De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren

Chapter 13

Chapter 133,527 wordsPublic domain

Deze gedachten rezen althans op bij Michel Ardan. 't Was een Grieksche Archipel dien hij op de maankaart aanschouwde. In de oogen zijner meer prozaïsche reisgenooten deden deze kusten veeleer denken aan Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland, en daar waar de Franschman de helden vond der aloude fabelleer, zochten de Amerikanen naar geschikte punten tot het vestigen van kantoren en factorijen ten behoeve van den handel met de maanbewoners.

Nog een paar woorden over het voorkomen van de vastelanden der Maan. Men onderscheidt er zeer gemakkelijk bergketenen, afzonderlijke bergen, ringgebergten en rillen. Hiermede is de geheele ons bekende maanoppervlakte aangeduid. Het is een bol vol hoogten en diepten, scheuren, kloven en bulten, een onmetelijk Zwitserland, een tweede Noorwegen, waar alles omgewoeld is door vulkanische werkingen. De geheele maanoppervlakte, ten minste de naar ons toegekeerde zijde, moet in den tijd der wording van dat hemellichaam blootgestaan hebben aan allerlei uitbarstingen, openscheuringen der korst, inzakkingen van den bodem en opheffingen der vlakten. Volgens de opmerkingen van sommige sterrenkundigen is haar oppervlakte, schoon ouder dan die der Aarde, jeugdiger gebleven. Men vindt daar geen wateren, die de oorspronkelijke oneffenheden van den bodem van lieverlede afschuiven en één vlakte doen ontstaan; geen lucht, die haren invloed uitoefent op het voorkomen der landstreek. De werking van het vuur wordt er niet belemmerd of gewijzigd door die van het water; zij bestaat er dus nog in haar oorspronkelijke zuiverheid. Het is er de Aarde, zooals zij was eer stroomen en vloeden haar hadden omkorst met vlakke lagen.

Wanneer het oog heeft geweid over die uitgestrekte vastelanden, rust het op zeeën die nog uitgestrekter zijn. Hare gedaante, ligging en voorkomen herinneren niet slechts aan de oceanen der aarde, maar ook de uitgestrekte plaats die zij beslaan. En toch zijn het geen vloeibare spiegels, maar vaste oppervlakten, welker ware natuur de reizigers eerlang hoopten te leeren kennen.

De latere sterrenkundigen hebben aan die zoogenaamde zeeën de grillige namen ontnomen die zij plachten te dragen. De zoogenoemde »Nevelenzee" (_mare nebularum_) is een uitgestrekte vlakte, bezaaid met eenige ringbergen; zij beslaat een groot gedeelte van het zuiderhalfrond. De »Stormen-oceaan" (_oceanus procellarum_) is de uitgestrektste der geheele naar ons toegekeerde maanzijde: zij ligt op het noorderhalfrond en binnen haar grenzen verheffen zich de schitterende bergen, naar Keppler en Aristarchus genoemd.

Meer noordelijk van de »Nevelenzee" door hooge bergketenen gescheiden, trekt zich de »Regenzee" (_mare imbrium_) uit; zij is bijna rond van gedaante. Niet ver van haar ziet men de kleinere »Vochtenzee" (_mare humorum_). De zeeën liggen op dat halfrond der Maan, hetwelk Michel Ardan het »mannelijke" geliefde te noemen.

Het door hem als »vrouwelijk" aangeduide heeft talrijker, maar kleinere »zeeën". Naar het noorden de »Koude zee" (_mare frigoris_); voorts de »Helderheidszee" (_mare serenitatis_); de »Buitenzee" (_mare crisium_); de »Stille zee" (_mare tranquillitatis_); de »Nectarzee" (_mare nectaris_); de »Vruchtbaarheidszee" (_mare foecunditatus_); en eindelijk nog een »zee" naar Humbold genoemd (_mare Humboldianum_); en een naar hare ligging den naam »zuidelijke" dragende (_mare australe_). Midden op de Maan eindelijk heeft men de »Midden-golf" (_sinus medii_), die op den evenaar der Maan, als een ruiter op zijn paard, schrijlings gezeten is.

