De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren

Chapter 2

Chapter 23,944 wordsPublic domain

2º. Op de vraag: hoe groot is de juiste afstand van de maan tot de aarde?--De maan beschrijft om de aarde geen cirkel, maar een elliptische baan, in een van welker brandpunten de aarde staat; vandaar dat de afstand nu grooter, dan kleiner is; het grootst--sterrenkundig gesproken--in haar apogeüm, het kleinst in haar perigeüm. Het verschil is zoo groot, dat men het niet mag verwaarloozen. In haar apogeüm is de maan 398.560 kilometer, in haar perigeüm 352,040 kilom. van de aarde verwijderd, hetwelk een verschil maakt van 46.520 kilom., meer dan 1/9 van het geheel. De perigeüm-afstand moet dus ten grondslag der berekening gelegd worden.

3º. Hoe lang zal de reis van het projectiel duren bij een toereikende aanvankelijke snelheid, en waarheen moet men het dus richten, ten einde de maan op een bepaald punt te bereiken?--Indien het projectiel de aanvankelijke snelheid van 12,000 yard in de seconde bleef behouden, zou het slechts nagenoeg negen uren onderweg zijn; maar daar deze snelheid aanhoudend afneemt, zal het projectiel volgens de berekening 300,000 seconden, zegge 83 uren en 5 minuten noodig hebben om het punt te bereiken waar de aantrekkingskracht der maan en die der aarde in evenwicht is; van dit punt zal het op de maan vallen in 50.000 seconden of 13 uur 53 min. 20 sec. Derhalve in 't geheel 96 u. 58 min. 20 sec.

4º. Op welk oogenblik zal de maan zich in den gunstigen stand bevinden om door het projectiel bereikt te worden?--Uit het bovenstaande blijkt, dat men het maan-perigeüm kiezen moet, en tevens het oogenblik waarop de maan in het zenith (toppunt, schedelpunt) staat, dat den stand met het bedrag der lengte van den straal der aarde vermindert, namelijk ruim 19,820 kilom. Maar ofschoon de maan in iederen omloop door haar perigeüm gaat bevindt zij zich op dat oogenblik niet altijd in het zenith. Het samenvallen der beide omstandigheden moet dus worden afgewacht. Gelukkigerwijs nu is dit den 4den December van het volgende jaar het geval; de maan bevindt zich dan te middernacht in haar perigeüm, d. i. op haren kortsten afstand van de aarde, en zij staat op hetzelfde oogenblik in het toppunt.

5º. Op welk punt van den hemel moet men het stuk richten?--Volgens het voorafgaande moet het stuk juist loodrecht opwaarts gericht worden: bij deze richting is het projectiel het spoedigst aan de aantrekkingskracht der aarde onttrokken. Maar zal de maan door het toppunt eener plaats gaan, dan moet die plaats geen hooger breedte hebben dan de declinatie der maan, m. a. w. tusschen 0° en 28° Noorder- of Zuiderbreedte. Op ieder ander punt moet de richting noodwendig schuins zijn, hetgeen nadeelig zou wezen voor het slagen der proef.

6º. Op welk punt zal de maan aan den hemel staan op het oogenblik, dat het projectiel wordt afgeschoten?--Daar de maan dagelijks 13°10'35'' boogs in haar baan voortrukt, moet zij het vierdubbele daarvan van het toppunt verwijderd zijn, t.w. 52°52'5'', overeenkomende met den tijd dien zij besteedt om voort te rukken van het punt, waar zij zich bevindt op het oogenblik van afschieten, tot dat, waarop het projectiel haar bereikt. Maar men moet ook in rekening brengen den invloed van de aswenteling der aarde op de richting van het projectiel; en daar het projectiel eerst de maan bereikt na het afleggen van 60 stralen der aarde, moet men deze 11° voegen bij den reeds vermelden weg der maan, 64° in een rond getal. Derhalve moet de richting van het stuk op het oogenblik van afschieten een hoek van 64° met de loodlijn hebben.

