De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren
Chapter 14
Barbicane onderrichtte hem nader aangaande deze raadselachtige voorwerpen op de Maan. Het zijn groeven--men telt er omtrent 100--maar de meesten kunnen slechts met zeer fijne werktuigen waargenomen worden. Het best laten zij zich vergelijken bij reusachtige rijtuigsporen, maar sporen van 1000 tot 1500 meter breedte. Zij zijn overal even breed en ofschoon enkelen een zeer zachte bocht maken, loopen zij nimmer in kronkelingen, maar meestal volkomen recht. Beddingen van uitgedroogde rivieren kunnen het niet zijn, want zij loopen niet zelden onveranderd over hooge gebergten heen. Sommige liggen naast elkander, anderen doorsnijden de een de ander overdwars. De lengte is zeer uiteenloopend; er zijn er van eenige kilometers, anderen ook van vele mijlen. Onderscheiden sterrenkundigen van den lateren tijd--aan de vroegere waarnemers, Hevelius, Cassini, Lahire, Herschel, schijnen zij onbekend te zijn gebleven--hebben er hunne aandacht aan gewijd, vooral Schröter, Pastorff, Gruithuizen, Beer en Mädler. Het is echter nog niet gelukt er een aannemelijke verklaring van te geven. Zelfs schijnt het nog niet volkomen uitgemaakt, dat het groeven zijn, daar sommige kenteekenen eer aan dijkvormige verhevenheden zouden doen denken.
Michel Ardan hield vol, dat het hoe dan ook, bewijzen van plantengroei zouden zijn, al waren het rijen boomen, die zichtbaar of onzichtbaar konden wezen, naargelang zij in verschillende jaargetijden al of niet bladerloos zijn.
»Dat kan niet," antwoordde Barbicane, »want op de Maan zijn geen seizoenen."
Zoo is het ook. De as der Maan heeft een zoo onbeduidende helling op het vlak harer loopbaan, dat op iedere breedte de zon er altijd even hoog staat. Boven de streken onder en nabij den evenaar staat de zon bijna onveranderlijk in het toppunt; zij staat daarentegen steeds aan den gezichteinder in de nabijheid der polen. Derhalve heeft elke maangordel onafgebroken, òf lente, òf zomer, òf herfst, òf winter.
Het projectiel stond nu boven de streek van 40° breedte, nauwelijks 800 kilometer van de Maan verwijderd. Onder hen verhief zich de berg Helicon, 505 meter hoog; links van hen stonden de lagere hoogten, die onder den naam van Iris-golf een gedeelte der Regenzee uitmaken.
Om de Maan met volkomen juistheid te kunnen waarnemen, zou de dampkring der Aarde 170 maal ijler moeten zijn dan nu. Maar in de ledige hemelruimte bevond zich geen middelstof hoegenaamd tusschen de Maan en onze reizigers. Bovendien bevonden zij zich op geringer afstand van haar oppervlakte, dan die, tot welken zij door de telescopen van Lord Rosse en het Rotsgebergte werd aangehaald. Zij waren dus beter dan iemand anders in de gelegenheid om te onderzoeken wat er ware van de bewoonbaarheid der Maan. Doch Barbicane kon het zoo ver niet brengen. Hij zag niets dan doodsche vlakten en kale gebergten; van werk van levende wezens geen spoor. Geen zweem ook van beweging, geen bewijs van plantengroei.
»Dus zouden er geen maanbewoners zijn?" vroeg Michel Ardan teleurgesteld.
»Dat is nog niet bewezen," gaf Barbicane ten antwoord. »Een mensch is zelfs voor het scherpste gezicht niet verder zichtbaar dan op 7 kilometer. Er zouden derhalve maanbewoners kunnen zijn, die wel ons projectiel zien, maar zelven aan ons oog ontsnappen."
