De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren

Chapter 15

Chapter 153,790 wordsPublic domain

»Daarvoor niet, maar onze baan is eene gesloten kromme lijn, een ellips. Waarschijnlijk zullen wij nu in een geregelde elliptische baan voor altijd om de Maan gaan loopen."

»Dan zijn wij naar de Maan," schertste de Franschman, »maar op een andere manier dan wij hadden gehoopt."

Wat moest onder die omstandigheden van hen worden? Het projectiel mocht den rang van Maan der Maan krijgen, zij-zelven zouden al spoedig omkomen, en dan zou de bij-maan even onbewoond zijn als de Maan zelf scheen te wezen. Misschien zouden zij het lang genoeg houden om nog eens voor 't laatst de Volle Aarde te zien, zich badende in de stralen der zon. Misschien nog een laatsten blik toezenden aan dien aardbol, welken zij niet meer zouden bereiken. De stralen der vriendelijke zon nog eens te genieten--dat zou het laatste zijn wat hun restte!

Van lieverlede begon Barbicane de halfverlichte bergen te herkennen. Het waren de Dörfel en de Leibnitz, die zich nabij de zuidpool der Maan verhieven. Het projectiel naderde die pool met eenparige snelheid.

TWEEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE TYCHO.

Te 6 uur in den avond stond het projectiel boven de Maans-zuidpool ter hoogte van minstens 60 kilometer. Op gelijken afstand waren zij over de noordpool gegaan! Tegelijk kwamen zij in het zonlicht, dat met een levendig gejuich door hen werd begroet.

De Dörfel en de Leibnitz vertoonden die witte, blinkende vlakten, welke door den sterrenkundige Secchi worden vergeleken bij uitgespreide tafellakens. Nicholl verklaarde ze kort en goed voor sneeuwvelden en vond er een nieuw bewijs in voor zijn beweren, dat er lucht en water op de Maan aanwezig zijn. Doch overigens geen spoor van leven, alles even doodsch, eenzaam en dor.

Barbicane kwam door zijn herhaalde waarnemingen tot de zekerheid, dat aan de randen der maanschijf andere krachten moeten gewerkt hebben dan in haar midden. Het schijnt dat daar de korst toen zij nog niet tot vasten toestand was gekomen, ook onder den invloed van de aantrekking der aarde gestold is. Aan de zoomen daarentegen stond, om zoo te zeggen, de aantrekking der Aarde rechtstandig op die der Maan, zoodat althans dáar de bewering van Arago scheen te worden bewaarheid, »dat geen aantrekking van buiten gewerkt heeft op de vorming harer oppervlakte."

Ofschoon dus alle spoor van tegenwoordig leven onbetwistbaar ontbrak, meende toch Michel Ardan een verwarden hoop klompen te hebben gezien, op welke hij de aandacht van Barbicane vestigde. Die stapels, als van steenen, hadden den vorm eener uitgestrekte vesting, die een der lange lichtstrepen bestreek, door sommigen vroeger voor de beddingen van uitgedroogde rivieren gehouden. Niet ver vandaar rees de ringberg Short, 5646 meter hoog. Michel Ardan verzekerde stoutweg, dat het een vesting was. Op kleinen afstand ontwaarde hij de ontmantelde wallen eener stad; hier, het nog ongeschonden gewelf eener poort; daar, twee of drie pilaren, liggende naast hun voetstukken; verder, een reeks bogen, die een waterleiding hadden moeten stutten; elders, de ingestorte pijlers eener reusachtige brug. Hij zag dat alles zeer duidelijk--maar met wat veel verbeelding in oog en kijker, zoodat op de nauwkeurigheid der waarnemingen nog al wat viel af te dingen.

Doch het duurde niet lang of al deze heerlijkheden waren weder verdwenen. Ook scheen de afstand tusschen de Maan en het projectiel toe te nemen, tengevolge waarvan de voorwerpen veel onduidelijker werden. Niettemin hadden zij toch het geluk den Clavius te zien.

