De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren
Chapter 6
»En wat is nog die afstand naar Neptunus bij dien der vaste sterren! Wij kunnen dien niet meer bij mijlen uitdrukken, maar ik zal u iets anders zeggen. Het licht legt in iedere seconde een afstand van ruim 41,000 mijlen of omtrent 55,000 uren gaans af. Het licht der zon komt dus in ruim 8 minuten tot ons. Welnu! datzelfde licht zou, om van ons tot de allernaaste vaste ster, de grootste in het sterrenbeeld Centaurus te komen, meer dan 3 jaren noodig hebben, Sirius 14, de Poolster 43 jaren. En deze zijn voor ons de naaste vaste sterren. Daar zijn er, van welke men met zekerheid weet, dat zij niet minder dan driehonderdmaal verder kunnen zijn, misschien duizendmaal. Daar kan men dus eerst van afstanden beginnen te spreken. Weet gij wat ik denk van de wereld, die begint op de zon en eindigt op Neptunus? Doodeenvoudig. Het zonnestelsel is een vast lichaam, een vaste zelfstandigheid, de planeten zijn enkel gescheiden door ruimtetjes, zooals de stofdeeltjes van het zwaarste metaal, zilver, ijzer of platina. Daarom heb ik recht te zeggen en herhaal het met de innigste overtuiging »afstand is een hol woord, afstand is een onding!"
»Bravo! Hoezee!" klonk het uit 300.000 monden.
»Afstand is een onding!" schreeuwde Maston boven allen uit.
»Mijn vrienden!" ging Michel Ardan voort, »ik houd dit vraagstuk voor afgedaan. Als ik u allen niet overtuigd heb, ligt het aan de beschroomdheid mijner voordracht en de zwakheid van mijn betoog, niet aan het twijfelachtige der zaak. Hoe het zij, ik herhaal het: de afstand tusschen de Maan en de Aarde is in wezenlijkheid onbeduidend en niet waard dat een denkende geest er zich om bekommert. Ik geloof dus niet te veel te zeggen, als ik beweer, dat men mettertijd projectiel-treinen hebben zal voor een gemakkelijke reis naar de Maan. Daarop zijn geen botsingen, geen stooten, geen derailleering te vreezen, en men zal het doel bereiken, zonder vermoeienis, met snelheid, in een rechte lijn. Geen 20 jaren duurt het, of de helft der aardbewoners heeft een bezoek aan de maanbewoners gebracht?"
»Hoezee! Leve Michel Ardan!" riepen allen, ook de minst overtuigden.
»Leve Barbicane!" antwoordde de redenaar bescheiden.
Deze uitroep werd met levendige toejuichingen begroet.
Barbicane, zeer voldaan over den gang der vergadering, vreesde toch nog steeds, dat zoodra de theoretische beschouwingen van Michel Ardan in practische antwoorden zouden moeten overgaan, de vragers het wel eens lastig konden maken. Ten einde dit te voorkomen, vroeg hij zijn nieuwen vriend, of hij dacht, dat de Maan en de planeten bewoonbaar zijn.
»Een moeilijke vraag," heette het; »mijn waarde voorzitter, bedrieg ik mij echter niet, dan zijn mannen als Plutarchus, Swedenborg, Bernardin de St. Pierre, benevens vele anderen, van oordeel, dat uw vraag met ja moet beantwoord worden. Op het standpunt van natuurwetenschap zou ik mij aan hunne zijde scharen.
»Ik zou zeggen, dat hier op de aarde niets nutteloos bestaat en daarom denken, dat die andere werelden ook bewoonbaar zijn, of geweest zijn, of zullen zijn."
»Uitmuntend!" hoorde men door de naastbijstaanden uitroepen, terwijl Barbicane er bij voegde: »Goed geredeneerd. Ik verander dus mijn vraag; niet of de maan en de planeten bewoonbaar, maar of zij bewoond zijn."
»Ik voor mij ben daar zeker van," antwoordde Michel Ardan.
