gehoord, dat patiënten in Engeland, van wie verlangd werd zich uitsluitend tot een dierlijk diëet te bepalen, zelfs met de hoop op levensbehoud voor oogen bijna niet in staat waren het te verdragen. Toch eet de Gaucho in de Pampas maanden lang niet anders dan rundvleesch. Maar, wil ik opmerken, zij eten ook eene zeer groote hoeveelheid vet, dat van minder dierlijk gehalte is, en hebben vooral tegen op droog vleesch, zooals dat van het aguti. Ook heeft Dr. Richardson [116] opgemerkt, dat "als menschen langen tijd alleen van mager dierlijk voedsel hebben geleefd, de begeerte naar vet zoo onverzadelijk wordt, dat zij eene groote hoeveelheid klaar en zelfs olieachtig vet verteren kunnen zonder te braken." Dit, dunkt mij, is een merkwaardig physiologisch feit. Misschien is het een gevolg van hun vleesch-diëet, dat de Gauchos, evenals vleeschetende dieren, zoo lang buiten voedsel kunnen. Men vertelde mij, dat eenige soldaten te Tandeel vrijwillig een troep Indianen drie dagen lang vervolgden, zonder eten of drinken.
In de winkels zagen wij vele artikelen, als paardedekken, gordels en kousebanden, door Indiaansche vrouwen geweven. De patronen waren zeer aardig, met schitterende kleuren; de bewerking der kousebanden was zoo goed, dat een Engelsch koopman te Buenos Aires beweerde, dat zij in Engeland gemaakt moesten zijn, tot hij ontdekte, dat de kwasten met gespleten zenuwen waren vastgehecht.
[18 September.]
Dezen dag hadden wij een zeer langen rit. Bij den twaalfden post, die zeven leagues ten zuiden van de Rio Salado ligt, kwamen wij aan de eerste estancia met vee en blanke vrouwen. Daarna moesten wij vele mijlen door een overstroomd land rijden, waar onze paarden tot boven de knieën door het water liepen. Door de stijgbeugels te kruisen, en op zijn Arabisch met opgetrokken beenen te rijden, wisten wij ons tamelijk droog te houden. Het was ongeveer donker toen wij aan de Salado kwamen: de stroom was diep en omtrent 40 yards breed; maar in den zomer wordt hare bedding bijna droog, en is het weinige overgebleven water haast zoo zout als zeewater. Wij sliepen in een der groote estancias van generaal Rosas. Deze was versterkt en zoo uitgestrekt, dat ik, in donker aankomende, eene stad of vesting voor mij dacht te zien. Des morgens zagen wij onafzienbare kudden vee--het eigendom van den generaal, die hier 47 vierkante leagues land had. Vroeger waren ongeveer 300 man rondom deze estancia geposteerd, die alle aanvallen der Indianen afsloegen.
[19 September.]
Wij trokken door La Guardia del Monte. Dit is een aardig uitgebouwd stadje met vele tuinen vol perzik- en kweepereboomen. De vlakte had hier hetzelfde voorkomen als die om Buenos Aires, met kort en lichtgroen gras, met klaver- en distelvelden, en ook bizcacha-holen. Ik stond zeer verrast door de zichtbare verandering in voorkomen van het land, nadat ik de Salado was overgetrokken. Uit een grove weide kwamen wij op een tapijt van fraai groen gras. Eerst schreef ik den overgang toe aan eene kleine verandering in den aard van den grond; maar de inwoners verzekerden mij, dat hier zoowel als in Oost-Banda, waar een even groot verschil bestaat tusschen het land om Montevideo en de dun bevolkte savanas van Colonia--het geheele verschijnsel was toe te schrijven aan de bemesting en het grazen van het vee. Volmaakt hetzelfde feit is waargenomen in de prairiën van Noord-Amerika, [117] waar grof gras van tusschen de vijf en zes voet hoogte in gewoon weiland verandert, zoodra er vee op graast. Ik ben niet genoeg plantkundige om te zeggen, of de verandering hier is toe te schrijven aan den invoer van nieuwe species, aan den gewijzigden groei van dezelfden, òf aan een verschil in hare getalverhoudingen. Ook Azara heeft met verbazing deze verandering opgemerkt; ook hij is zeer verrast door de plotselinge verschijning van planten, niet in den omtrek voorkomende, aan de kanten van een pad of spoor, dat naar eene nieuw gebouwde hut leidt. Elders zegt hij: "ces chevaux (sauvages) ont la manie de préférer les chemins et le bord des routes pour déposer leurs excréments, dont on trouve des monceaux dans ces endroits." [118] Wordt het feit niet gedeeltelijk hieruit verklaard? Zoo dienen strooken vetbemest land als verbindingswegen door uitgebreide districten.