Deze ringberg, een der merkwaardigste van de geheele maanschijf, wordt geschat op 7091 meter hoogte. Zij zagen hem op een afstand van 4000 kilometer.

»De vulkanen der Aarde," zei Barbicane, »zijn slechts molshoopen in vergelijking met die der Maan."

De oude kraters, door de oudste uitbarstingen van den Vesuvius en den Etna ontstaan, hebben nauwelijks eene doorsnede van 6000 meter. En wat is dit bij die van den Clavius, 227 kilometer? Die krater is wel de grootste dien wij op de Maan kennen, maar daar zijn er toch meer van 300, 150 en 100 kilometer."

»Welk een prachtig gezicht moet het geweest zijn," riep Michel Ardan uit, »toen die geweldige kraters, onder het ratelen van hevige donderslagen, rivieren van lava, hagelbuien van steenen en wolken van damp uitbraakten! En hoever is het nu van die grootsche tafereelen! Die Maan dáar is niets dan het mager geraamte van een schitterend vuurwerk, waarvan de papierproppen in het rond verstrooid liggen. Vanwaar toch die omkeering?"

Barbicane hoorde hem niet eens, zoo was hij verdiept in het begluren der wellen van den Clavius, wiens reusachtige krater door wel honderd kleinere omringd was--een onoverzienbaar groote schuimspaan, gelijk Michel Ardan het noemde. Doch alles dood en dor, geen teeken van leven.

Zoo snelden bergen en krater en bulten en holten onder hun oogen voorbij, totdat hun blikken eindelijk rustten op den Tycho, den prachtigsten van alle maanbergen.

Niemand, die ooit een kijker naar de Volle Maan gericht heeft, of hij heeft op haar zuiderhalfrond dat schitterend punt opgemerkt. Michel Ardan putte zijn geheelen voorraad van beelden en vergelijkingen uit om het te roemen. In zijn oog was de Tycho een gloeiend brandpunt van licht en gloed, een krater, niets dan vuurstralen brakende, de naaf van een schitterend rad, een onmetelijk oog dat vlammen schoot, een glorie om het hoofd van Pluto.

Men heeft geen kijker noodig om dat prachtig lichtpunt van de Aarde te zien, dat is: op een afstand van bijna 70,000 uren gaans. En wat moet het dan voor onze reizigers geweest zijn op een afstand van slechts 500 kilometer, en bovendien niet belemmerd door den dampkring! Hun oogen konden dan ook het gezicht van dien vuurgloed niet verdragen en Barbicane en zijn vrienden waren genoodzaakt hun kijkers te wapenen met de verdonkerende glazen, welke men gebruikt bij het waarnemen der zon. Stom van verbazing en geestdriftig staarden zij het prachtig schouwspel aan. Al hun gewaarwordingen vereenigden zich op dat éene punt, gelijk het leven in het hart.

De Tycho behoort tot die bergen, van welke lichtstrepen uitgaan, evenals de Aristarchus en de Copernicus. Maar hij is van alle de geregeldste en levert een krachtig bewijs, dat het tegenwoordig voorkomen der maanoppervlakte door vulkanische werkingen is ontstaan. De middellijn van zijn krater meet 87 kilometer. Die krater is niet volkomen rond, maar een weinig langwerpig en wordt omgeven door een menigte ringvormige wallen ter hoogte van 5000 meter. Het is als een kring Mont-blancs, van welke schitterend licht uitgaat.

Het opmerkelijke, alleen aan dezen berg eigen, is, dat zijn krater vol bulten is, die zelfs de photographie nog niet in staat was af te beelden. Bij Volle Maan vertoont zich de Tycho het prachtigst. Men ziet dan geen schaduw; het is éen aaneenschakeling van kraters, holten, heuvels, kammen, alsof alles in éen punt des tijds verstijfd is door natuurwerkingen, van welker kracht wij ons geen voorstelling kunnen maken.

