De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren

Chapter 16

Chapter 163,874 wordsPublic domain

»Geduld dan. Door een werking, die ik niet weet te verklaren, maar die niettemin bestaat, heeft ons projectiel neiging om zijn bodem naar de zijde der Aarde te richten. Zeer waarschijnlijk zal op het nulpunt de top des kegels lijnrecht naar de Maan gekeerd zijn. Wij hebben eenigen grond om te hopen, dat onze snelheid dan nul zal wezen. Dan is het oogenblik daar om te handelen, en misschien kunnen wij door de kracht onzer vuurpijlen een rechtstreekschen val naar de oppervlakte der maanschijf teweegbrengen."

»Bravo!" riep Michel Ardan uit.

»Wij hebben dat niet gedaan, en ook niet kunnen doen, toen wij de eerste maal op dat punt der gelijke aantrekking van Maan en Aarde waren, omdat toen het projectiel nog een te groote snelheid had."

»Goed geredeneerd," sprak Nicholl.

»Wij moeten dus geduld oefenen," hernam Barbicane. »Wij zullen onzerzijds alles doen wat in ons vermogen is, en dan durf ik wel hopen, dat wij na zoovele teleurstellingen toch ons oogmerk zullen bereiken."

Deze verklaring lokte bij Michel Ardan een menigte luide toejuichingen uit. En geen van hen drieën dacht er op dat oogenblik aan, dat zij nog zooeven met algemeene stemmen tot het besluit waren gekomen: Neen! De Maan is niet bewoond! Neen! de Maan is waarschijnlijk niet bewoonbaar! En toch--zij gingen al het mogelijke beproeven om haar te bereiken!

Eén vraag moest nog worden beantwoord: op welk oogenblik zij dat belangrijk punt van gelijke aantrekking zouden bereikt hebben. Dáármee zouden zij hun laatste kaart uitspelen.

Ten einde dat oogenblik op eenige seconden na te berekenen, behoefde Barbicane slechts zijn aanteekeningen te raadplegen en zijn verschillende hoogtemetingen op de onderscheiden maansbreedten na te gaan. Want de tijd tusschen het doorloopen van den afstand van het nulpunt tot de zuidpool moest gelijk zijn aan dien tusschen de noordpool en het nulpunt. De uren waren nauwkeurig aangeteekend, zoodat de berekening niet moeielijk was.

Barbicane vond, dat zij dit punt zouden bereiken in den nacht tusschen 7 en 8 December, te 1 uur. Op dit oogenblik was het 3 uur in den morgen van 7 December. Indien de beweging van het projectiel dus geen storing ondervond, moesten zij het bewuste punt na verloop van 22 uren bereiken.

De vuurwerken waren oorspronkelijk bestemd geweest om den val van het projectiel op de Maan te breken, en nu gingen onze waaghalzen ze gebruiken om dien val te bevorderen. Hoe het zij, zij waren gereed, en alleen het geschikte oogenblik moest worden afgewacht om ze te ontsteken.

»Daar wij nu toch niets te doen hebben," zei Nicholl, »doe ik een voorstel."

»En dat is?" vroeg Barbicane.

»Te gaan slapen."

»Heb je van zijn leven!" riep Michel Ardan uit.

»In veertig uren hebben wij geen oog geloken," sprak Nicholl. »Eenige uren slapens zullen ons goed doen."

»Geen denken aan!" schreeuwde Michel Ardan.

»Even goede vrienden," hernam Nicholl, »elk zijn meug, maar ik ga naar mijn mandje."

Hij strekte zich uit op een divan en 't duurde niet lang of Nicholl sliep dat hij snorkte.

»Die Nicholl is toch zoo dom niet," sprak Barbicane een weinig later, »ik ga zijn voorbeeld volgen."

En eenige minuten daarna accompagneerde zijn snorken in den bastoon den baryton-snork van Nicholl.

Niet lang was Michel Ardan alleen, of hij mompelde in zichzelf: »die lui zijn nog zoo gek niet."