Ziehier de opgegeven vragen beantwoord.

Resumeere:

1º. Het stuk moet geplaatst worden op een punt, minder dan 28° N. of Z. Breedte hebbende.

2º. Het moet gericht worden naar het toppunt der plaats.

3º. Het projectiel moet een snelheid hebben van 12.000 yard in de eerste seconde.

4º. Het moet worden afgeschoten den 1sten December des volgenden jaars, en wel te 11 u. 46 min. 40 sec.

5º. Het projectiel zal de maan bereiken vier dagen na het afschieten, den 4den December te middernacht, als wanneer de maan in het toppunt staat.

De leden der Gun-club moeten derhalve onverwijld de voorbereidende maatregelen nemen, teneinde op het opgegeven oogenblik gereed te zijn. Indien zij dit tijdstip laten voorbijgaan, zal de maan eerst na 18 jaren en 21 dagen op hetzelfde punt terugkeeren.

Het bestuur der Sterrenwacht voornoemd stelt zich gaarne ter uwer beschikking voor de vraagstukken, de theoretische sterrenkunde betreffende en voegt zijn gelukwenschen bij die van geheel Amerika.

den 7den October.

Namens het bestuur, J. M. Belfast, _Directeur der Sterrenwacht._

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE MAAN.

Als door een tooverslag werd zij te Baltimore de heldin van den dag. Naar haar richtten zich aller oogen, gewapend en ongewapend; over haar spraken aller monden, bevoegd en onbevoegd. 't Was alsof de maan pas was ontstaan en nooit te voren geschenen had; maar 't was ook alsof handel en nijverheid plotseling hadden moeten wijken voor de sterrenkunde.

Geen wonder! De dagbladen hadden het rapport der beroemde sterrenwacht te Cambridge getrouwelijk opgenomen. De dagbladen namen bovendien de moeite om het publiek in te lichten aangaande allerlei bijzonderheden, betrekking hebbende op de maan en haren loop.

»Alles wel," sprak een heer met eerbiedwekkenden lichaamsomvang, »maar 't wil er bij mij niet in, dat men zou weten hoe ver de maan van ons vandaan is; men moet dat met stokken of een lijn meten, en zoolang men met geen projectiel op de maan is aangekomen, weet geen sterveling hoe lang de lijn van hier naar de maan zou moeten zijn, een lijn of een koord, om 't even.

»En toch weet men dat nog zekerder dan hoe ver Baltimore van Washington ligt," zei een klein mager manneke met een halfversleten rok en driekwart dito pantalon. »Men weet dat door de parallaxis."

»Wat is dat voor een ding?" vroegen onderscheidene stemmen. Het manneke bedacht zich een oogenblik en sloop behendig de zaal uit. 't Was iemand die partij wist te trekken van zijn kundigheden en het voor dwaas hield om weg te smijten wat men goed verkoopen kon. Hij had zoowat gebeunhaasd in de scheikunde, in de gymnastiek, in boekhouden, in vertalen, in wat niet al.

Den anderen morgen las men in de voornaamste dagbladen en op bijna alle aanplakplaatsen door de geheele stad met kolossale letters, dat de heer James, professor in de sterrenkunde--waar, stond er niet bij--eenige voorlezingen zou houden over de maan, de eerste over haar parallaxis. Dat woord werkte als een electrieke schok, de kosten waren matig, en het manneke sloeg zich een nieuw pak uit de maan-parallaxis.

»Parallaxis," onderwees hij, »is de hoek, onder welken men een voorwerp ziet als men het van twee punten beschouwt. Knijpt uw éen oog, het rechter eens dicht en kijk door het linker naar het een of ander punt, ieder naar zijn welgevallen."

»Ik heb geen linker oog," zei een lid der Gun-club.

»Stilte, stilte!" werd geroepen.