In de nabijheid van Guardia vinden wij de zuidelijke grens van twee Europeesche planten, die nu buitengewoon talrijk worden. De Venkel (Anethum foeniculum) bedekt in grooten overvloed de slootkanten in den omtrek van Buenos Aires, Montevideo en andere steden. Maar de Cardón of Spaansche (Stekelige) Artisjok (Cynara cardunculus) [119] heeft eene veel grootere verspreiding, en komt op deze breedten in het werelddeel aan beide zijden van de Cordilleras voor. Ik zag haar op onbewoonde plaatsen in Chili, Entre Rios en Oost-Banda. Alleen in laatstgenoemd land zijn talrijke (waarschijnlijk vele honderden) vierkante mijlen met een dicht, voor mensch en dier ondoordringbaar bosch van deze stekelige planten bedekt. Op de golvende vlakten, waar deze groote bosschen voorkomen, kan tegenwoordig niets anders leven; maar vóór hare invoering moet de grond, evenals op andere gedeelten, eene welige gras-vegetatie hebben gehad. Ik betwijfel of een tweede voorbeeld bekend is, dat eene plant op zoo groote schaal een inval op inheemsche planten heeft gedaan. Zooals ik reeds gezegd heb, zag ik den cardón nergens ten zuiden van de Salado; maar het is waarschijnlijk, dat deze plant haar gebied zal uitbreiden, naarmate het land meer bewoond wordt. Anders staat het met den Reuzendistel der Pampas (met bespikkelde bladeren); want dezen vond ik in het dal van de Rio Sauce.
Volgens de zoo juist geschreven "Principles" van Charles Lyell, hebben weinige landen meer merkwaardige veranderingen ondergaan dan La Plata, sedert er in 1535 de eerste kolonist met 72 paarden voet aan land zette. De tallooze kudden paarden, vee en schapen hebben niet alleen het geheele aanzien der flora veranderd, maar bijna het guanaco, het hert en den struisvogel verdreven. Evenzoo moeten tal van andere veranderingen hebben plaats gehad; het wilde zwijn vervangt in sommige gedeelten waarschijnlijk het pecari; troepen wilde honden kan men hooren huilen op de begroeide oevers der minder bevaren stroomen, en de gewone kat, nu veranderd in een groot en wild dier, bewoont de rotsachtige heuvels. Zooals d'Orbigny heeft opgemerkt, moet de vermeerdering in aantal van de aasgieren sedert den invoer der tamme of huisdieren verbazend groot geweest zijn; en wij hebben de redenen genoemd waarom wij gelooven, dat zij hunne zuidelijke grens hebben uitgebreid. Zonder twijfel zijn, behalve de cardón en de venkel, vele planten genaturaliseerd. Zoo zijn de eilanden bij den mond der Parana dicht met perzik- en oranjeboomen bedekt, afstammende van zaden, die er door het water der rivier zijn heengevoerd.
Toen wij te Guardia van paarden verwisselden, ondervroegen vele lieden ons over het leger; en nooit zag ik eene geestdrift als daar betoond werd over Rosas en het succes van "den rechtvaardigsten aller oorlogen, omdat hij tegen barbaren gevoerd werd." Deze uitdrukking is--het moet erkend worden--zeer natuurlijk; want tot voor korten tijd waren mannen, vrouwen noch paarden voor de aanvallen der Indianen veilig. Wij hadden een langen dagrit over dezelfde welige groene vlakte, waarin talrijke afwisselende kudden, en hier en daar eene eenzame estáncia in gezelschap van haar eenigen ombu-boom. Des avonds kwamen wij onder een hevigen regen aan een posthuis, waar ons door den eigenaar gezegd werd, dat, zoo wij geen behoorlijk paspoort hadden, wij dan moesten voorbijgaan, aangezien er zooveel roovers waren, dat hij niemand meer vertrouwde. Toen hij echter mijn paspoort las, dat begon met de woorden: "El Naturalista Don Carlos," was hij even uitbundig in zijn eerbied en beleefdheid, als te voren in zijn achterdocht. Wat een natuuronderzoeker eigenlijk was--daarvan had hij, noch hadden zijn landgenooten, geloof ik, eenig begrip. Doch waarschijnlijk verloor mijn titel hierdoor niets in waarde.