En tegelijk strekte hij zijn lange beenen uit, legde zijn lange armen onder het hoofd en sliep insgelijks in.

Maar hun slaap kon noch langdurig, noch gerust zijn. Er ging te veel om in den geest van die drie mannen, en eenige uren later, tegen 7 uur in den morgen, waren alle drie gelijktijdig op de been.

Het projectiel verwijderde zich nog altijd van de Maan; van lieverlede keerde het haar steeds meer zijn punt toe. Op zich zelf was dit verschijnsel nog wel onverklaarbaar, maar het kwam gelukkig juist in de plannen van Barbicane van pas.

Nog 17 uren, en het oogenblik van handelen zou gekomen zijn.

Die dag duurde hun een eeuw. Hoe stoutmoedig de drie mannen ook waren, toch klopte hun het hart bij de gedachte aan het naderen van het beslissend oogenblik, waarin blijken zou, of zij toch nog op de Maan zouden terecht komen, dan wel of zij tot een voortdurend rondzweven in een onveranderlijke loopbaan om de Maan zouden veroordeeld zijn. Zij telden dan ook de uren, die nimmer schenen te zullen eindigen; Barbicane en Nicholl verdiept in hunne berekeningen, Michel Ardan heen en weder stappende, zooveel de enge ruimte dit toeliet, terwijl hij van tijd tot tijd een ongeduldigen blik wierp op de Maan.

Nu en dan vlogen gedachten aan de Aarde met snelheid door hun hoofd. Zij zagen in verbeelding hunne vrienden uit de Gun-club terug, vooral Maston, met wien zij het meest bevriend waren. Op dat oogenblik zou de ijverige secretaris der club ongetwijfeld op zijn post op het Rotsgebergte wezen. Indien hij het projectiel op den spiegel van zijn reusachtigen telescoop ontwaarde, wat zou hij dan wel denken? Eerst had hij het projectiel achter de zuidpool der Maan zien verdwijnen, en nu kwam het weder te voorschijn van achter de noordpool! Was het dan de wachter van een wachter geworden? Had hij, Maston, dat nieuwe hemellichaam in het leven geroepen? En was dit nu de ontknooping van de grootsche onderneming?....

Intusschen verliep de dag zonder dat er iets bijzonders voorviel. Het werd middernacht, middernacht namelijk op hun chronometers, want dat daar in de hemelruimte van dag of nacht geen sprake is, behoeven wij niet te herhalen.

De 8ste December dan was daar. Nog een uur, en het bewuste nulpunt was bereikt. Hoe zou het dan met de snelheid van het projectiel gesteld zijn? Zij wisten het niet te berekenen, zelfs niet te gissen. Maar in een opzicht kon de berekening van Barbicane niet falen: te 1 uur moest en zou het nulpunt bereikt zijn en alle snelheid van het projectiel hebben opgehouden.

Doch er was nog een verschijnsel, waardoor met volkomen zekerheid werd aangewezen, dat zij het punt hadden bereikt waar de aantrekking der Aarde volmaakt even sterk was als die der Maan, Dat gold niet alleen het projectiel, maar ook hen zelven en al wat om hen was--niets zou meer eenige zwaarte hebben. Dit zonderling verschijnsel, waarover Barbicane en zijn vrienden den vorigen keer zoo verbaasd hadden gestaan, moest dan weder plaats grijpen. En dat was het ware oogenblik om te handelen.

De kegelpunt van het projectiel was merkbaar naar de maanschijf gedraaid. Het voorwerp had nu een stand, waarop een drukking in de opwaartsche richting het naar de Maan moest drijven. En indien de eigen snelheid van het projectiel nu daar ter plaatse geheel had opgehouden, zou een schok in de richting naar de Maan, hoe gering dan ook, toereikend wezen om het naar dat hemellichaam heen te doen schieten.

»Nog 53 minuten," zei Nicholl.

»Alles klaar!" antwoordde Michel Ardan, een wasje nabij den gasbek houdende.