Hun afstand van de Maan was op dat oogenblik niet zoo groot of zij konden den Tycho in de voornaamste bijzonderheden zien. Zelfs boven de vlakten in het rond staken een menigte afzonderlijke bergtoppen uit. Een stad, midden in dien krater gebouwd, zou onoverwinbaar sterk zijn geweest.

Dit denkbeeld kwam ook op bij Michel Ardan, die zich niet kon weerhouden van uit te roepen: Wat een grootsche stad zou men binnen dezen ring van bergen kunnen stichten! Een stille, vreedzame wijkplaats, ver van al de ellenden van ons kortstondig bestaan! Hoe begeerlijk ware dat plekje voor menschenhaters, voor allen die een walg hebben van de samenleving!"

»En voor ons te klein!" was Barbicane's opinie.

DRIEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MAANBEWONERS?

Intusschen was het projectiel voorbij den Tycho gedreven. Barbicane en zijn twee vrienden volgden met de grootstmogelijke nauwkeurigheid de schitterende lichtstrepen, die van den vermaarden berg naar alle zijden uitgaan.

»Wat waren ze? Welke werking had die strepen veroorzaakt?" Barbicane vroeg dit terecht.

Het schenen groeven te wezen, met opstaande randen; sommigen hadden een breedte van 20, anderen van 50 kilometer. Deze blinkende kanalen liepen hier en daar tot honderden mijlen ver; zoodat ze, vooral naar het oosten, noord-oosten en noorden, de helft van het zuiderhalfrond bedekten. Die voorwerpen zijn zeer raadselachtig. Herschel hield ze voor lava, door de kraters opgeworpen en door de koude verstijfd, maar deze meening heeft weinig bijval gevonden; andere sterrenkundigen voor reeksen van zwerfblokken, aldus gestrooid tijdens het ontstaan van den Tycho.

»En waarom zou dat niet zoo zijn?" vroeg Nicholl.

»Omdat het dan onverklaarbaar is, dat die lichtstrepen rechtlijnig zijn. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen, dat vulkanen daartoe kracht genoeg zouden hebben."

»Ik vind zooveel moeielijkheid niet in de verklaring van het verschijnsel," merkte Michel Ardan aan.

»Zoo?" vroeg Barbicane.

»'t Zijn niets dan scheuren," meende de Franschman, »zooals in een glasruit ontstaan als men er met de hand een steentje door werpt."

»En welke hand zou dat steentje geworpen hebben?" vroeg Barbicane.

»De hand laten wij daar, maar het steentje kan wel een komeet geweest zijn, of misschien ook een uitbarsting uit het inwendige der Maan."

»Dus zooveel als een eruptie!"

Inmiddels was de invloed der zonnewarmte op het projectiel aanmerkelijk toegenomen. Kort geleden hadden de reizigers het fel koud, nu werden zij flauw van de hitte.

»Wij worden zoo zoetjes aan er op voorbereid om met die snelle afwisseling van hitte en koude maanbewoners te worden," sprak Michel Ardan zich het gelaat afvegend.

»Daar hebben wij de maanbewoners weer!"

»Nu ja, maar 't is toch wel de moeite waard daarover te spreken."

»Dan doen zich," antwoordde Barbicane, »twee vragen op: is de Maan bewoonbaar, en is zij bewoond geweest?"

»Dus eerst--is zij bewoonbaar?" zei Nicholl.

»Ik weet het niet," verklaarde Michel Ardan.

»En ik zeg: neen!" sprak Barbicane met nadruk. »De Maan is meer dan waarschijnlijk niet bewoonbaar, ten minste in haar tegenwoordigen toestand, met geen of zoo weinig als geen lucht, met haar uitgedroogde zeeën, haar watergebrek, haar scherpe afwisseling van hitte en koude, haar nachten en dagen van 354 uren. Onder die omstandigheden kan er, dunkt me, geen dierlijk leven bestaan en geen behoefte van eenig levend wezen, zooals _wij_ het begrijpen, vervuld worden."