»Onthoudt uw punt wèl," ging de redenaar voort, »en sluit nu het linker, en ziet met het rechter of het punt waar gij den blik op richttet, niet een weinig meer links staat van een ander voorwerp er achter."

De spreker moest de zaak nog eens herhalen, maar verwierf toejuiching--de aandacht was er. En nu ging hij verder en betoogde, dat men door hoekmetingen den versten afstand der maan tot de aarde bepalen kan op 54,644 geographische mijlen, den kleinsten op 48,961, den gemiddelden op 51,803, alles met een zeer kleine onzekerheid.

In een volgende bijeenkomst gaf hij een andere opheldering. Hij had vernomen, dat iemand, in een dagblad gelezen hebbende dat de maan een omwenteling om haar as volbrengt in denzelfden tijd als een omloop om de aarde, en dat zij altijd dezelfde zijde naar de aarde toekeert, verklaard had dit onmogelijk te kunnen vereenigen, omdat, als de maan altijd dezelfde zijde naar de aarde toekeert, zij zijns bedunkens in 't geheel geen omwenteling om haar as had. »Vergunt mij," sprak hij, »u te verzoeken, dat gij u verbeeldt aan een ronde tafel te staan; op het midden der tafel staat een schotel oesters. Gij gaat om de tafel heen, indiervoege, dat gij altijd het gelaat naar de oesters gewend hebt. Als gij nu om de geheele tafel zijt gegaan, altijd naar de oesters gekeerd, dan hebt gij immers bij dat maken van een toer om de tafel uw gelaat naar alle zijden van de kamer gewend?"

»Goed, goed! ja, ja!" klonk het van alle zijden.

»Welnu, de schotel oesters is de aarde, uw gelaat de maan."

En zoo duidelijk wist het manneke het eene voor, het andere na uit te leggen. Dit maakte, dat zijn lezingen nog al lang bijval vonden: over de voorstellingen, die de ouden zich van de maan maakten, over de latere--te beginnen met de Egyptenaars, die haar onder den naam Isis, en de Phoeniciërs die haar als Astarte vereerden, en zoo voortgaande tot Thales, die de stelling opperde, dat de maan door de zee verlicht werd; tot Hevelius, die er bergen op waarnam; tot Gruithuizen, die er vestingwerken op zag; tot Beer en Mädler, die allernauwkeurigste maankaarten gaven en de hoogte der hoogste maanbergen op veel meer dan die van de hoogste bergen der aarden bepaalden. »Betrekkelijk zijn dus," voegde hij er bij, »de maanbergen veel hooger dan de onze, want de maan is vijftigmaal kleiner dan de aarde, en nu moet gij u voorstellen twee pasteien, even groot maar de eene moet dienen voor acht volwassen uitgehongerde personen en de andere voor een weldoorvoeden kleinen jongen. Nu is immers de laatste pastei niet op haarzelve, maar betrekkelijk grooter dan de eerste."

Door zulke uitleggingen werd de sterrenkundige wetenschap aangaande de maan te Baltimore zeer bevorderd, terwijl de dagbladen door allerlei kwinkslagen de aandacht op den wachter onzer aarde gevestigd hielden. En wel zoo gevestigd hielden, dat de maan astronomisch, geologisch, politisch, moralisch, socialistisch en nog meer-istisch bekeken was, terwijl de Gun-club zich voorbereidde om de proef op al die sommen te leveren. 't Is niet noodig te zeggen, dat onder al die geleerdheid ook de Amerikanen--want de maandrift sloeg ook buiten Baltimore over--het voor betamelijk hielden ook kennis te dragen van het wezen en de oorzaak der zon- en maan-eclipsen. Aan vermetelen, die durfden beweren dat de maan oorspronkelijk een komeet was geweest, werd het zwijgen opgelegd door de doodeenvoudige, maar alles afdoende opmerking dat de kometen bijna geheel uit dampkring bestaan, terwijl de maan volstrekt geen dampkring heeft. Ook het geloof aan den invloed der maan op het weder moest hier en daar een veer laten; zoo ook de vaste overtuiging, dat jongens moesten geboren worden bij wassende, meisjes bij afnemende maan.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET PROJECTIEL.