»Opgepast!" riep Barbicane met het horloge in de hand.

Op dit oogenblik had de werking der zwaartekracht geheel opgehouden. De reizigers gevoelden het aan hen zelven. Zij waren wel zeer nabij het nulpunt, zoo zij er al niet waren....

»Eén uur!" zeide Barbicane.

Michel Ardan bracht het aangestoken wasje bij een toestel, die onmiddellijk gemeenschap had met de vuurpijlen. Daar er geen lucht was en dus geen leiding van het geluid, hoorden zij niets van de uitbarsting. Maar door het raampje zag Michel Ardan een lichtstreep, die echter aanstonds uitdoofde.

Het projectiel onderging een schok, die zich zeer duidelijk liet bemerken.

Met strakke blikken, zonder een woord te spreken, nauwelijks adem halende, zaten de drie vrienden--men zou in de grafstilte hun hart kunnen hooren kloppen.

»Vallen we?" vroeg eindelijk Michel Ardan.

»Neen," antwoordde Nicholl, »want het projectiel heeft zich omgewend en zijn bodem naar de Maan gekeerd."

Op dat oogenblik trad Barbicane van het raampje weg, keerde zich naar zijn vrienden en sprak doodsbleek met samengetrokken lippen: »Wij vallen!"

»Naar de Maan?" riep Michel Ardan.

»Naar de Aarde," antwoordde Barbicane somber.

»Alle duivels!" schreeuwde Michel Ardan uit; maar met wijsgeerige bedaardheid voegde hij er bij: »In vredesnaam! Toen wij in het projectiel kropen, betwijfelden wij of het wel gemakkelijk zijn zou er uit te komen."

Het was zoo--een vreeselijke val begon. De snelheid, die het projectiel nog had overgehouden, had het voorbij het nulpunt doen schieten. De uitbarsting der vuurwerken had het kunnen remmen. De snelheid, welke op de uitreis het projectiel voorbij het nulpunt had doen schieten, deed dat ook op den terugweg. Naar de wetten van beweging moest het gevaarte denzelfden weg terugloopen als het had afgelegd. Een vreeselijke val! Van een hoogte van 60,000 uren gaans! En daar was niets aan te doen; het projectiel moest onfeilbaar met dezelfde snelheid de Aarde bereiken waarop het uit het stuk geschoten was: 16,000 meter in de laatste seconde!

»Wij zijn verloren!" zei Nicholl koel.

»Welnu," antwoordde Barbicane, »als wij sterven, kan men van onze reis van alles verzinnen. Wij kunnen er niets aan doen. Aan ons ligt het niet. De wereld moet dan maar met den dichter zeggen:

Rekent d'uitkomst niet, maar telt het doel alleen.

Nicholl en Michel Ardan bedekten hun gelaat met de handen.

»In Gods naam!" sprak Barbicane, de armen op de borst gekruist.

VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

AAN BOORD VAN DE SUSQUEHANNA.

»Welnu, luitenant, hoe staat het met de peiling?"

»Ik geloof, mijnheer, dat de zaak ten einde loopt," antwoordde luitenant Bronsfield. »Maar wie had verwacht zulk een diepte zoo nabij den wal te vinden, slechts honderd mijlen van de Amerikaansche kust?"

»'t Is diep, Bronsfield," zei kapitein Blomsberry. »Hier ter plaatse moet een diepte zijn, zeker uitgehold door den Humboldt-stroom, die van de kust van Amerika tot aan straat Magelhaen loopt."

»Die groote diepten," merkte de luitenant aan, »zijn niet gunstig voor het leggen van telegraafkabels. Beter is een vlakke bodem, zooals tusschen Valencia en Newfoundland de Atlantische kabel heeft."

»Daar hebt gij gelijk in, Bronsfield. Maar zeg eens, als 't u blieft, waar zijn wij op dit oogenblik?"