Aldus zagen Nicholl en Barbicane de oppervlakte der Maan; Michel Ardan zag haar met de oogen zijner verbeelding gansch anders. Zij gaven zich de moeite om al die kenbare plaatsen der Maan zoo na mogelijk te meten en dan te berekenen hoeveel er overschoot voor bergen, ringgebergten, rillen, en wat dies meer zij; aan Michel Ardan was dit alles volmaakt onverschillig. Zelfs had hij er nauwelijks ooren naar, toen zijn vrienden hem verhaalden, dat het naar ons toegekeerde halfrond der maan 13 1/2 maal kleiner is dan een halfrond der Aarde, en dat men er toch reeds meer dan 50,000 kraters op heeft geteld. Het is dus een gebobbelde, puimsteenachtige oppervlakte, weinig in overeenstemming met de dichterlijke benamingen van schoone Diana, blonde Phoebe, beminnelijke Isis, liefelijke Astarte, haar door Michel Ardan gegeven.

ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

NOG EENIGE BIJZONDERHEDEN.

Wij hebben reeds verhaald, dat het projectiel zijn richting nam naar het noorderhalfrond der Maan. De reizigers waren een heel eind verwijderd van het punt waar zij hadden moeten aanlanden, indien zij geen stoornis in de juiste richting hadden ondervonden.

Het was 's nachts te half één. Barbicane schatte toen hun afstand van de maan op 1400 kilometer--een afstand, die afnemen moest naarmate zij de noordpool meer naderden. Het projectiel zweefde op dat oogenblik niet boven den evenaar, maar ongeveer 10 graden noordelijker, en op die breedte konden zij de Maan onder de gunstigste omstandigheden beschouwen.

Door het gebruiken van kijkers konden zij dien afstand van 1400 kilometers tot 14 minderen. De telescoop van het Rotsgebergte haalde de Maan nog meer aan, maar de dampkring der Aarde verzwakte de werking van den kijker aanmerkelijk. Barbicane ontdekte dan ook, door het glas turend, een en andere bijzonderheid die voor waarneming op de Aarde zoo goed als onbereikbaar bleef.

»Mijne vrienden," zeide de voorzitter der Gun-club deftig, »ik weet niet waarheen wij gaan ook niet of wij wel immer onzen aardbol zullen wederzien. Maar laat ons handelen alsof hetgeen wij verrichten eenmaal ten dienste van onze natuurgenooten moet strekken. Wij moeten ons vrij houden van alle vooraf opgevatte meeningen. Wij zijn sterrenkundigen. Dit projectiel is een vertrekje van de sterrenwacht te Cambridge, in de hemelruimte zwevende. Wij moeten onze waarnemingen doen."

Na deze toespraak werd de arbeid aangevangen met zoo groote nauwkeurigheid, dat zij een getrouwe afbeelding erlangden van die gedeelten der Maan, welke achtereenvolgens onder hun bereik kwamen.

Op het oogenblik toen het projectiel boven den parallel van 10° N zweefde, scheen het juist in de richting van 20° O. L. te zijn.

Wij hebben een niet onbelangrijke opmerking te maken aangaande de maankaart, van welke zij zich bij hunne waarnemingen bedienden. Daar, gelijk reeds is opgemerkt, de afbeeldingen der Maan haar in den regel zoo voorstellen als zij door sterrenkundige kijkers gezien wordt, d. i. ondersteboven, met het noorden naar beneden en het zuiden naar boven, zou men meenen, dat diensvolgens ook het oosten links en het westen rechts moest zijn. En toch is dit niet zoo. Indien de maankaart wordt omgekeerd, zoodat zij de Maan vertoont gelijk men haar met het bloote oog ziet, zou het oosten links en het westen rechts zijn, het omgekeerde van landkaarten. De reden daarvan is deze. De waarnemers op het noorderhalfrond, b. v. in Europa, zien de Maan te hunnen opzichte in een zuidelijke richting. Wanneer zij waarnemen, keeren zij den rug naar het noorden, terwijl zij integendeel bij het bezien van een gewone landkaart ondersteld worden het noorden vóór zich te hebben. En daar zij nu, de Maan beschouwende, het noorden achter zich hebben, ligt ook het oosten links van hen, het westen rechts. Voor de waarnemers op het zuiderhalfrond, b. v. Patagonië zou het westelijk gedeelte der Maan juist aan hunne rechter- en haar oostelijk gedeelte aan hun linkerzijde liggen; en dit dewijl het zuiden achter hen is.

Dit is de reden van de schijnbare omkeering dier twee hoofdpunten: het zuiden en het westen. Men moet dit in het oog houden om de waarnemingen van den voorzitter der Gun-club te kunnen volgen.