De Sterrenwacht te Cambridge had in haar merkwaardig schrijven van 7 October de zaak van haar sterrenkundige zijde behandeld. De technische zou in ieder ander land op onoverkomelijke bezwaren gestuit zijn: in Amerika was het slechts kinderspel.

Barbicane had als voorzitter der club onverwijld een commissie benoemd, die in drie zittingen het stuk, het projectiel en het kruit in overweging moest nemen. Drie leden, grondige kenners van het vak, maakten met den voorzitter de commissie uit: generaal Morgan, kolonel Elphiston en Maston. De laatste zou de functiën van secretaris en rapporteur op zich nemen; aan den voorzitter werd zoo noodig een beslissende stem toegekend.

Reeds den 8sten October vergaderde de commissie ten huize van Barbicane, Republican-street 3. Na den inwendigen mensch behoorlijk te hebben versterkt, opende de voorzitter de beraadslaging met een lofrede op de wetenschap der ballistiek, dat wil zeggen: der beweging van voorwerpen, die uit eenig voorwerp, met behulp der kracht van zekere voorwerpen, in de vrije lucht worden afgeschoten.

»De ballistiek! De ballistiek!" riep Maston uit.

»'t Ware, dunkt mij, het best, de eerste zitting aan de lading te wijden," meende de voorzitter.

»De lading," zei generaal Morgan.

»Ik vraag het woord!" riep Maston.

»Het woord is aan u."

Maston maakte daarvan gebruik door op te merken, dat men het projectiel moest beschouwen als een gezant, door de aarde naar de maan gezonden, en dat de gezant zelf de voorkeur wel diende te hebben boven het vervoermiddel dat den ambassadeur naar zijn ambassade overbracht.

Deze opmerking gaf den doorslag: het projectiel werd aan de orde gesteld.

Maston zou kort wezen--hij zeide het zelf--en de gewone, stoffelijke, moorddadige projectielen op hun plaats laten, om de beteekenis van het projectiel in hare hoogste vormen op te vatten: het projectiel was voor hem de meest sprekende uitdrukking van 's menschen macht; het was van een alomvattende beteekenis. »De Schepper," meende hij, »heeft de sterren en planeten voortgebracht, de mensch het projectiel, dien vertegenwoordiger van het krachtsbegrip, vertegenwoordigende de verschijnselen aan den sterrenhemel. Van den Schepper de snelheid der electriciteit, de snelheid van het licht, de snelheid der sterren, de snelheid der kometen, de snelheid der planeten, de snelheid harer wachters, de snelheid van het geluid, de snelheid van den wind! Maar van ons de snelheid der projectielen!"

Maston werd opgewonden. Maston werd dichterlijk, Maston werd welsprekend. »Wilt gij cijfers?" riep hij uit. »Neemt een eenvoudigen vierentwintig ponder; hij heeft, ja, 800.000 maal minder snelheid dan de electriciteit, 640.000 maal minder dan het licht, 76 maal minder dan de aarde in hare beweging om de zon; maar zijn aanvankelijke snelheid overtreft toch die van het geluid; hij legt 400 meter in de seconde af en zou, zijn eerste snelheid behoudende, in 11 etmalen de maan, in 12 jaren de zon bereiken. Dat kan een eenvoudige kogel, het werk onzer handen! Leve het projectiel!"

»Leve het projectiel!" juichten de overigen hem na.

»Nu ter zake," verzocht de voorzitter. »'t Is de vraag, hoe aan een projectiel een snelheid van 12,000 yard in de seconde te geven. Zullen wij die hopen te bereiken, dan moeten wij eerst weten hoe ver men het reeds gebracht heeft. Generaal Morgan zal ons daaromtrent wel willen voorlichten."