»Er is toch ook," merkte een ander aan, »nog al wat tegen te zeggen. Op vele der hemellichamen moeten het dan gansch andere wezens zijn. Om nu alleen van de planeten te spreken, op Neptunus, ja op Saturnus moet reeds alles stijf bevriezen."
»Het doet mij leed," antwoordde Michel Ardan, »mijn geëerden bestrijder niet persoonlijk te kennen, maar ik zal toch trachten hem te antwoorden. Zijn bedenking heeft waarde, maar ik geloof haar evenzeer te kunnen wederleggen als andere bewijsgronden tegen de bewoonbaarheid der hemellichamen. Indien ik natuurkundige was, zou ik zeggen, dat zoo er minder warmstestof in werking is op de planeten nabij de zon, en meer op die welke ver van de zon zijn, dit eenvoudig verschijnsel voldoende is om het evenwicht te herstellen en de temperatuur op die planeten ook voor ons geschikt te maken. Indien ik dierkundige was, zou ik met vele beroemde geleerden zeggen, dat de natuur ons op deze Aarde voorbeelden oplevert van dieren, ook levende onder omstandigheden die men er ver van geschikt toe zou achten; dat visschen ademen in een middelstof, voor de andere dieren doodelijk; dat de amphibiën in het water en op het land beide leven op een oogenschijnlijk onverklaarbare wijze; dat sommige zeedieren er op een verbazende diepte rondkruipen, gedrukt door een zwaarte van water, die ons verpletteren zou, een drukking van 50 of 60 dampkringen; dat sommige waterdiertjes, ongevoelig voor hitte of koude, evenzeer worden aangetroffen in kokende bronnen als in het ijs der poolzeeën. In één woord, dat men aan de natuur een verscheidenheid in haar middelen moet toekennen, welke dikwijls onbegrijpelijk is, maar niettemin bestaat. Indien ik scheikundige was, zou ik aanvoeren, dat de meteoorsteenen, klaarblijkelijk buiten onzen aardbol gevormd, bij het scheikundig onderzoek koolstof hebben opgeleverd, een zelfstandigheid, die een organischen oorsprong bewijst, en dat zij dus, volgens de onderzoekingen van Reichenbach, mede tot het dierenrijk moeten gebracht worden. En eindelijk, indien ik godgeleerde was, zou ik zeggen, dat volgens den apostel Paulus de goddelijke openbaring zich niet bepaalt tot het menschdom, maar ook tot al de hemelsche werelden. Maar ik ben noch godgeleerde, noch scheikundige, noch dierkundige, noch natuurkundige. Bij mijn volslagen onkunde in de groote wetten, volgens welke het heelal bestuurd wordt, bepaal ik mij dus hierbij: of die werelden bewoond zijn weet ik niet, en omdat ik het niet weet, ga ik het zien!"
Kwam de bestrijder van Michel Ardan met andere bewijsgronden? Dat is onmogelijk te zeggen, want de oorverdoovende toejuichingen verhinderden alle gelegenheid tot spreken. Toen eindelijk de stilte genoegzaam hersteld was, voegde de redenaar er het volgende bij:
»Ik heb, mijn waarde Yankees, het onderwerp slechts even kunnen aanroeren en er zijn andere bewijzen in overvloed voor de bewoonbaarheid der werelden. Ik laat die liggen. Laat mij slechts één woord mogen zeggen. Hun die de bewoonbaarheid der planeten ontkennen, moet men antwoorden: gij kunt gelijk hebben, indien bewezen is, dat de Aarde de best mogelijke wereld is, maar dat is zij niet, wat Voltaire er ook van moge gezegd hebben. Zij heeft slechts één wachter, terwijl Jupiter, Saturnus, Uranus, en Neptunus er verscheidene hebben--een voorwaar niet verwerpelijk voordeel. Maar wat vooral onze Aarde onaangenaam maakt, is de helling van haar as op haar loopbaan. Vandaar de ongelijkheid van dagen en nachten; vandaar de kwellende afwisseling der jaargetijden. Op onzen ellendigen aardbol is het altijd te heet of te koud; men bevriest er in den winter en smelt er in den zomer; het is de planeet van verkoudheden en van bloedspuwingen, terwijl b. v. op Jupiter, wiens as zeer weinig helt, de bewoners, aangenomen dat zij er zijn, altijd een onveranderlijke temperatuur genieten; er is een gordel van lente, een gordel van zomer; een gordel van herfst en een gordel van winter--allen bestendig; iedere Jupiterbewoner kan het klimaat kiezen dat hem bevalt en er zich vestigen, dan is hij vrij van alle weersverandering. Gij zult ongetwijfeld deze voortreffelijkheid van Jupiter boven onze aarde toegeven, om nu niet te spreken van de jaren, die ieder een dozijn der onze duren. Bovendien is het in mijn oog niet twijfelachtig of de bewoners dier wereld zijn onder die gelukkige omstandigheden voortreffelijker wezens; de geleerden zijn er zeker geleerder, de kunstenaars bekwamer, de deugnieten draaglijker, de goeden beter.