Met behulp der maankaart van Beer en Mädler konden de reizigers zonder feil dat gedeelte der maanschijf waarnemen, dat in het veld van hun kijker kwam.

»Wat zien wij op dit oogenblik?" vroeg Michel Ardan.

»Het noordelijk gedeelte van de Nevelenzee," antwoordde Barbicane. »Wij zijn er te ver af om nauwkeurig waar te nemen hoe het er uitziet. Zijn het dorre zandvlakten, zooals de oudere sterrenkundigen beweerden? Of onmetelijke bosschen, volgens Warren de la Rue, die van oordeel is, dat de Maan een zeer lagen, maar tevens zeer dichten dampkring heeft? Dat zullen wij later wel ontdekken. Wij moeten niets aannemen zonder reden om zulks te doen."

De »Nevelenzee" is vrij onjuist op deze kaarten aangeteekend.

Men onderstelt, dat die uitgestrekte vlakte is bezaaid met lavablokken, uitgeworpen door de vulkanen aan haar rechterzijde, Ptolemeüs, Purbach, Arzachel. Maar het projectiel naderde de Maan kennelijk, en weldra lieten zich de bergtoppen onderkennen, die de vlakte aan haar noordzijde omzoomen. Voor hen uit verhief zich een schitterende overschoone berg; zijn top scheen omgeven met een krans van zonnestralen.

»Dat is?".... vroeg Michel Ardan.

»De Copernicus," antwoordde Barbicane.

Deze berg ligt op 9° N. Br. en 20° O. L. en verheft zich 3438 meter boven den algemeenen spiegel der Maan. Men kan hem van de Aarde gemakkelijk zien en de sterrenkundigen kunnen hem zonder moeite nauwkeurig waarnemen, vooral tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, dewijl alsdan de schaduw zich lang van oost naar west uitstrekt en men dus de hoogte van den berg gemakkelijk kan meten.

Met uitzondering van den Tycho op het zuiderhalfrond maakt de Copernicus het belangrijkste gedeelte der maanschijf uit. Hij staat alleen, gelijk een reusachtige vuurtoren, op dat gedeelte der Nevelenzee, dat grenst aan den Stormen-oceaan en verspreidt dus zijn schitterende stralen over de beide vlakten. Het was voor de reizigers een onvergelijkelijk schoon schouwspel. In den vollen glans der Volle maan schitterden de prachtigste lichtstrepen, ver naar het noorden tot de Regenzee. Te één uur zweefde het projectiel als een reusachtige luchtballon boven dezen schitterenden berg. Barbicane kon den berg nauwkeurig waarnemen. De Copernicus behoort onder de grootste ringbergen der Maan. Evenals de Keppler en de Aristarchus in de Onwederzee vertoont hij zich somtijds als een schitterend punt te midden van het aschgrauwe licht, zoodat men hem dikwijls voor een nog brandenden vulkaan gehouden heeft. Doch het is slechts een uitgedoofde, evenals al de overige op deze zijde der Maan; zijn ringwal heeft een middellijn van ruim 9000 meter. Met het gewapend oog ontdekten zij de overblijfselen van lagen, veroorzaakt door achtervolgende uitbarstingen, terwijl de omtrek bezaaid scheen met vulkanische brokken, van welke sommigen nog binnen den omvang van den krater lagen.

»Er zijn," zeide Barbicane, »onderscheidene soorten van bergringen op de oppervlakten der Maan, en het is gemakkelijk te zien, dat de Copernicus behoort tot die, van welke om zoo te zeggen naar alle zijden stralen uitgaan. Indien wij naderbij waren, zouden wij de kegels zien, die zich binnen den ring verheffen en in vroeger tijd zoovele vuurbrakende kraters waren. Zonderling en genoegzaam zonder uitzondering is het verschijnsel, dat de dalen, door de ringgebergten ingesloten, allen dieper zijn dan de omliggende vlakten, terwijl bij de kraters op onze Aarde het tegendeel plaats heeft. Hieruit volgt, dat de algemeene kromming van den bodem dier bekkens die van een bol is, kleiner dan de Maan zelf."

»En hoe komt dat?" vroeg Nicholl.

Barbicane verklaarde, dat men dit niet weet.

»Welk een prachtig gezicht!" riep Michel Ardan uit. »Ik kan mij niet voorstellen, dat er een schooner zijn kan."