»Mijnheer," antwoordde de luitenant, »wij hebben zooeven 21,500 voet gepeild en nog geen grond, want dan zou de bol wel van zelf naar boven gekomen zijn."

»Die toestel van Brook is toch een vernuftig uitgedacht ding!" zei kapitein Blomsberry. »Men kan er zeer nauwkeurig mee peilen."

»Grond!" riep op dat oogenblik een der stuurlieden met de peiling belast.

»Als ik u vragen mag--welke diepte hebben we?" hernam de kapitein.

»Wij hebben 21,762 voet," antwoordde de luitenant, het cijfer in zijn zakboekje opschrijvende.

»Goed," sprak de kapitein, »ik zal het op de kaart aanteekenen. Laat nu de lijn inhalen. Dat duurt een heelen tijd. Intusschen zullen de machinisten stoom opmaken, dan kunnen wij weg, als gij klaar zijt. Het is vier glazen, en zoo gij er niet tegen hebt, luitenant, ga ik naar kooi."

»Slaap lekker, mijnheer!" antwoordde Bronsfield, beleefd buigende.

De kapitein der Susquehanna, een flink zeeman, zoo goed als een, maar wat overbeleefd jegens zijn bemanning, ging naar zijn hut, nam een grogje van onberispelijke samenstelling en legde zich in zijn kooi, niet zonder zijn jongen geprezen te hebben over het opmaken van zijn kooigoed. Weldra lag hij in diepen slaap.

Het was dus 10 uur. De 11de December scheen met een prachtigen nacht te zullen eindigen.

De Susquehanna, een oorlogskorvet der Vereenigde Staten, met een stoommachine van 500 paardekracht, was belast met peilingen in den Grooten oceaan, ongeveer 100 mijlen van de Amerikaansche kust, onder keerkringsbreedte.

De wind was langzamerhand gaan liggen. Geen koel zuchtje blies over het water. De wimpel der korvet hing onbeweeglijk slap als een natte doek.

Kapitein Jonathan Blomsberry was een volle neef van den ons reeds bekenden kolonel, het ijverig lid der Gun-club, echtgenoot eener jonkvrouw Horschbidden, de tante van den kapitein en dochter van een groot koopman te Kentucky. Hij had geen gunstiger tijd kunnen kiezen om nauwkeurige peilingen te doen. Zijn korvet had zelfs niets ondervonden van het ongunstig weder, dat op het Rotsgebergte het waarnemen van het uitgeschoten projectiel had belet. Alles ging naar zijn zin en hij was er als goed Christen den Hemel dankbaar voor.

De peilingen der Susquehanna hadden ten doel onderzoek te doen naar den gunstigsten zeebodem tot het leggen van een telegraafkabel tusschen de Hawaï-eilanden en de Amerikaansche kust.

Het was een uitgebreid plan, uitgegaan van een aanzienlijke Maatschappij, welker directeur, de schrandere Cyrus Field, beweerde dat hij alle eilanden der Stille zee met een uitgestrekt net telegraafdraden zou verbinden--een onderneming, de geestkracht van Amerika waardig.

Aan de korvet Susquehanna waren de eerste peilingen toevertrouwd. In den nacht van 11 op 12 December bevond zij zich juist op 27° 7' N. Br. en 41° 37' W. L. van Washington.

Nadat kapitein Blomsberry naar kooi was gegaan, vertoefde luitenant Bronsfield met nog eenige andere officieren aan dek. De Volle Maan stond in heldere pracht aan den hemel. Maar al wapenden die zeeofficieren hunne oogen nog zoo goed, toch zagen zij geen spoor van het projectiel dat rondom de nachtvorstin zweefde. Wel zochten zij er naar; wel richtten zij hun kijkers naar de Maan; maar vergeefs.

»Zij zijn nu 10 dagen weg; wat mag wel van hen geworden zijn?" sprak luitenant Bronsfield.

»Zij zijn er toch gekomen," antwoordde een jonge adelborst, »en zeker doen zij wat ieder vreemdeling in elk vreemd land doet als hij er komt--eens wandelen!"