»Helaas! wat ontbreekt onzen aardbol om dien toestand te bereiken? Een kleinigheid--niets dan dat de as der aarde wat rechter op haar loopbaan gezet wordt."
»Welnu!" riep een zware stem; »laat ons dan met vereenigde krachten machines zien uit te denken om de as der aarde op te lichten!"
Een donderend geweld maakten op dat oogenblik de uitbundige toejuichingen van een voorstel, dat uit niemands mond kon komen dan van Maston. Hadden die Amerikanen slechts het door Archimedes verlangde steunpunt gehad, wie weet of zij niet een kraan hadden vervaardigd om de as der aarde eenige graden te verplaatsen! Maar zij hadden dat steunpunt niet, en dientengevolge bepaalde het lot van het voorstel zich daartoe, dat er een allergeweldigst lawaai gemaakt en de vergadering voor een kwartier werd geschorst.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
NA DE PAUZE.
De vergadering werd heropend met een motie van orde. Een der aanwezigen verzocht, dat men nu eens van de theoretische beschouwingen tot de practische zaken zou komen.
Aller blikken richtten zich naar den man die deze woorden uitte, en toen er niet spoedig genoeg naar zijn zin antwoord kwam, nogmaals zijn stem verhief: »Wij zijn hier om te spreken over de Maan, niet over de Aarde."
»Gij hebt gelijk, mijnheer," antwoordde Michel Ardan, »wij zijn van ons onderwerp afgeraakt en zullen tot de maan terugkeeren."
»Mijnheer," sprak de onbekende, »gij beweert, dat de Maan bewoond is. Maar dan moeten die luidjes leven zonder ademhalen, want er is geen aasje lucht op de Maan."
»Wie zegt dat, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan.
»Deskundigen!"
»Deskundigen!" sprak Michel Ardan met een ongeloovig lachje. »Deskundigen! In Frankrijk is een »deskundige," die wiskundig heeft bewezen dat een vogel niet vliegen kan, en een ander »deskundige," dat de visschen niet bestemd zijn om in water te leven."
»Daarover handelen wij nu niet, mijnheer!"
»Gij hebt het zeer gemunt, mijnheer, op een armen weetniet, die niets liever verlangt dan onderricht te worden."
»Waarom roert gij dan wetenschappelijke vraagstukken aan, als gij er geen kennis van hebt?" vroeg de onbekende vrij brutaal.
»Waarom? Omdat ik mij juist door mijn zwakheid sterk gevoel."
»Uw zwakheid wordt dwaasheid," merkte de onbekende zeer onbeleefd aan.
»Zooveel te beter!" riep de Franschman uit, »met mijn dwaasheid ga ik naar de maan."
Barbicane en zijn medeleden sloegen blikken van afkeuring en misnoegen, maar ook van heimelijken angst op den onbekende, die het schip der discussie naar de klippen van de gevaren en onmogelijkheden der onderneming scheen heen te sturen.