Tegen 4 uur in den morgen, op de hoogte van 50° breedte, waren zij de Maan tot op 600 kilometer genaderd. Links zagen zij een reeks bergen, door het volle zonlicht beschenen. Rechts een donkere diepte, als een reusachtige uitholling van den grond. Het was de zoogenoemde Zwarte zee, de Plato, een diepte, die men van de Aarde het best kan waarnemen tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, als wanneer de schaduwen van west naar oost loopen.
Een dergelijke donkere kleur is zeldzaam op de maanoppervlakte. Men heeft haar nog alleen waargenomen in den krater van den ringberg Endymion, oostelijk van de Koude Zee, op het noordelijk halfrond, en op den bodem van den Grimaldi onder den evenaar nabij den oostelijken rand der Maan.
De Plato is een ringberg op 51° noorderbreedte en 4° O. L. der Maan. De krater--zoo noemt men doorgaans de ringvlakte binnen den ringberg--is 92 kilometer lang, 61 breed. Barbicane betreurde het dat hij er niet vlak boven kwam; hij zou dan in een geweldige, misschien geheimzinnige diepte hebben neergezien. Maar aan de richting van het projectiel was niets te doen.
Een uur later waren zij voorbij de noordelijke grens der Regenzee. Van de bergen La Condamine en Fontenelle hadden zij den eenen links, den anderen rechts. Die geheele streek was zeer bergachtig. Zij waren zoo nabij, dat de kijkers de Maan aanhaalden alsof zij niet verder van hen was dan de top van den Mont-Blanc van den waterspiegel der zee. Overal zagen zij bergtoppen en bergringen. Op 70° breedte vertoonde zich de Philolaüs, 3700 meter hoog, met een langwerpig ronden krater van omtrent 7000 meter lengte, nog geen 2000 breed.
De oppervlakte der Maan had, van dat punt gezien, een allergrilligst voorkomen. Alles even scherp, even hoekig, gelijk er ook, dewijl de Maan geen dampkring en dus ook geen schemering heeft, geen zachte overgang is van het licht naar het donker, maar een onmiddellijk afsnijdende lijn, zonder de minste schemering. Daaruit moet volgen, dat de maanbewoners, aangenomen dat zij bestaan, de schitterende zon en de fonkelende sterren zien staan aan een pikzwart uitspansel. Datzelfde zagen trouwens Barbicane en zijn tochtgenooten.
Te 5 uur waren zij de Maan zooveel genaderd dat zij er slechts 50 kilometer van verwijderd waren en het scheen alsof zij haar konden grijpen. Michel Ardan wilde in goeden ernst een hunner vensters openen en naar beneden springen. Een groote dwaasheid, want--gezwegen van de doodelijke hoogte van den sprong, indien het projectiel niet op de Maan nederkwam, zou hij er evenmin komen.
Een uur later zagen zij de pool. Toen vertoonde de maanschijf aan de blikken der reizigers niets dan éen sterk verlichte helft, terwijl de andere in de duisternis verdween. Zachtkens zweefde het projectiel boven de scheidingslijn tusschen het licht en het donker en werd het plotseling in een diepen nacht gedompeld.
NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN LANGE NACHT.
De overgang was zoo plotseling geweest, als ware de Maan in éen punt des tijds vernietigd.
»De Maan is naar de Maan!" riep Michel Ardan uit.
't Was ook zoo. En zij zelven zaten in het stikdonker. Hoe zuinig ook op het gas, toch moest Barbicane verzoeken licht aan te steken.
»Die satansche zon!" riep Michel Ardan uit. »Zij onttrekt ons haar licht, dat zij ons toch gemakkelijk gunnen kon."
»'t Is de schuld niet van de zon, maar van de Maan, die ons eenvoudig het zonlicht onderschept," sprak Nicholl.
Barbicane scheidde hen door aantemerken, dat noch de zon noch de Maan er schuld aan hadden, maar het projectiel, dat in plaats van behoorlijk in zijn baan te blijven, zuidwaarts was uitgeweken. »En om billijk te zijn," voegde hij er bij, »moeten wij de schuld geven aan dien verwenschten vuurkogel, die ons van onzen weg heeft afgetrokken."