»Gemakkelijk," antwoordde de generaal, »want ik ben in den oorlog lid geweest der commissie van onderzoek. Ik kan u dus zeggen, dat het kanon Dahlgreen, dat 5000 meter ver droeg, aan het projectiel een snelheid gaf van 500 yard in de seconde. Het Rodman-stuk, dat op het fort Hamilton bij New-York beproefd werd, schoot een projectiel van een halve ton gewicht met een snelheid van 800 yard in de seconde af--een snelheid, nooit door de Armstrongs en Pallisers in Engeland bereikt. Gij weet wel, het stuk kreeg den naam Columbiad...."

»En is dat niet de grootste snelheid tot hiertoe bereikt?" vroeg Barbicane. De generaal sprak het niet tegen.

»Was mijn stuk maar niet gesprongen!" klaagde Maston, »dan zoudt ge wat anders gezien hebben."

»Nu ja," merkte de voorzitter aan; »het is gesprongen. Wij hebben dus een snelheid van 800 yard per seconde, die moet dus vertwintigvoudigd worden. Hoe--daarover zullen wij in een volgende zitting handelen. Ik stel nu de vraag aan de orde, welke afmetingen het projectiel moet hebben. Zeer groot moet het zijn; vooreerst om de aandacht der maanbewoners--indien zij er zijn--te trekken; en ten tweede, vooral om het met het oog te kunnen volgen. Gij weet, dat de kijkers een zeer hoogen graad van volkomenheid bereikt hebben. Er bestaan kijkers met een 6000-malige vergrooting, sterk genoeg om de maan te doen schijnen als op een afstand van 160 kilometer. Op dien afstand moeten voorwerpen van 60 voet afmeting duidelijk zichtbaar zijn. Dat men het met de kijkers nog niet verder heeft gebracht, vindt daarin zijn reden, dat met de verhooging van de vergrootingskracht de helderheid vermindert: de maan, die geen eigen licht heeft, maar als een spiegel het zonlicht terugkaatst, bezit te weinig lichtsterkte om meer vergrooting toe te laten."

»En hoe nu?" vroeg de generaal. »Zult gij aan uw projectiel, een doorsnede van 60 voet geven?"

»Neen."

»Dan de lichtsterkte der maan verhoogen?"

»Juist."

»'t Is sterk," riep Maston uit.

»'t Is eenvoudig," antwoordde Barbicane. »Indien ik de lucht verdun, de lucht namelijk door welke het licht der maan heendringt, heb ik immers de lichtsterkte verhoogd? Welnu, ik heb slechts mijn kijker op een hoogen berg op te stellen. Dat doen wij. Dat zal een vergrooting van de lichtsterkte geven tot het 48000voudige, zoodat de maan een afstand van slechts 20 kilometer schijnt te hebben en de voorwerpen slechts 9 voet doorsnede groot behoeven te zijn om zichtbaar te wezen."

»Dus--ons projectiel een doorsnede van 9 voet!" riep Maston uit.

»Juist."

»Maar het gewicht?" merkte majoor Elphiston aan.

»O, wat dat betreft," antwoordde de voorzitter, »dat is geen bezwaar. Om projectielen van onbegrijpelijke zwaarte te schieten heeft men het reeds in vroeger dagen ver gebracht. Bij de belegering van Constantinopel door Murad II, in 1453, schoot men steenen kogels van bijna 1000 kilo."

»Het is sterk, zeer sterk," zei de majoor.

»Op Maltha stond in den tijd der Maltheser ridders een stuk geschut, dat projectielen van 1250 kilo afschoot."

»Dat is niet mogelijk."