»De Maan," ging de vreemde voort, »heeft geen dampkring, en als zij er ooit een gehad heeft, moet die reeds sedert lang door de Aarde aan haar zijn onttrokken. Maar ik zal u liever feiten voorleggen."
»Leg mij zooveel voor als gij wilt," zei Michel Ardan met een zeer Fransch-hoffelijke buiging.
»Gij weet, dat wanneer de lichtstralen een middenstof, zooals de lucht doorloopen, zij van de rechte lijn afwijken, dat zij een zoogenaamde buiging of breking ondergaan. Welnu! Wanneer een ster door de Maan bedekt wordt, heeft men, als zij nabij de Maan gekomen was, nog nooit gezien, dat haar stralen eenige flectie ondergingen. De Maan vertoont dus geen spoor van dampkring."
»Dat zegt weinig, want de maanrand is niet volkomen scherp begrensd. Maar zeg mij liever, of gij al dan niet gelooft aan vulkanen op de Maan."
»Uitgedoofde wel, werkzame niet."
»Die vulkanen moeten dan toch eens in werking zijn geweest."
»Zeker, maar daar zij-zelven de ter verbranding noodige zuurstof konden leveren, bewijst het feit hunner uitbarsting niets voor het bestaan van een dampkring."
»Ik zal u feiten leveren," sprak Michel Arden bedaard. »In 1715 hebben de weerkundigen Louville en Halley, den 3den Mei van dat jaar een eclips waarnemende, eenige vuurschitteringen van zonderlingen vorm gezien. Zij bewogen zich snel en werden door de genoemde waarnemers voor onweders gehouden."
»Die waarneming betreft niets dan vuurbollen, zooals wij ze op de aarde ook wel eens zien. Zoo hebben andere geleerden er over geoordeeld en ik doe het ook."
»En heeft," vroeg Michel Ardan met onverstoorbaarbare kalmte »Herschel dan in 1787 geen menigte lichtpunten op de donkere zijde der Maan gezien?"
»Zeker, maar Herschel heeft niet getracht dat verschijnsel te verklaren en er althans geen bewijs voor het bestaan van een dampkring der Maan uit afgeleid."
»Goed geantwoord," sprak Michel Ardan niet zonder bijtende scherts, »gij schijnt ver in de maankennis."
»Ver genoeg om te weten, dat Beer en Mädler, sterrenkundigen die zeer hun werk van de Maan hebben gemaakt daaromtrent ook bepaald van hetzelfde gevoelen zijn."
Michel Ardan was niet uit het veld geslagen. »Laussedat, een bekwaam sterrenkundige, heeft in de eclips van 18 Juli 1860 de horens der zon afgerond en scheef gezien. Dit verschijnsel kon onmogelijk een andere oorzaak hebben dan een maandampkring."
»Maar is die waarneming bewezen?"
»Bewezen."
»Met uw verlof, boven de bergen dan toch niet," meende de hardnekkige onbekende.
»Dan toch in de valleien, eenige honderden voeten lager."
»Pas maar op dat ge dan komt waar gij wezen moet," was de raad van den onbekende.
»Dank u; er is allicht lucht genoeg voor één persoon, en ik zal wat zuinig ademhalen."
»Nu wij het," ging Michel Ardan voort, nadat de ongelooflijke toejuiching van zijn laatsten kwinkslag genoegzaam bedaard was, »nu wij het over, zij het dan een dampkringetje, eens zijn, moeten wij ook aannemen dat er water op de Maan is. Blij toe. Maar mag ik mijn geachten bestrijder nog iets doen op merken? Wij kennen slecht éene zijde der maanschijf, en er moge dan op de naar ons toegekeerde zijde weinig lucht zijn, mogelijk is het aan den anderen kant anders. De Maan toch heeft door den invloed van de aantrekkingskracht der aarde den vorm van een ei aangenomen, dat wij op de punt zien. Vandaar dat, gelijk ook de berekening van Hansen uitwijst, haar zwaartepunt in de van ons afgekeerde zijde ligt. Vandaar de meening, dat al de lucht en al het water, bijna terstond na de schepping der maan, naar die voor ons onzichtbare zijde moeten geweken zijn."
»Praatjes voor de vaak!" riep de onbekende uit.
»Neen, geen praatjes, zuivere wetenschap, geput uit de wetten der beweging."
»Gij zijt een roekelooze gek!" liet de onbekende zich ontvallen, maar het scheelde weinig of men zou hem om dien uitval buiten de vergadering geworpen hebben.
»Roekeloos?" vroeg Michel Ardan. »Ik ben zelfs zeer voorzichtig. Heb ik niet mijn vriend Barbicane om een projectiel verzocht, dat rechtuit schiet en niet als een kogel om en om rolt?"
»Ongelukkige, de schok zal u in het oogenblik van uw afreis te morsel slaan."
»Mijn waarde heer, daar slaat gij juist den spijker op den kop en legt den vinger op de eenige kwetsbare plaats. Maar ik denk wel dat het schrander beleid der Amerikanen er in zal voorzien."
»Maar de hitte, die door de snelle beweging van het projectiel door de lucht zal ontstaan?"
»De wanden zijn dik en ik zal in een oogenblik buiten den dampkring zijn."
»Maar de levensmiddelen en water?"
»Ik heb berekend voor een jaar te kunnen medenemen en mijn reis zal vier dagen duren!"
»En de lucht om onderweg in te ademen?"
»Langs scheikundigen weg zal ik lucht maken."
»Maar uw val op de Maan, gesteld dat ge er immer komt?"
»De val zal slechts 1/6 der kracht van een val op de Aarde hebben, aangezien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is."
»Toch genoeg om u te verbrijzelen als glas."
»En wie zal mij beletten mijn val te breken door middel van vuurpijlen, goed vervaardigd en op hun tijd aangestoken?"
»Wij willen nu eens aannemen, dat alles op zijn gelukkigst gaat en alle kansen in uw voordeel loopen; wij willen onderstellen dat gij heelhuids op de Maan aanlandt--hoe komt gij terug?"
»Ik kom niet terug."
Dit antwoord, verheven door zijn eenvoud, bracht de vergadering in een stomme verbazing. Maar die stilte was welsprekender dan de luidste bijvalsbetuigingen zouden geweest zijn. De onbekende maakte er gebruik van om nog een laatsten pijl af te schieten.
»Ga voort, want inderdaad gij zijt een recht aangename profeet," zei Michel Ardan met een vriendelijk lachje.
»Al genoeg," was het antwoord. »Ik weet niet waartoe verdere schermutselingen dienen zouden. Ga uw gang met uwe dollemans onderneming. Met u is er geen praten over."
»Geneer u anders niet!"
»Neen! het is een ander die de verantwoordelijkheid uwer dwaasheid draagt."
»En wie dan, asjeblieft?" vroeg Michel Ardan op hoogen toon.
»De weetniet, die deze even onmogelijke als bespottelijke onderneming op touw heeft gezet."
De steek was niet onder water. Barbicane had al van het oogenblik af dat de vreemde in het strijdperk verschenen was, alle moeite gedaan om zich in te houden. Nu hij zoo ongezouten bij den kraag werd gevat, stond hij op en trad op den onbekenden spreker toe, die hem uittartend afwachtte.
Plotseling werd hij van dien man gescheiden. Opeens namen honderd armen de tribune op, en de voorzitter der Gun-club benevens Michel Ardan werden in zegepraal rondgedragen, evenals bij de Ouden de held op een schild.
Het schild woog nogal zwaar, maar de dragers wisselden elkander onophoudelijk af, daar iedereen wedijverde om zijn schouders onder deze huldebetooging te zetten.
De onbekende had echter van de verwarring geen gebruik gemaakt om weg te sluipen. Hij zou het ook in dat dichte gedrang niet hebben kunnen doen. Hoe het zij, met de armen over elkander geslagen hield hij den strakken blik op Barbicane gevestigd.
Deze verloor hem niet uit het oog en de oogen der beide mannen schoten als bliksemstralen tegen elkander in.
Inmiddels bewoog zich de tribune stadwaarts, op de schouders wiegelende als een boot op het water, te midden van ontelbare hoeden, als golven bewogen. Nu en dan stampte en slingerde het vaartuigje wel wat, doch de beide passagiers stonden stevig en zij bereikten gelukkig de haven van Tampa-Town.
Michel Ardan slaagde er gelukkig in, zich aan de laatste toejuichingen zijner vurige bewonderaars te onttrekken. Hij vluchtte in het hotel _Franklin_, sloop naar zijn kamer en dook onder de dekens, terwijl een eerewacht van 100.000 personen onder zijn ramen verzameld stond.
Inmiddels had een kort, ernstig, beslissend tooneel plaats tusschen den geheimzinnigen kampvechter en den voorzitter der Gun-club.
Zoodra Barbicane de handen vrij had, ging hij op zijn partij af.
»Kom eens hier!" zeide hij kortaf.
De ander volgde hem op de kade. Zij waren met hun beiden alleen. Met toornige blikken zagen zij elkander aan.
»Wie zijt gij?" vroeg Barbicane.
»Kapitein Nicholl."
»Ik dacht het half. Tot dusver heeft het toeval u nooit op mijn weg gevoerd...."
»Ik ben er met opzet op gekomen."
»Gij hebt mij beleedigd."
»In het openbaar."
»En gij zult mij rekenschap geven van dien hoon."
»Op 't oogenblik."
»Neen, ik verlang dat alles tusschen u en mij blijft. Drie mijlen van Tampa is een bosch, het bosch Skerman. Kent gij het?"
»Ja."
»Is het u goed er morgen te 5 ure van den eenen kant in te gaan."
»Zeker, indien gij er op denzelfden tijd van den anderen kant in komt?"
»En gij zult uw buks niet vergeten?" zei Barbicane.
»Zoo min als gij de uwe," antwoordde Nicholl.
Na dit koele gesprek gingen de kapitein en de voorzitter der Gun-club elk huns weegs. Barbicane kwam thuis, maar in plaats van eenige uren rust te nemen, toog hij aan het zoeken van middelen om den weerstoot van het projectiel te voorkomen en het door Michel Ardan opgeworpen vraagstuk optelossen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
IN HET BOSCH.
Terwijl de voorzitter en de kapitein de zooeven verhaalde afspraak maakten, trachtte Michel Ardan tevergeefs van de vermoeienissen der volksvergadering uitterusten, trachtte, zeg ik, want rusten is op Amerikaansche bedden een moeilijke zaak: zij kunnen zich in hardheid met de beste marmeren tafels meten. Ardan sliep dan ook slecht, en terwijl hij zich om en om keerde tusschen de servetten, die lakens moesten verbeelden, nam hij zich voor, in zijn projectiel een gemakkelijker rustbed aan te brengen.
Zijn overdenkingen daarover werden gestoord door een hevig kloppen op de kamerdeur en een schreeuwen: »open, in 's hemels naam doe open."
Nog eer hij van bed was, stortte iemand de kamer meer binnen dan hij er in stapte. 't Was de secretaris der Gun-club, vriend Maston.
»Gisteren avond," stootte deze hijgende uit, »is onze voorzitter in 't openbaar beleedigd. Hij heeft zijn partij uitgedaagd, 't is niemand anders dan kapitein Nicholl. Dezen morgen vroeg vechten zij in het bosch Skerman, ik heb dat uit den mond van Barbicane zelf. Als hij valt, ligt onze gansche zaak in duigen. Zij moeten elkander niet te lijf. Er is in de wereld maar één persoon die invloed genoeg op Barbicane heeft om dat duel te verhinderen, en die persoon is Michel Ardan."