»Wat zult gij dan wel zeggen," antwoordde Barbicane, »indien onze tocht naar het zuiderhalfrond heenleidt?"

»Welnu, dan zal ik zeggen, dat het nog schooner is," antwoordde Michel Ardan.

Op dit oogenblik stond het projectiel juist boven den Copernicus. Hij vertoonde een bijna volkomen ring, met zilver gloeiende wallen. Men kon zelfs een dubbelen ringvorm onderscheiden. Rondom den berg strekte zich een reusachtige vlakte uit, van een woest voorkomen, met hoogten van een grijsachtige kleur. Op den bodem van de ringvlakte schitterden een oogenblik twee of drie uitbarsting-kegels, als prachtige edelgesteenten, in zilver gevat.

Naar het noorden was de bergring afgebroken door eene laagte, alsof daar een opening geweest was om toegang te geven tot de ringvlakte.

Terwijl zij boven dit gedeelte der maanoppervlakte zweefden, kon Barbicane een groot aantal min belangrijke bergen aanteekenen, waaronder een kleinen ringberg, Gay-Lussac genoemd, die 23 kilometer wijd is. Zuidwaarts vertoonde zich alles zeer vlak, zonder eenige verhevenheid. Naar het noorden daarentegen, tot waar de stormenzee begon, had alles het voorkomen van eene zee, geteisterd door een orkaan, maar plotseling gestild. Naar alle zijden liepen verlichte rillen uit, die zich vereenigden op den top van den Copernicus. Sommigen hadden een breedte van 30 kilometer; hun lengte was niet te bepalen.

De reizigers bespraken den oorsprong dier zonderlinge rillen, maar zij wisten er even weinig van te maken als de waarnemers op Aarde.

»Maar waarom," vroeg Nicholl, »zouden die strepen niet eenvoudig bergruggen kunnen zijn, die het zonlicht sterker weerkaatsen?"

»Neen," antwoordde Barbicane, »in dat geval zouden bij bepaalde standen der Maan deze rillen een schaduw van zich werpen. En dat doen zij niet."

Inderdaad, deze voorwerpen vertoonen zich niet dan bij Volle Maan, wanneer de zon vlak op haar schijnt, terwijl zij bij schuinschen stand ten aanzien der zon geheel onzichtbaar zijn.

»Maar wat heeft, men uitgedacht om die lichtende strepen te verklaren?" vroeg Michel Ardan; »want ik kan niet gelooven, dat de wetenschap er geen verklaring van zou beproefd hebben."

»Zeker," was Barbicane's antwoord: »Herschel heeft daaromtrent een meening voorgedragen, maar hij durfde haar voor niet meer dan gissing houden."

»Om 't even: wat dacht hij er van?"

»Hij dacht, dat deze strepen gestolde lavastroomen moesten zijn, die het zonlicht weerkaatsen als het er recht op valt. 't Kan zijn dat het zoo is, maar zeker is het niet. Overigens zullen wij de oorzaak van die weerkaatsing der zon beter kunnen nagaan wanneer wij den Thycho weer naderen."

»Weet gij, mijn vrienden, waar die vlakte op gelijkt, van de hoogte waarop wij ons bevinden?" vroeg Michel.

»Neen," antwoordde Nicholl.

»Op een knibbelspelletje; er ontbreekt niets aan dan een haakje om de stukken een voor een te halen."

»Geen spotternij!" gelastte Barbicane.

»Nu dan," hernam Michel Ardan, »een beenderenveld, waar de overblijfselen verstrooid liggen van ontelbare verdwenen geslachten. Vindt gij die vergelijking treffender?"

»De een is al niet beter dan de andere," meende Barbicane.

»Verduiveld, gij zijt een lastig heer!" antwoordde Michel Ardan.

»Mijn waarde vriend," sprak Barbicane ernstig, »het is de vraag nog niet waar het op gelijkt, zoolang wij nog niet weten wat het is."

»Mooi geantwoord!" riep Michel Ardan uit. »Zoo leert men hoe met geleerden te spreken."

Inmiddels zweefde het projectiel met een bijkans eenparige snelheid boven de maanschijf. 't Spreekt van zelf, dat de reizigers er geen oogenblik aan dachten rust te nemen. Elke minuut hadden zij een ander gezicht. Tegen half twee in den morgen zagen zij de toppen van een anderen berg. Barbicane raadpleegde zijn kaart, waaruit hem bleek, dat het de Eratosthenes was.

't Was een ringberg van 4500 meter hoogte, een van die ringgebergten welke op de Maan zoo talrijk zijn. En bij deze gelegenheid verhaalde Barbicane aan zijn vrienden de zonderlinge meening van Keppler aangaande den oorsprong dier ringgebergten. Volgens dezen beroemden sterrenkundige zijn zij door de handen van maanbewoners gegraven.

»Met welk doel?" vroeg Nicholl.

»Zeer natuurlijk," antwoordde Barbicane. »De maanbewoners hebben die verbazende werken ondernomen en die reusachtige uitgravingen gedaan, ten einde wijkplaatsen te hebben tegen de stralen der zon, die veertien dagen achtereen op hen vallen."

»De maanbewoners zijn nog zoo dom niet," meende Michel Ardan.

»'t Is een zonderling denkbeeld," vond Nicholl. »Maar waarschijnlijk kende Keppler de ware afmetingen dier ringgebergten niet, want het zou een werk van onmetelijken omvang geweest zijn, te zwaar voor de maanbewoners."

»Waarom, indien de zwaarte op de Maan zesmaal geringer is dan op de Aarde?" vroeg Michel Ardan.

»Maar indien de maanbewoners nu ook zesmaal kleiner zijn?" vroeg Nicholl.

»En indien er eens in 't geheel geen maanbewoners zijn," voegde Barbicane er bij.

En dat woord maakte aan de geheele woordenwisseling een einde.

Weldra verdween de Eratosthenes onder den gezichteinder zonder dat het projectiel er nabij genoeg was gekomen voor een nauwkeurige waarneming. Deze berg scheidt de Karpathen van de Apennijnen, de belangrijkste bergketen der Maan, loopende ten oosten van de Regenzee. De hoogste spits verheft zich 5500 meter boven de gemiddelde vlakte.

Vraagt iemand hoe men de hoogte der maanbergen kan meten, dan is het antwoord, dat daarvoor zelfs meer dan éen methode is. De lengte der schaduw, die een aan de zon blootgesteld voorwerp achter zich werpt, hangt af van de hoogte der zon. Op den middag is de schaduw het kortst, als de zon nabij de kimmen is het langst. Daar men nu juist de hoogte der zon voor ieder punt der gedeeltelijk verlichte Maan weet, kan men, de lengte van den zwarten schaduwkegel metende, daaruit de hoogte van een berg afleiden. Ook kan men het oogenblik waarnemen, waarop de zon den top van een nog in het donkere liggenden berg begint te verlichten. Men meet den afstand van dat punt tot den verlichtingsrand en leidt daaruit, dewijl men wederom de hoogte der zon door berekening weet, de hoogte van dien bergtop af.

Deze metingen en berekeningen hebben een zoo groote juistheid, dat de hoogte van een menigte maanbergen met veel grooter nauwkeurigheid bekend is dan die van de vele bergtoppen op onze Aarde zelve.

De reizigers konden de toppen van het Apennijnsche gebergte slechts even waarnemen; het strekt zich uit van 10° W. L. tot 15° O. L. Beter zagen zij het Karpathische gebergte, dat zich van 18° tot 30° O. L. uitstrekt.

Eén onderstelling kwam hun zeer aannemelijk voor. Het geheele voorkomen van het Karpathische gebergte gaf den indruk alsof het vroeger verbazend groote ringgebergten bevatte, vaneengescheurd door een uitgestrekte overstorting, door welke de Regenzee ontstaan is. Dat Karpathische gebergte zou dan zijn hetgeen de ringgebergten Purbach, Arzachel en Ptolemeüs wezen zouden, indien een overstrooming hunne wallen aan de linkerzijde deed instorten, zoodat zij één doorloopende keten werden. De toppen zijn gemiddeld 3200 meter hoog--ongeveer zooals de Pyreneën. De zuidelijke hellingen dalen snel af naar de uitgestrekte Regenzee.

Tegen 2 uur in den morgen bevond Barbicane zich boven de 20°, niet ver van een berg, die Pythias heet en 1559 meter hoog is. Het projectiel was op dat oogenblik slechts 1200 kilometer van de Maan verwijderd.

De Buienzee (_mare imbrium_) breidde zich onder de oogen der reizigers uit als een onmetelijke vlakte, van welke men de bijzonderheden niet kon waarnemen. In de nabijheid, links, verhief zich de berg Lambert, wiens hoogte geschat wordt op 1813 meter; terwijl verder naar de grenzen de Stormenzee, op 23° N. B. en 29° O. L. de berg Euler schitterde. Deze berg slechts 1815 meter boven de oppervlakte der Maan uitstekende, is het onderwerp geweest van zeer nauwkeurige waarnemingen, door den Duitschen sterrenkundige Schröter te Liliënthal gedaan. Deze geleerde legde zich bij het zoeken naar den oorsprong der maanbergen de vraag voor, of de stoffelijke inhoud van een ringberg altijd gelijk stond met dien van den krater. Hij bevond, dat dit in het algemeen het geval was, en besloot er uit, dat éen enkele uitbarsting van vulkanische stoffen genoegzaam is geweest om de wallen te doen ontstaan, terwijl meerdere uitbarstingen de verhouding zouden hebben gewijzigd. Doch de Euler maakte op dien algemeenen regel een uitzondering; Schröter moest aannemen, dat onderscheidene uitbarstingen moeten hebben plaats gehad, daar de krater tweemaal zooveel stoffelijken inhoud heeft als de wallen.

Al die onderstellingen mag men vergeven aan waarnemers, die de Maan van de Aarde bespieden.

Maar Barbicane wilde er zich niet mede tevreden stellen, en daar hij bespeurde, dat het projectiel met eenparige snelheid de maanschijf naderde, wanhoopte hij niet haar grond te betreden, voor 't minst haar zoo nabij te komen, dat hij de geheimen van de vorming der Maan zou kunnen onthullen.

ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

RAADSELACHTIGE VOORWERPEN.

Te half drie uur in den morgen stond het projectiel boven 30° en op een afstand van 1000 kilometer van de Maan. Het bleef onmogelijk schijnen, dat de reizigers een of ander punt der maanoppervlakte zouden bereiken. De snelheid, betrekkelijk matig, was juist daardoor den voorzitter Barbicane onbegrijpelijk. Op dien kleinen afstand toch moest zij zeer groot zijn, om op te wegen tegen de aantrekkingskracht der maan. Doch zij konden zich daarmede niet ophouden; de Maan gaf hun genoeg te zien.

De geleerden zijn het niet eens over de oorzaak van het verschijnsel, dat de opgaven der kleuren van onderscheiden gedeelten der maanoppervlakte niet eenstemmig zijn. Schmidt, daarin gevolgd door Beer en Mädler, meende te mogen vaststellen, dat donkergrijs, hier en daar vermengd met groen en bruin, de voorname kleur is van die vlakten, aan welke men vroeger den naam van zeeën gaf. Barbicane vestigde ook op dit onderwerp zijn aandacht; het bleek hem, dat de genoemde sterrenkundigen gelijk hebben tegenover anderen, die alleen de grijze kleur op de Maan meenen gezien te hebben. Zelfs zag hij het groen als hoofdkleur in de Helderheids- en in de Vochtigheidszee. Ook vertoonde zich voor het oog van Barbicane de blauwe kleur aan kraters niet, die zooals vele andere ringbergen, nog een berg in den binnenkrater hebben. Hieruit bleek dus, dat deze blauwachtige staalkleur niet, zooals sommige sterrenkundigen beweren, voortkomt uit de glazen der verrekijkers of de gesteldheid van onzen dampkring. Barbicane toch zag de Maan door de ledige ruimte heen en met het bloote oog.

Of echter de onmiskenbaar bestaande kleurschakeeringen uit plantengroei ontstonden, daaromtrent durfde hij vooralsnog niets zekers zeggen. Even onzeker bleef hem het roodachtige, zeer duidelijk door hem gezien op een vlakte, naar Lichtenberg genoemd, nabij de Hercynische bergen, die zich aan den rand der Maan bevinden.

Niet gelukkiger was hij ten aanzien van een andere bijzonderheid. Michel Ardan zag lange witte strepen, helder verlicht door de zon. 't Was een reeks voren, zeer verschillende van de stralen, die men vroeger van den Copernicus zag uitgaan. Zij liepen evenwijdig naast elkander.

Michel Ardan meende er met zijn gewone levendigheid terstond beploegde akkers in te herkennen; hij was van oordeel, dat de maanbewoners wel zeer reusachtige ossen moeten hebben om zulke voren te ploegen.