»Omdat gij dat zegt, zal het wel waar zijn," merkte luitenant Bronsfield aan.

»Dat zij er gekomen zijn, lijdt wel geen twijfel," meende een ander officier. »Het projectiel heeft de Maan moeten bereiken juist toen zij vol was, dat is den 5den te middernacht. Wij hebben nu den 11den, dat zijn 6 dagen. In 6 etmalen, met voortdurend daglicht, heeft men tijd genoeg om het zich lekker te maken. Mij dunkt, ik zie hen, onze kloeke landgenooten, gekampeerd op den bodem eener vallei, aan den oever van een liefelijke maanbeek, nabij het door de vulkanische rotsblokken half stuk geslagen projectiel. Kapitein Nicholl begint zijn opmetingen, de voorzitter Barbicane is bezig met zijn reisverhaal in het net te schrijven en Michel Ardan parfumeert de eenzame maanvlakte met zijn potjes en fleschjes."

»Zeker is het zoo; zeker, daar is geen twijfel aan!" riep de adelborst uit, zich van pret de handen wrijvende bij deze fraaie beschrijving.

»Ik wil het graag gelooven," antwoordde luitenant Bronsfield, die in het geheel niet in deze verrukking deelde. »'t Is maar ongelukkig, dat wij nimmer tijding uit de Maan zullen krijgen."

»Met uw verlof, luitenant," vroeg de adelborst, »maar kan de voorzitter Barbicane niet schrijven?"

Een algemeene uitbarsting van lachen was het eenig antwoord.

»Geen brieven," ging de opgewonden jonkman voort. »De postbeambten hebben er niets mee noodig."

»De telegraafbeambten dan wel?" vroeg een der officieren spottend.

»Die ook niet," zei de adelborst, die het niet wilde opgeven. »Maar het is zeer gemakkelijk, een gemeenschap met de Aarde te openen door middel van teekens."

»En hoe dat dan?"

»Door middel van den telescoop van Longs piek. Gij weet hoe sterk hij de Maan aanhaalt, en gij weet ook, dat men er voorwerpen van 9 voet doorsnede op de Maan door zien kan. Welnu, laten onze maanmannen een reusachtig alphabet nemen! Zij moeten woorden schrijven van honderd meter, en op die wijze kunnen zij ons tijdingen toezenden."

Een algemeen gejuich beantwoordde dezen voorslag van den adelborst, wien het waarlijk niet aan een levendige verbeelding ontbrak. Zelfs luitenant Bronsfield vond het denkbeeld niet onuitvoerlijk. Hij gaf toe, dat men ook een onmiddellijke gemeenschap met de Maan zou kunnen openen door middel van blinkende straalbundels, teruggekaatst door parabolische spiegels; deze stralen zouden, meende hij, even zichtbaar zijn op de oppervlakte van Venus of Mars, als de planeet Neptunus van de Aarde, namelijk met een sterken kijker. Hij eindigde met de mogelijkheid te opperen, dat lichtpunten, reeds meermalen op de naastbijstaande planeten waargenomen, zeer wel proeven zouden kunnen zijn, dáar genomen om gemeenschap met de Aarde te openen. Maar hij deed opmerken, dat al kon men op die wijze tijdingen van de Maan ontvangen, men er daarom nog geen heen kon zenden, tenzij de maanbewoners instrumenten tot hun beschikking hebben, geschikt om op hun beurt zulke waarnemingen in de verte te doen.

»Dat is zoo klaar als de dag," zei een der officieren; »maar wat wij vooral wilden weten, is hetgeen onze drie landgenooten betreft, wat er van hen is geworden, wat zij er zien, wat zij er uitvoeren. Bovendien, indien de proef gelukt is, waaraan ik niet twijfel, zal men die herhalen. De Columbiad zit nog altijd vast in den grond van Florida. Het ligt dus alleen aan het projectiel en kruit, en telkenmale als de maan door het toppunt gaat, kan men haar een nieuwe lading bezoekers toezenden."