Intusschen had Michel Ardan zijn kleeren aangeschoten en eenige minuten later namen de beide vrienden den weg naar de voorsteden van Tampa-Town onder de voeten. Onderweg bracht Maston den Franschman op de hoogte der zaak, namelijk van den ouden grond der vijandschap tusschen Barbicane en den kapitein. Hij verhaalde hoe personen, met beiden bevriend, nog altijd een persoonlijke ontmoeting van beiden hadden weten te verhinderen, en dat Nicholl nu eindelijk de gelegenheid had te baat genomen om oude veeten op te rakelen.
Niets is afschuwelijker dan de persoonlijke veeten in Amerika, gedurende welke de beide partijen elkander beloeren op hoeken en wegen en als wilde beesten elkander in het houtgewas aanvliegen. In zulke gevallen moet ieder van hen jaloersch zijn op die verwonderlijke hoedanigheden, van nature eigen aan de Indianen der prairiën, hun snelle bevatting, hun schrandere list, hun ruiken van de voetstappen hunner vijanden. Bij dat rondsnuffelen naar hunnen vijand gaan de Yankees er dikwijls op uit met hunne honden, en terwijl zij jager en wild tegelijk zijn, liggen ze uren lang op de wacht.
»Welk een duivelsch volk zijt gij!" riep Michel Ardan uit, toen Maston hem de geheele geschiedenis verhaalde.
»Zoo zijn wij nu eenmaal," antwoordde de secretaris, »maar wij moeten ons haasten."
Doch hoe ook aanstappende, het bosch Skerman konden zij niet vóór halfzes bereiken. Barbicane was aan zijn kant reeds een half uur geleden het bosch ingetreden.
Zij zagen een bejaarden houthakker takkebossen binden. Maston ging naar hem toe en riep reeds uit de verte: »hebt gij iemand met een buks het bosch zien inkomen,.... mijnheer Barbicane, den voorzitter....
De secretaris der Gun-club dacht in zijn eenvoud, dat zijn voorzitter als zoodanig aan de geheele wereld bekend moest zijn. Maar de houthakker scheen hem niet te begrijpen.
»Een jager," voegde Michel Ardan er bij.
»Een jager? ja," antwoordde de houthakker.
»Is het lang geleden?"
»Bijna een uur."
»Te laat!" riep Maston uit.
»En hebt gij geweerschoten gehoord?" vroeg Michel Ardan.
»Neen."
»Geen enkel?"
»Geen enkel. De jager schijnt platzak thuis te zullen komen."
»Wat nu?" zei Maston.
»Het bosch ingaan, op gevaar af een schot te krijgen, dat niet voor ons bestemd is."
»Ach!" klaagde Maston op droevigen toon. »Ik had liever tien kogels in het hoofd dan éen in dat van Barbicane."
»Vooruit dan!" sprak Michel Ardan.
Zij gingen verder, een uur lang, maar vruchteloos. Zij riepen van tijd tot tijd: »Barbicane!" »Nicholl!" Maar tevergeefs. Nog een uur--even vruchteloos.
Reeds begonnen zij den moed op te geven, toen Maston iemand meende te zien. Hij vergiste zich niet. 't Was kapitein Nicholl. Maar wat deed hij? Niets anders dan een vogeltje uit het net eener reusachtige vergiftige spin bevrijden!
De kapitein hoorde geritsel. Hij keek op en riep: »Michel Ardan! Wat komt gij hier doen, mijnheer?"
»U de hand drukken, Nicholl, en u beletten Barbicane dood te schieten of door hem doodgeschoten te worden."
»Barbicane," riep de kapitein uit, »ik zoek hem sedert een paar uren, maar ik kan hem niet vinden. Waar zit hij?"
»Barbicane," antwoordde Michel Ardan, "is een man die achting verdient, en wat gij ook met hem gehad moogt hebben, dat moet uit zijn. Ik gedoog niet, dat ge met hem duelleert."
»Ik zal met hem duelleeren."