»Goed en wel," antwoordde Michel Ardan, »en daarom, wij hebben lang genoeg waargenomen, laat ons nu iets gebruiken."
»Dat is iets anders," zei Nicholl droogjes.
De anderen brachten er niets tegen in. De voorsteller had in een oogenblik den maaltijd gereed. Maar men at om te eten; er was geen animo, 't Was zoo leegdonker; 't was alsof zij alleen in het heelal waren!
De lange nacht dien zij waren ingetreden, maakte het onderwerp uit van hun gesprek. Barbicane legde hun uit, dat de nacht een paar weken zou duren.
»De van ons afgekeerde zijde der Maan," zei hij, »ziet nimmer de Aarde; bijgevolg wordt ook op haar het aardlicht niet teruggekaatst, wanneer het voor de Aarde Nieuwe maan en derhalve voor de naar haar toegekeerde zijde der Maan Volle aarde is. De van de Aarde afgekeerde maanhelft heeft dus geen andere verlichting dan die de zon geeft. Dat licht wordt haar onttrokken zoolang de zon even zoo voor hen is ondergegaan als zij het 's avonds voor ons doet. Maar de Aarde wentelt zich in 24 uren om haar as; derhalve is ieder punt van haar oppervlakte na eenige uren donkerheid opnieuw door de zon verlicht. De Maan echter wentelt zich om haar as in dienzelfden tijd als om de Aarde, namelijk in omtrent vier weken. Derhalve moet ieder punt der van de Aarde afgekeerde zijde van de Maan ook even zoo lang onafgebroken nacht hebben, zonder dat die nacht, gelijk voor de naar de Aarde gekeerde maanhelft, door het aardlicht wordt verhelderd."
»Maar," ging hij voort, »de naar de Aarde toegekeerde zijde der Maan heeft nog meer voorrechten. Wij noemen onder anderen het waarnemen der zon-eclipsen, welke alleen plaats hebben voor deze helft der maan, daar alsdan de Aarde tusschen de Maan, en de zon staat. Zij kunnen twee uren duren en zijn voor de Aarde maan-eclipsen, voor de Maan zon-eclipsen."
»Ongelukkige andere maanhelft!" riep Nicholl uit.
»Ten deele," zei Barbicane. »Door verschillende oorzaken, waarvan de voornaamste bestaat in de zoogenaamde liberatie der Maan, krijgt van tijd tot tijd nog 1/2 van die andere maanhelft nu en dan de Aarde te zien. Te weten: de Maan wentelt met eenparige snelheid om haar as, terwijl haar beweging om de Aarde, als niet in een cirkel, maar in een ellips plaats hebbende, nu sneller, dan langzamer is. Voorts ook als de Maan haar zuidelijksten stand heeft, kan men voorbij haar noordpool nog eenigszins de Aarde zien, en omgekeerd aan haar zuidpool bij haar noordelijksten stand."
»Dat raakt niet," vond Michel Ardan, »als wij maanbewoners worden, gaan wij op die helft wonen, welke naar de Aarde toegekeerd is."
»Ten minste," sprak Nicholl, »indien er niet enkel op de tegenovergestelde zijde lucht te vinden is, gelijk sommige sterrenkundigen meenen."
Barbicane vond het onverklaarbaar, dat het projectiel, slechts 50 kilometer van de Maan verwijderd, niet op haar oppervlakte gevallen was. Indien het een zeer groote snelheid had, liet zich dit verklaren. Maar bij een zoo matige snelheid was het onbegrijpelijk dat de aantrekking der Maan er niet meer op gewerkt had. Was het projectiel dan nog aan een andere werking onderworpen? Was er nog een ander hemellichaam dat het in de hemelruimte deed zweven? Dat het de Maan niet zou bereiken, was zonneklaar. Waarheen zou het zich dan begeven? Hoe zou men dat kunnen berekenen? Barbicane stond er voor stil.
Misschien was er een ander hemellichaam in de nabijheid, maar zij bemerkten er niets van. Niets werden zij ook gewaar van die helft der Maan welke de Aarde nimmer te zien krijgt. Men meent algemeen, dat de beide helften elkander gelijk moeten wezen. Het kleine gedeelte dat wij er van te zien kunnen krijgen, spreekt zulks niet tegen. Maar indien de lucht eens derwaarts ware geweken? En met de lucht ook water, plantengroei, dierenwereld? Zijn er dieren, menschen? Welk een wijd veld voor gissingen! Maar ook, welk een teleurstelling voor ons drietal, dat er zoo dicht bij was en er toch niets van zou te zien krijgen!
Tot vergoeding hadden zij het prachtig gezicht op den sterrenhemel, waar ontelbare sterren--niet fonkelden, want dat schitteren is een gevolg van de werking der lucht, wier lagen, ongelijk van dichtheid en verwarming, de sterren als in een trillende beweging doen schijnen. Zij verspreiden een stil licht, geheel in overeenstemming met de grafstilte rondom de reizigers.
Langen tijd staarden zij in stomme verbazing op dat indrukwekkend schouwspel. De Maan scheen een groote, stikdonkere opening in de oneindige ruimte. Maar zij werden uit hun bespiegelingen gewekt door een alleronaangenaamst gevoel, dat van een felle koude, die de lenzen hunner lichtraampjes aan de binnenzijde met een ijskorst overdekte. Zonnestralen verwarmden het projectiel niet meer en de uitstraling onttrok er aanhoudend warmte aan. De vochtdeelen zetten zich aan de glazen, en weldra werd alle waarneming onmogelijk.
Nicholl keek op den thermometer; deze teekende 17° C. onder O. En Barbicane, hoe zuinig anders op hun gas, moest het nu ook tot verwarming aanspreken. 't Was in het projectiel niet langer uit te houden, 't Scheen dat zij met hun drieën bij levenden lijve moesten bevriezen.
Michel Ardan vond, dat dit nog eenige verscheidenheid opleverde, maar moest toch bekennen: »'t Is onuitstaanbaar. Zie, onze adem bevriest tot sneeuw!"
Nicholl wilde weten hoe het met den graad van koude buiten het projectiel zou gesteld zijn. Barbicane zeide hem: »juist zooals in de geheele hemelruimte. Maar wij zullen het onderzoeken."
Hoe?" vroeg Nicholl.
»Met een thermometer dien ik bij mij heb; hij heet een minimum-thermometer en is ingericht om zeer lage graden van temperatuur aan te wijzen."
Michel Ardan wilde dien thermometer eenvoudig naar buiten werpen, meenende dat hij wel evenals de doode hond nabij het projectiel zou blijven zweven. Men kon dan den thermometer binnenhalen als men het verkoos.
»Met de hand?" vroeg Barbicane.
»Waarom niet?"
»Omdat uw hand in een oogenblik doodgevroren zou zijn. Ook kunnen wij op een los zwevenden thermometer niet zien. Wij zullen hem dus voorzichtig uitlaten en aan een koordje hangen."
Maar in weerwil van dat voorzichtige liet zich, hoewel het glas slechts een seconde open was, een vreeselijke koude gevoelen, en nog eens, toen de thermometer haastig werd ingehaald.
Hij teekende 140° onder 0!
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
IN WELKE KROMME LIJN?
Misschien verbaast het den lezer, dat Barbicane en zijn reisgenooten zich zoo weinig bekommerden over 't geen in dien aluminium-kerker van hen worden zou. In plaats van daarover te denken of te spreken, deden zij op hun gemak waarnemingen; zij deden--letterlijk--alsof zij thuis waren. Zegt men misschien: zij hadden wel wat meer te doen dan aan hun toekomst te denken,--de waarheid is, dat zij in een toestand verkeerden van volslagen afhankelijkheid. Aan de bewegingen van hun projectiel konden zij het allerminst iets doen. Een zeeman wendt den steven van zijn vaartuig waarheen hij wil; een luchtvaarder kan zijn ballon doen rijzen of dalen. En zij konden .... niets. Zij dreven op Gods genade.
Waar waren zij op dien dag, een St. Nicolaasdag, 's morgens te 8 uur. Zeer zeker nabij de Maan. Maar hoe ver er vandaan? Dat wisten zij niet. Was die afstand in die laatste twee uren vermeerderd of verminderd? Geen kenteeken zeide het hun.
Michel Ardan opperde de meening, dat het projectiel ten gevolge van de aantrekking der Maan zou eindigen met evenzoo op de Maan te vallen als nu en dan een luchtsteen op de Aarde.
»Dat gebeurt van de duizend luchtsteenen nog niet met één," zei Barbicane. »Verweg de meeste snellen als vallende sterren door de hemelruimte, zonder in eenige aanraking met de Aarde te komen."
»Maar wat zal dan van onzen aluminium-kerker worden?"
Barbicane dacht een oogenblik na en zei toen: »ik weet maar twee mogelijkheden."
»En die zijn?"
»Het projectiel heeft keus tusschen twee wiskundige lijnen; welke van die twee het volgen zal, hangt af van de snelheid, en die kan ik op dit oogenblik niet bepalen."
Nicholl vulde die woorden aan met te zeggen: »zeker een parabool of een hyperbool?"
»Dat zijn geleerde woorden, daar houd ik van," zei Michel Ardan, »En wat voor een ding is dan een parabool?"
»Een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat indien men een rechten kegel doorsnijdt evenwijdig aan een der zijden."
»Dus de kromme lijn, die een bom beschrijft als zij uit het mortier geschoten is," merkte Nicholl aan.
»Precies!"
»En de hyperbool?" vroeg Michel Ardan.
»De hyperbool is ook een kromme lijn van den tweeden rang; zij ontstaat indien men zich twee kegels voorstelt, met de punten rechtstandig op elkander staande en de snede alsdan door de beide kegels gaat. Gelijk de parabool twee beenen heeft die zich in het oneindige van elkander verwijderen, zoo heeft de hyperbool er vier."
»Wat je zegt!" zei Michel Ardan met de grootstmogelijke bedaardheid, alsof het iets zeer gewichtigs was. »Ik vind de hyperbool mooier want daar begrijp ik nog minder van dan van de parabool."
Barbicane en Nicholl gaven weinig acht op deze stekelige aanmerkingen; zij verdiepten zich slechts in de vraag: in welke kromme lijn zal zich het projectiel bewegen? Parabool of hyperbool? Michel Ardan begreep niets van hun geleerdheid _a_ + _b_ = _x_.
»De vraag is alleen," vond hij, »waarheen zal een van die heeren bolen ons brengen?"
»Dat is 't hem juist," antwoordde kapitein Nicholl.
»Beide kromme lijnen hebben, gelijk onze voorzitter reeds terecht heeft aangemerkt, beenen die in het oneindige uiteenloopen."
»Dan is 't met de lange beenen tot in het oneindige mij onverschillig," liet Michel Ardan zich koeltjes ontvallen.
»Praten is niets," voegde hij er bij. »Dit is echter zeker dat het openen van gemeenschap met de Maan voor onze Aarde nog zoo heel gemakkelijk niet is. Zouden de bewoners der andere planeten niet meer van hunne wachters weten dan wij aardbewoners van onze Maan?"
Wat Barbicane of Nicholl daarop hebben geantwoord, is ons niet bekend; maar men zou Michel Ardan het volgende hebben kunnen zeggen.
Het zou ten deele voor die planeetbewoners veel gemakkelijker zijn wegens de meerdere nabijheid dier wachters bij hun hoofdplaneet. Indien daarom Jupiter, Saturnus, Uranus door redelijke wezens bewoond worden, kunnen zij enkelen hunner wachters gemakkelijker waarnemen. De vier manen van Jupiter staan: de eerste 58,294, de tweede 92,827, de derde 148,078, de vierde 266,450 geographische mijlen van haar hoofdplaneet, namelijk van haar middelpunt af. Trekt men nu daarvan de halve middellijn dier planeet af, dan ziet men, dat de eerste wachter een weinig dichter bij Jupiter staat dan de Maan bij de Aarde. Van de acht wachters van Saturnus verkeeren niet minder dan drie in hetzelfde geval: Mimas 20,022, Enceladus 26,151, Thetis 43,077 geographische mijlen. Van de wachters van Uranus staat alleen de eerste, Ariël, 49,980 mijlen van de hoofdplaneet. Maar daar de wachters welke men heeft kunnen waarnemen, evenals onze Maan altijd dezelfde zijde naar hun hoofdplaneet schijnen te keeren, en dit dus een wet voor alle bijplaneten schijnt te wezen, zijn de sterrenkundigen op Jupiter, Saturnus en Uranus te dezen niet verder dan die op den Aardbol.
Wij keeren tot onze reizigers terug. Tegen 4 uur in den morgen ontdekte Barbicane, dat de richting van het projectiel veranderd was. Die verandering bestond hierin, dat de bodem van het projectiel zich naar de Maan had gewend ten gevolge van de aantrekking der Maan, die op het zwaarste gedeelte van het projectiel het sterkst werkte.
Zou het dan op de Maan vallen? Neen. En de waarneming van een overigens onverklaarbaar verkenningspunt toonde aan Barbicane dat zij de Maan niet naderden, maar dat zij een kromme lijn om haar bleven beschrijven.
Dit verkenningspunt was een licht, door Nicholl het eerst aan den gezichteinder gezien. Een ster kon het niet zijn. Het was roodachtig van kleur en werd hoe langer hoe grooter, zoodat het projectiel er zich heen moest bewegen.
»'t Is een vulkaan in werking!" riep Nicholl uit.
Barbicane legde zijn nachtkijker aan en bevestigde Nicholl's vermoeden. »Inderdaad, het is een vulkaan-uitbarsting!" zei hij.
»Dan moet er ook lucht op de Maan zijn, want zonder lucht geen vuur," oordeelde Michel Ardan.
»Dat is nog zoo zeker niet," antwoordde Barbicane. »De vulkaan kan zijn vlammen wel uitwerpen ten gevolge eener ontbinding van zelfstandigheden die wij niet kennen. 't Zou dus voorbarig zijn, uit het braken van een vulkaan te besluiten, dat de Maan een dampkring heeft."
De vuurberg moest omstreeks 45° Z. breedte, op het voor de Aarde onzichtbaar gedeelte der Maan gelegen zijn. Maar het projectiel bewoog zich in een zoodanige richting, dat het na een half uur den vulkaan uit het gezicht verloor. In zeker opzicht was dit teleurstellend, maar in een ander ook geruststellend, want het geval zou de veiligheid onzer vrienden wel eens ernstig hebben kunnen bedreigen.
Een weinig later zagen zij weder een vuurbol. Voor de Aardbewoners hebben die luchtverschijnselen meest altijd een licht, veel geringer dan dat der Maan, maar in de ledige hemelruimte gaven zij een schitterend licht. Dit was ook 't geval met den vuurkogel dien zij nu langzaam zagen naderen. Barbicane schatte zijn middellijn op 2000 meter. En dat voorwerp naderde hem met een snelheid van omtrent 2 kilometer in de seconde. Recht op hen afkomende, scheen hij het projectiel binnen weinige minuten te zullen bereiken. Schrikbarend snel nam de grootte ervan toe.
Men verbeelde zich zoo mogelijk de gewaarwordingen der reizigers. Hoe koelbloedig en onversaagd zij ook waren, toch stolde hun het bloed in de aderen. Kwam de bol op hen; of naderde zij hen? Om het even; zij schenen op het punt te zijn van in een gloeienden afgrond geworpen te worden.
Zij achtten zich verloren!
Twee minuten later zagen zij den vuurbol op de vreeselijkste wijze uiteenspatten. Maar zij hoorden niets, want in de ledige ruimte kon zich het geluid niet voortplanten, daar het geluid niets is dan een verplaatsing van luchtlagen.
Ontzettend, schouwspel! Het was als een geweldige uitbarsting van een vulkaan of een onmetelijke brand. Duizenden vonken en vuurbrokken van allerlei kleuren vlogen in het rond en van den reusachtigen vuurbol bleef niets over dan splinters, als sterretjes rondzwevende in de onmetelijke ruimte. Zij verspreidden zich ginds en herwaarts, en weldra was van het schrikwekkend vuurwerk niets meer te zien. De sterren blonken als gloeiende stipjes op den koolzwarten achtergrond van het uitspansel.
EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK.
HET ZUIDERHALFROND.
Het projectiel was ontsnapt aan een gevaar, even dreigend als onverwacht. Wie zou aan zulk een botsen tegen een vuurbol gedacht hebben? Deze rondzwervende voorwerpen konden voor onze vrienden allergevaarlijkst zijn. Het waren klippen in den oceaan der ruimte gezaaid, die zij niet konden ontzeilen. Maar beklagen deden zij zich over de uitgestane angsten niet, want het plotselinge licht had gedurende eenige seconden de anders onzichtbare maanschijf zichtbaar gemaakt. Met snellen blik hadden zij landen, zeeën en bosschen gezien. Was dan die Maanhelft bedekt door een levenswekkenden dampkring?
Het was half vier uur in den namiddag. Het projectiel beschreef nog altijd een kromme lijn om de Maan. Was die baan gewijzigd door den vaneengesprongen vuurkogel? Men kon het vreezen. In allen gevalle moest het projectiel een baan hebben volgens de wetten der werktuigkunde. Barbicane helde meer over om haar voor een parabool dan een hyperbool te houden. Maar in dat geval moest het projectiel zeer snel buiten de schaduwkegel der Maan geraakt zijn. Die schaduwkegel is zeer smal, daar de Maan zooveel kleiner is dan de zon. Toch zweefde het projectiel nog in die schaduw. Met welke snelheid--was niet bekend, maar gering kon die niet zijn, en toch nog altijd in die schaduw! Barbicane pijnigde zich vruchteloos om dat raadsel op te lossen.
Aan rust dachten geen van drieën. Aan eten evenmin, want hoewel Michel Ardan te vijf uur brood en vleesch voorzette, werd slechts vliegend een stukje genuttigd, want niemand wilde zijn raampje een oogenblik verlaten. Hun adem moest het glas ontdooid houden. Doch hun uitkijken was niet vruchteloos, want na een half uurtje zagen zij op de donkere maanschijf heldere lichtstippen die Barbicane aanstonds verklaarde als bergtoppen, reeds door de zon verlicht, terwijl de dalen nog in diepen nacht bedolven lagen.
De zon was dus voor dat gedeelte der Maan in aantocht. Zij verlichtte de bergtoppen aan den zuidelijken rand der Maan. Barbicane leidde er uit af, dat zij met snelheid de zuidpool naderden.
»En eerst de noordpool gehad," merkte Michel Ardan op »dan hebben wij een toertje geheel rondom de Maan gedaan!"
»Juist, mijn vriend."
»Daaruit volgt dan immers, dat wij voor geen parabolen of hyperbolen, voor geen kromme lijnen met lange beenen te vreezen hebben?"