»Maar die wezens zouden anders gevormd kunnen zijn dan wij," meende Nicholl.

»Dat is moeilijker te beslissen," oordeelde Barbicane. »Toch zal ik het beproeven, maar moet beginnen met mijn vriend Nicholl te vragen, of hij niet gelooft, dat _beweging_ een noodwendig uitvloeisel van leven is."

»Zeker," antwoordde Nicholl.

»Welnu. Wij hebben de oppervlakte der Maan waargenomen op een afstand van 500 kilometer en toch hebben wij op de geheele Maan het allergeringste spoor van eenige beweging niet gezien. Het bestaan van redelijke wezens zou toch wel door het een of ander gebleken zijn. Maar wat hebben wij gezien? Overal verschijnselen der doode stof, nergens een levende schepping. Indien er dus dierlijk leven is, moet het zich verscholen houden in afgronden en spelonken, onbereikbaar voor onzen blik. En dat kan ik niet denken, want men zou er dan toch wel ergens eenig spoor van bemerkt hebben. Maar--nergens! Er schiet dus niets over, dan aan te nemen dat er levende wezens zijn zonder eenige beweging."

»Met andere woorden: levende wezens zonder leven," zei Michel Ardan.

»Juist," antwoordde Barbicane, »en dit is te dwaas om van te spreken."

»Derhalve," hernam Michel Ardan ernstig, »de commissie uit de Gun-club, gezien de jongste waarnemingen der Maan, besluit met eenparigheid van stemmen, dat deze tegenwoordig onbewoonbaar is."

»En nu de tweede vraag," sprak Nicholl. »Ik vraag aan de geachte commissie: indien de Maan tegenwoordig onbewoonbaar is, was zij dan vroeger bewoond?"

»Burger Barbicane heeft het woord," zei Michel Ardan.

»Mijn vrienden," begon deze, »ik heb deze onze reis niet afgewacht om een bepaalde meening te hebben over een vroegere bewoonbaarheid van een wachter onzer Aarde. Onze persoonlijke waarnemingen hebben mij in die meening versterkt. Ik ben volkomen overtuigd, dat de Maan eenmaal bewoond is geweest door menschen als wij zijn, dat zij een dierenwereld gehad heeft, gelijk aan de aardsche; maar tevens, dat dit alles voor altijd verdwenen is. Ik zeg daarmede niet, dat de Maan anders is dan de Aarde; wel echter, dat zij sneller verouderd is. De werkingen der stof zijn op en in haar heviger geweest dan met onze Aarde het geval is. Dit blijkt uit haren tegenwoordigen opgereten, verstijfden, doodschen toestand. Oorspronkelijk waren de Aarde en de Maan, beiden groote gaskogels, overgegaan, eerst in vloeistoffen, later in vaste zelfstandigheden. Onze Aarde bevond zich zeker nog in den gasvormigen of vloeibaren toestand, toen de Maan reeds in vaste stof was veranderd."

»Dat laat zich wel hooren," merkte Nicholl aan.

»Destijds," ging Barbicane voort, »had de Maan een dampkring; haar wateren konden onder de drukking van dien dampkring niet in damp vervliegen. Onder den invloed van lucht, water, licht, zonnewarmte, was de grond bedekt met plantengroei, terwijl ook dierlijk leven zich openbaarde. Immers, de natuur doet niets nutteloos en een zoo uitnemend bewoonbare wereld moet noodzakelijk bewoond geweest zijn."

»Er zijn toch omstandigheden, met het geheele wezen der Maan ten nauwste verbonden, die er naar mijn oordeel de ontwikkeling eener planten- en dierenwereld hebben moeten beletten, b. v. de dagen en nachten van 354 uren," merkte Nicholl aan.

»En aan onze polen duren zij wel een half jaar," viel Michel Ardan in.

»Dat bewijst weinig, want onze polen zijn niet bewoond."

Barbicane deed hen opmerken, dat, al maken die lange dagen en nachten in den tegenwoordigen toestand der Maan haar nu onbewoonbaar, dit vroeger toch het geval niet geweest is. De dampkring omsloot de Maan met een vochtigen mantel. De dampen stegen er in op in den vorm van nevels. Dit natuurlijk scherm temperde de gloeiende zonnehitte en belette 's nachts de warmte-uitstraling. Licht en warmte konden zich in de lucht verspreiden. Aldus ontstond een evenwicht, dat thans niet meer bestaat, daar de maansdampkring zoo goed als geheel verdwenen is. Bovendien geloof ik niet, dat destijds die dagen en nachten zoo lang geduurd hebben, omdat waarschijnlijk alstoen de tijd van de aswenteling der Maan nog niet gelijk was aan die van haren omloop om de Aarde."

»En waarom zijn zij dan nu gelijk?" vroeg Nicholl.

»Ten gevolge van de aantrekking der Aarde."

»En wie zegt ons, dat die aantrekking krachtig genoeg was om de bewegingen der Maan te wijzigen toen de Aarde nog in vloeibaren toestand verkeerde?"

»Als gij aan de »wie zegt ons?" komt, dan vraag ik ook: wie zegt ons, dat de Maan altijd de wachter der Aarde is geweest?" zei Nicholl.

»En wie zegt ons, dat de Maan niet veel vroeger bestaan heeft dan de Aarde?" bracht Michel Ardan in het midden.

Zij staken met volle zeilen de zee van onderstellingen en mogelijkheden in. Maar Barbicane riep hen tot orde. Toch kon hij Michel Ardan niet beletten te vragen: »zou dan het menschdom van de Maan verdwenen zijn?"

»Zeker," antwoordde Barbicane, »na ongetwijfeld millioenen eeuwen bestaan te hebben. Van lieverlede zal de lucht dunner zijn geworden en daarmede de Maan onbewoonbaarder, gelijk onze Aarde dat ook door het toenemen der koude zal worden."

»Door het toenemen der koude?"

»Zonder twijfel. De maanoppervlakte is kouder geworden naarmate de inwendige vuren zijn uitgedoofd en de warmtestof zich heeft samengetrokken. Langzamerhand hebben de gevolgen daarvan zich vertoond: het verdwijnen van dierlijke wezens en van alle plantenleven. Door de aantrekking der Aarde werd de lucht al dunner en dunner; eindelijk verdween zij geheel. Toen werd de Maan onbewoonbaar en bijgevolg onbewoond, een doode wereld zooals wij haar nu zien."

»En gij zegt, dat dit met de Aarde ook zal gebeuren?

»Waarschijnlijk."

»Maar wanneer?"

»Wanneer de koude haar oppervlakte onbewoonbaar heeft gemaakt."

»En heeft men daarvan den tijd berekend?"

»Zeker."

»Laat hooren."

»Volgens de waarschijnlijkste berekeningen zal de gemiddelde temperatuur der Aarde tot het vriespunt genaderd zijn na 400,000 jaren."

»Dat is een molensteen van het hart!" riep Michel Ardan uit. »Zooals gij begont te dreigen, dacht ik, dat wij nauwelijks 50,000 jaar meer te leven hadden."

De beide anderen lachten hartelijk om dezen uitval. Maar door de levendigheid van hun gesprek hadden zij niet bemerkt, dat het projectiel, na zijn gewone baan te hebben behouden tot boven den evenaar der Maan, zich opeens met snelle vaart van haar was gaan verwijderen.

VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VUURPIJLEN.

Het was niet tegen te spreken--elke seconde vergrootte den afstand tusschen hen en het hemellichaam, dat zij niet hadden mogen betreden, maar slechts van verre waarnemen. Ook de stand van het projectiel was veranderd: het wendde nu de punt naar de Maan, den bodem naar de Aarde.

Deze verandering wekte Barbicane's verbazing. Indien het projectiel zich om de Maan moest bewegen in een elliptische baan, moest immers het zwaarste gedeelte naar de Maan gericht blijven, zooals met de Maan ten opzichte van de Aarde het geval is?

Bij nauwkeurige waarneming van de baan, die het projectiel thans beschreef, moest blijken, dat zij gelijk was aan die der uitreis. Het projectiel beschreef dus een zeer verlengde ellips, die zich waarschijnlijk uitstrekte tot het boven beschreven nulpunt, waar de aantrekking der Aarde en die der Maan tegen elkander juist opwegen.

Tot die overtuiging kwam Barbicane ook door zijn waarnemingen; zijn vrienden waren van hetzelfde gevoelen.

»En als wij dat punt hebben bereikt, wat zal er dan van ons worden?" vroeg Michel Ardan.

Barbicane verklaarde het niet te weten.

»Maar wat denkt gij er van?"

»Van tweeën één: òf, de snelheid zal ontoereikend zijn, en dan blijven wij ten eeuwigen dage op dat nulpunt hangen; òf, de snelheid zal groot genoeg zijn, en dan moeten wij maar verder onze elliptische baan om de Maan gaan beschrijven."

»Zit er niets anders op?"

»Niets in het minste."

»Kunnen wij er niets aan doen?"

»Niets. Werk eens tegen het onmogelijke."

»Wat? Onmogelijk, en dat voor een Franschman en twee Amerikanen!"

Op dezen uitval van Michel Ardan antwoordde Barbicane bedaard: »En wat zoudt gij dan wel willen doen?"

»Kunnen wij geen baas zijn over de beweging die ons drijft?"

»Hoe wilt gij dat?"

»Wel," sprak Michel Ardan, »haar wijzigen, haar dwingen om ons te brengen waar wij zijn willen."

»Hoe?"

»Dat is mijn zaak niet. Maar als de artilleristen geen meester zijn over hun stukken, zijn zij geen artilleristen meer. Indien het projectiel den kanonnier bevelen geeft, moet men den kanonnier op het stuk laden. Dat zijn nu de geleerde mannen, die geen raad weten, na mij eerst te hebben verleid..."

»Verleid!" riepen Barbicane en Nicholl uit; »verleid? Wat meen je daarmeê?"

»Zwijgt maar," hernam Michel Ardan. »Ik beklaag er mij niet over, want ik doe een prettig reisje. Maar mij dunkt toch, dat wij al het mogelijke doen moesten om ergens neer te komen, al is het dan op de Maan."

»Niets liever dan dat," sprak Barbicane, »maar 't ontbreekt ons aan middelen."

»Kunnen wij dan de richting van het projectiel niet wijzigen?"

»Neen."

»Of onze vaart verminderen?"

»Ook niet."

»Ballast uitwerpen?"

»Wij hebben geen ballast, en het uitwerpen zou onze vaart verminderen."

»Versnellen, meent gij."

»Geen van beiden," verbeterde Barbicane, »want bedenk, wij bevinden ons in de ledige hemelruimte."

»Dan rest ons slechts éen zaak," hernam Michel Ardan.

»En die is?"

»Ontbijten," zei deze.

Zoo gezegd, zoo gedaan--en een fijne flesch ontkurkt.

Daarna hervatten zij hun waarnemingen. De uitgeworpen voorwerpen bleven op onveranderden afstand van het projectiel zweven. Van de Aarde was op dat oogenblik niets te zien. De Maan daarentegen schitterde in vollen glans te midden van ontelbare sterren. De voorwerpen op haar oppervlakte begonnen door den afstand onduidelijker te worden; de Tycho prijkte als een zon op de prachtige schijf.

Barbicane kon door geen hulpmiddel de snelheid hunner bewegingen bepalen; maar volgens wiskundige wetten moest ze gelijkmatig afnemen.

En inderdaad, aangenomen dat het projectiel een baan om de Maan ging beschrijven, dan moest die baan noodwendig een elliptische zijn. De wetenschap wijst dit uit. Geen enkel lichaam, dat zich wentelt rondom een middelpunt van aantrekking, maakt daarop uitzondering. Al de loopbanen, die in de hemelruimte worden beschreven, zijn ellipsen: die der wachters om hun hoofdplaneten, die der planeten om de zon, die van de zon om Halcyon, indien ten minste de sterrenkunde gelijk heeft in haar meening, dat die ster in het Zevengesternte het middelpunt is rondom hetwelk zich onze zon en met haar een ontelbaar sterrenheir beweegt. En waarom zou dan het projectiel der Gun-club een uitzondering maken op dien algemeenen regel?

In de elliptische loopbaan staat het aantrekkend lichaam altijd in een der brandpunten. Het hemellichaam dat omloopt, 't zij dan een wachter om een hoofdplaneet, 't zij een planeet om een zon, bevindt zich niet altijd op denzelfden afstand van het middelpunt der aantrekking, in het eerste geval de hoofdplaneet, in het laatste de zon. Wanneer de Aarde haar naasten stand ten opzichte der zon heeft, heet dit dat zij in haar perihelium is; daarentegen in haar aphelium, wanneer zij het verst van de zon staat. De Maan heet in haar naasten stand ten opzichte van de Aarde in haar perigeüm, in haar apogeüm het verst van ons te staan. Indien men dus deze sterrenkundige uitdrukkingen zou willen overbrengen op de standen van het projectiel, indien het zich in een elliptische loopbaan om de Maan beweegt, ware dit het verst van de Maan in zijn aposelenium, in zijn naasten stand bij haar in zijn periselenium.

In den laatsten stand moest het projectiel zijn grootste, in den eersten zijn kleinste snelheid hebben. Nu bewoog het zich op dat oogenblik klaarblijkelijk naar zijn aposelenium, zoodat Barbicane volle recht had te oordeelen, dat hun snelheid afnemende was, om, wanneer dat aposelenium eenmaal zou bereikt zijn, met toenemende snelheid naar het naaste punt bij de Maan, het periselenium, terug te keeren. En indien nu het aposelenium-punt samenviel met het meermalen door ons genoemde nulpunt--waar de aantrekking van de Aarde tegen die der Maan juist opweegt--zou de snelheid van het projectiel afdalen tot nul.

Barbicane onderzocht de gevolgen dier verschillende standen en dacht er over na, op welke wijze er partij van zou te trekken zijn, toen zijn gedachten werden afgeleid door een luiden kreet van Michel Ardan.

»Men moet toch zeggen, dat wij uilskuikens zijn!"

»Tegenspreken zal ik dit niet," antwoordde hem Barbicane, »maar waarom?"

»Omdat wij een zeer eenvoudig middel hebben om de snelheid, met welke wij ons van de Maan verwijderen, te verminderen, en wij maken er geen gebruik van."

»En wat is dat middel dan?"

»Niets anders dan gebruik te maken van de terugstootende kracht die wij in onze vuurpijlen bezitten."

»Wèl aangemerkt," zei Nicholl.

»'t Is waar, wij hebben van die kracht nog geen gebruik gemaakt, maar wij zullen het doen," merkte Barbicane aan.

»Wanneer?" vroeg Michel Ardan.

»Als het er de tijd toe zal zijn. Vergeet niet, mijne vrienden, dat in den tegenwoordigen stand van het projectiel onze vuurpijlen ons wel eens van de Maan zouden kunnen verwijderen in plaats van haar te naderen. Ons projectiel toch heeft op dit oogenblik nog een schuinschen stand ten opzichte der maanschijf. En de bedoeling is immers op de Maan voet aan wal te zetten?"

»Zeer zeker," antwoordde Michel Ardan.