»Dit is wel zeker," zei luitenant Bronsfield er op, »dat Maston de allereerste zijn zal om van die reisgelegenheid gebruik te maken."

»Als hij mij mee wil hebben," riep de adelborst, »ben ik tot zijn dienst."

»Och! aan liefhebbers zal het niet ontbreken," antwoordde Bronsfield, »en als men hen laat begaan, zal het niet lang duren of de helft der aardbewoners is naar de Maan."

Dit gesprek der zeeofficieren aan boord van de Susquehanna duurde tot ongeveer éen uur na middernacht. Het is niet te zeggen, welke verwonderlijke invallen, welke reusachtige plannen, welke gedrochtelijke beschouwingen al door deze stoutmoedige gasten werden uitgekraamd. Na de proefneming van Barbicane scheen voor de Amerikanen niets onmogelijk. Zij spraken er zelfs van, niet een commissie van geleerden, maar een geheele kolonie naar de Maan te zenden, benevens een leger met infanterie, artillerie en cavalerie, ten einde de maanwereld te veroveren.

Te éen uur, twee glazen in de hondewacht, was het inhalen der lijn nog niet gedaan. Er schoten nog 10,000 voet over, en dit eischte een arbeid van nog verscheiden uren. Ingevolge de orders van den commandant waren de vuren aan en was stoom opgemaakt. De Susquehanna was gereed om oogenblikkelijk te vertrekken.

Op dat oogenblik, 17 minuten over éenen, stond luitenant Bronsfield gereed om naar zijn hut te gaan, toen zijn aandacht werd getrokken door een onverwacht gesis in de verte.

Zijn kameraden en hij zelf dachten eerst, dat dit geluid veroorzaakt werd door ontsnappen van stoom, maar bij nader opmerken werden zij gewaar, dat het heel ver uit de lucht kwam.

Zij hadden den tijd niet er over te praten, want het gesis werd geweldig sterk, en zij zagen voor hun oogen een ontzettenden vuurbol, in gloed, door de snelheid zijner vlucht en door zijn wrijving tegen de luchtlagen.

Deze vurige klomp werd voor hun oogen al grooter en grooter; eindelijk stortte het gevaarte met een donderend geraas op den boegspriet der korvet; het tuig aan den boeg werd verbrijzeld en het onbekende voorwerp viel met een allervreeslijkst geplomp in zee. Eenige voeten meer achterwaarts, en de Susquehanna ware met man en muis vergaan!

Op dit oogenblik kwam kapitein Blomsberry half gekleed te voorschijn, hij vloog naar de voorplecht, waar zijn officieren stonden.

»Met uw verlof, mijne heeren! wat is hier gebeurd?" vroeg hij.

De adelborst nam voor allen het woord en riep: »Commandant, zij zijn het; zij zijn teruggekomen!"

ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MASTON TEN TOONEELE.

Er was een groote beweging aan boord van de Susquehanna. Officieren en matrozen vergaten het vreeslijk gevaar dat zij hadden geloopen, verbrijzeld en naar den zeebodem medegesleurd te worden. Zij dachten alleen aan het einde der hachelijke reis. Zoo kostte dan de stoutmoedige onderneming van ouden en lateren tijd het leven aan de waaghalzen die haar hadden beproefd.

»Zij zijn het; zij zijn terug!" had de jonge adelborst uitgeroepen, en allen hadden hem begrepen. Doch aangaande het lot der reizigers in het projectiel waren de gevoelens verdeeld.

»Zij zijn dood," meende de een.

»Zij leven," zei de ander. »Het water is diep, daardoor is hun val geheel gebroken."

»Maar zij hebben geen lucht gehad," merkte een derde aan; »zij hebben moeten stikken."

»Verbrand!" liet zich een ander hooren. »Het projectiel was niets dan een gloeiende klomp, toen het zoo door de lucht schoot."