Barbicane gaf op deze laatste aanmerking geen acht. Althans hij vervolgde: »alles samengenomen schijnt het, dat, indien al de stukken aan draagverte gewonnen hebben, de projectielen aan zwaarte hebben verloren. In het kort, wij hebben eenvoudig het gewicht der projectielen uit de tijden van Murad II en de Maltheser ridders te vertienvoudigen."

»Goed en wel," hernam de majoor, »maar van welk metaal wilt gij het projectiel maken?"

»Eenvoudig van gegoten ijzer," antwoordde generaal Morgan leuk weg.

»"Dat's te gemeen voor een gezantschap naar de maan," vond Maston.

»In allen gevalle," liet majoor Elphiston zich hooren, »daar het gewicht van het projectiel evenredig is aan zijn grootte, moet een van 9 voet doorsnede nog verbazend zwaar zijn."

»Ja, als het massief, niet als het hol is," zei Barbicane.

»Hoe? Wilt ge er dan een bom van maken?"

»Waarmeê men berichten kan verzenden," vulde Maston aan, »en monsters van onze aardsche voortbrengselen."

»Zeker een bom," sprak Barbicane, »dat moet volstrekt. Een massieve kogel van 108 duim zou meer dan 100,000 kilo wegen, en dat is te veel; maar daar het projectiel toch sterk genoeg moet zijn, stel ik voor, 2500 kilo."

»En hoe dik zijn dan de wanden?" vroeg de majoor.

»Dat zal volgens de gewone regeling op hoogstens een paar voet komen," meende Morgan.

»Te veel," hernam Barbicane; »onthoudt het wel: het is geen stuk om ergens door heen te schieten; het behoeft niet sterker te zijn dan noodig is om weerstand te bieden aan de kracht van het kruit. Het vraagstuk komt dus hierop neer: hoe dik moet een gegoten ijzeren bom zijn om niet meer te wegen dan 10,000 kilo? Onze handige rekenaar Maston zal ons dat wel in deze zitting zelve willen zeggen."

»Niets gemakkelijker dan dat," sprak de secretaris der commissie. En hij zette vlug eenige algebraïsche formules op het papier en na een wijle cijferens liet hij zich hooren: »Nauwelijks een paar duim."

»Is dat genoeg?" vroeg de majoor.

»Waarachtig niet, op geen stukken na," verzekerde de voorzitter.

»Wat dan?"

»Een ander metaal nemen."

»Welk?"

»Aluminium."

»Aluminium!" schreeuwden de drie medeleden uit.

»Aluminium," herhaalde de voorzitter Barbicane. »Gij weet, dat een vermaard Fransch scheikundige, Henri Sainte-Claire Deville, in 1854 geslaagd is, aluminium tot een vaste massa te brengen. Dit metaal is zoo blank als zilver, zoo vast als ijzer, zoo taai als goud, zoo smeltbaar als koper en zoo licht als glas. Het laat zich gemakkelijk bewerken; het is zeer verspreid in de natuur, daar de meeste rotsen aluminium bevatten; het is driemaal lichter dan ijzer--ja, het schijnt opzettelijk geschapen om ons de stof voor ons projectiel te leveren."

»Leve het aluminium!" riep de secretaris uit.

»Maar komt het niet te hoog in prijs?" vroeg de majoor.

»Nu niet meer; vroeger was het veel duurder. Men heeft het tegenwoordig voor 18 dollar het kilo."

»'t Is toch nog een handvol geld."

»Zóo erg niet. Het projectiel zou naar mijn berekeningen een gewicht hebben van 33,720 kilo; van aluminium nog geen 10,000 kilo. Derhalve tegen 9 dollar nog geen 100,000 dollar. En aan geld zal het ons niet ontbreken."

»Top, aluminium," was het eindbesluit en de zitting der commissie werd gesloten.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET STUK.

Toen bekend werd, dat de commissie besloten had tot een projectiel van 10,000 kilo, waren bange lieden bevreesd voor de gevolgen van een schot dat zulk een gevaarte wegwierp. Maar het verslag der zitting antwoordde zegevierend op zulke kleingeestigheden.

Den volgenden avond werd de hartsterking wat ruimer genomen--het kon op den aanvankelijk goeden uitslag staan! Daarna kwam men ter zake.

»Thans," aldus opende de voorzitter de zitting, »is het stuk zelf aan de orde. Dat het reusachtig groot moet zijn, spreekt van zelf, maar ons vernuft is ook niet verwerpelijk klein. Hoort mij dus, en spaart mij in uw aanmerkingen niet."

»Na het gisteren behandelde," ging hij voort, »doet het vraagstuk zich voor in dezen vorm: een snelheid van 12,000 yard in de eerste seconde te geven aan een bom van 108 duim doorsnede, zwaar 10,000 kilo."

»Zoo is het juist," merkte majoor Elphiston aan.

»Wanneer," ging Barbicane voort, »een projectiel in de ruimte is afgeschoten, wat gebeurt dan? Er zijn drie krachten, die er, onafhankelijk van elkander, op werken: de tegenstand der middelstof, de aantrekking der aarde en de kracht van voortdrijving. De tegenstand der middelstof, der lucht, zal weinig beteekenen. De dampkring der aarde is slechts tien mijlen hoog. Met een snelheid van 12,000 yard in de eerste seconde heeft het projectiel in enkele seconden den dampkring doorkliefd--kort genoeg om met den tegenstand der lucht geen rekening te houden. En nu de aantrekking der aarde, met andere woorden het eigen gewicht van de bom. Wij weten, dat dit gewicht vermindert in de vierkants-evenredigheid tot den afstand. De natuurkunde leert ons het volgende: wanneer een lichaam vrij naar de aarde valt, legt het 15 voet in de eerste seconde af, en indien dit lichaam verplaatst was naar een afstand, zoo groot als die tusschen de aarde en de maan, zou die valhoogte in de eerste, seconde slechts 173 millimeter zijn, dus zoo weinig als niets. Derhalve bestaat de oplossing van het vraagstuk in een trapswijze bestrijding van deze werking der zwaartekracht. Hoe dit doel te bereiken? Door het voortstuwingsvermogen."

»Daar zit het hem juist!" merkte de majoor aan.

»Wij verkrijgen die kracht," ging Barbicane voort, »door acht te geven op de lengte van het stuk en de hoeveelheid kruit. Daarom, eerst over de afmetingen van het stuk. Klaarblijkelijk kunnen wij het zoo vervaardigen, dat de weerstandbiedende kracht om zoo te zeggen oneindig is, want het is toch niet bestemd om er mede te manoeuvreeren."

»Duidelijk," zei de generaal.

Barbicane merkte aan, dat de langste tot dusver bekende stukken een lengte hadden van 25 voet, waarop Maston met veel nadruk verklaarde, voor een kanon van een paar kilometer lengte te stemmen--een uitval, die bijna een meer dan levendige woordenwisseling scheen te zullen doen ontstaan, zoodat de voorzitter van zijn gezag moest gebruik maken. Hij gaf toe, dat men een stuk van buitengewone grootte moest hebben, dewijl de lengte een ophooping der gassen onder het projectiel zou veroorzaken; naar zijn gevoelen was het echter vruchteloos, zekere grenzen te overschrijden. Hij voegde er ten slotte nog de vraag bij, welke in dat geval de gebruikelijke regelen waren. »De lengte van een stuk," zeide hij, »is gewoonlijk 20-25 maal de doorsnede van het projectiel, en beider gewicht staat tot elkander = 1.235 tot 240."

»Niet genoeg!" riep Maston uit.

»Toegegeven, mijn vriend, en inderdaad zou volgens deze evenredigheid een projectiel van 9 voet dikte en 15,000 kilo wegende, voor het stuk een lengte eischen van 225 voet en een gewicht van 3,600,000 kilo."

»Bespottelijk!" vond Maston.