[20 September.]
Omstreeks het midden van den dag kwamen wij te Buenos Aires. De voorsteden der stad met hare hagen van Agave, [120] hare boschjes olijf-, perzik- en wilgeboomen, die alle juist hunne frischgroene bladeren ontplooiden, zagen er zeer aardig uit. Ik reed naar het huis van Lumb, een Engelsch koopman, aan wiens vriendelijkheid en gastvrijheid gedurende mijn verblijf in het land ik zeer veel verplicht ben.
Buenos Aires is eene groote stad [121] en, naar mijn idee, eene van de regelmatigste ter wereld. Alle straten kruisen elkander rechthoekig; en daar de evenwijdige op onderling gelijke afstanden liggen, zijn de huizen gegroepeerd in vierkanten van gelijke afmetingen, die quadras worden genoemd. Anderzijds zijn de huizen zelve holle vierkanten, daar alle kamers op een net binnenplaatsje uitkomen. Meestal zijn zij slechts ééne verdieping hoog, met platte daken waarop stoelen geplaatst zijn en waar de bewoners des zomers veel zitten. In het midden der stad is de Plaza, waar de openbare gebouwen, het fort, de hoofdkerk, e.a. staan. Vóór de omwenteling hadden hier ook de oude onderkoningen hunne paleizen. Alle gebouwen, te zamen genomen, bezitten veel architectonische schoonheid, ofschoon geen enkel daarop in 't bijzonder kan roemen.
De groote corrál, waar de dieren bewaard en geslacht worden, die als voedsel moeten dienen voor deze vleeschetende bevolking, is een gebouw, dat de bezichtiging overwaard is. De kracht van het paard vergeleken bij die van den os is bepaald verwonderlijk: een man te paard, die zijn lazo om de horens van een beest heeft geworpen, kan het trekken waarheen hij wil. Met uitgestrekte pooten den grond omploegende, tracht het dier te vergeefs de kracht te weerstaan, en rent dan meestal in volle vaart naar één kant. Maar onmiddellijk zwenkt het paard om den schok te breken, en staat dan zoo pal, dat de os bijna omver wordt geworpen, en men zich verwonderen moet dat daarbij zijn nek niet breekt. Het is echter geen strijd waarin het alleen op kracht aankomt, want de buikriem van het paard weegt op tegen den gestrekten hals van den os. Op gelijke wijze kan een man het wildste paard bedwingen, zoo hij het met den lazo vlak achter de ooren heeft gevangen. Als de os naar de plek is getrokken waar hij geslacht moet worden, snijdt de matadór [122] met groote voorzichtigheid zijne kniepezen door. Daarna geeft men den doodelijken slag. Hartverscheurender geluid dan van dezen wilden doodstrijd heb ik nooit gehoord. Dikwijls heb ik het op verren afstand onderscheiden, en wist dan altijd dat het einde van den strijd nabij was. De geheele aanblik is verschrikkelijk en walgelijk: de grond is als met beenderen bezaaid, en ruiters en paarden zijn doorweekt van geronnen bloed...
HOOFDSTUK VII.
VAN BUENOS AIRES NAAR SANTA FÉ.
[27 September.]
Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300 Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken, die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient een punt, welke rechthoekig uit het midden van den langen steekt. Het geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.
[28 September.]
Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de rivier ligt--iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en 's nachts te voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord: "De distels zijn nog niet uit"--waarvan de beteekenis op het eerste gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden, met uitzondering van de bizcacha en haar vriend, den kleinen uil.
De bizcacha of het Peruaansch Konijntje [123] vormt naar men weet, een sprekend kenmerk in de zoölogie der Pampas. Men vindt het zuidelijk tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet, zooals het aguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven, maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda, nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.
De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande, dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge mest, enz. worden in een ongeregelden hoop--dikwijls zooveel als een kruiwagen bevatten kan--om elke groep holen bijeengebracht. Van geloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag, en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt, moet het dier heel wat werk geven. Wáárom het gedaan wordt, kan ik in de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn, daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt, dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen, beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.
De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is, bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch meer in 't bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg, keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende soorten voedsel uilen kunnen leven, wil ik hier vermelden, dat bij een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt. [124]