»Dat doet er niet toe," was de algemeene stem; »dood of levend, wij moeten hen zien op te halen."

Inmiddels had kapitein Blomsberry zijn officieren om zich verzameld en »onder hun goedkeuring" hield hij scheepsraad. Er moest oogenblikkelijk gehandeld worden. Het noodigste was, het projectiel op te visschen--iets, dat wel zeer moeielijk, maar toch niet geheel onmogelijk was. Maar de korvet miste de noodige werktuigen, zoodat men besloot, naar de naaste haven te stoomen en daar de Gun-club kennis te geven van het neerkomen van het projectiel.

Dit besluit werd met eenparigheid van stemmen genomen; het kwam alleen aan op de keuze der haven. De naastbijgelegen kust bezat geene op die 27° breedte. Het dichtste waren zij nog bij Monterey, maar daar was geen telegraafkantoor, en de electrische draad alleen kon het groote nieuws snel genoeg verspreiden.

Eenige graden hooger opende zich de baai van San-Francisco. De hoofdstad van het goudland zou gemakkelijker hulpmiddelen bieden tot gemeenschap met het hart der Unie. In minder dan twee dagen kon de Susquehanna, met kracht doorstoomende, die haven van Californië bereiken. Dus--onverwijld onder stoom!

De vuren werden opgestookt. Er hingen nog wel een paar duizend vadem lijn overboord, maar wat het zwaarst was moest het zwaarst wegen. De commandant beval, altijd »met goedvinden zijner officieren," de lijn te kappen.

»Wij zullen," zei hij, »aan haar boveneinde een boei vastbinden, ten einde de plaats waar het projectiel in zee is gevallen, juist te weten."

»Bovendien," zei luitenant Bronsfield, »wij hebben een nauwkeurig bestek, 21° 7' N. Br. en 41° 37' W. L."

»Zeer wel, mijnheer Bronsfield," antwoordde de kapitein, »en met uw goedvinden, laat de lijn kappen."

Een groote boei werd stevig aan het boveneinde der lijn vastgebonden, en daar deze duizenden voeten lang was, bestond er geen gevaar van merkbaar afwijken.

De kapitein, onderricht, dat alles kant en klaar was, liet den machinist bedanken voor zijn vaardigheid en gaf last om noordwest te sturen. De korvet wendde en stoomde met volle kracht naar de baai van San-Francisco. Het was zes glazen--drie uur in den morgen.

De afstand tot San-Francisco was een kleinigheid voor een zoo vlug stoomschip als de Susquehanna. Zij kon dien in 36 uren afleggen, zoodat zij den 14den December, 's namiddags te 1 uur 27 minuten in de baai van de hoofdstad kon zijn.

Hooggespannen was de nieuwsgierigheid, toen het prachtig oorlogsschip daar met volle vaart in zijn ontredderden toestand kwam aanstoomen: zonder boegspriet, met gebroken fokkemast en gehavend touwwerk. Een menigte menschen stroomde naar de kade om de ontscheping af te wachten.

Zoodra de korvet geankerd was, begaven zich kapitein Blomsberry en luitenant Bronsfield in een sloep met 8 roeiers, die hen in een oogenblik aan wal brachten.

Zij sprongen van boord.

»Waar is het telegraafkantoor?" was hun eerste en eenige vraag; geen antwoord gaven zij op de ontelbare vragen die hun gedaan werden.

De havenmeester bracht hen zelf aan het telegraafkantoor, te midden van een menigte nieuwsgierigen.

Blomsberry en Bronsfield traden binnen, terwijl de menigte zich buiten de deur verdrong.

Eenige minuten later werd een gelijkluidend telegram aan vier adressen afgezonden, namelijk: 1) aan den secretaris van het marine-departement te Washington; 2) aan den tweeden voorzitter der Gun-club te Baltimore; 3) aan Maston, Long's piek, Rotsgebergte; 4) aan den onderdirecteur der sterrenwacht te Cambridge, in Massachusetts.

Het telegram was van den volgenden inhoud: