De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren
Chapter 12
Zoo duurde het omtrent een uur. De reizigers voelden, dat zij weder langzamerhand naar beneden werden getrokken, en Barbicane meende optemerken, dat de punt van het projectiel niet meer juist naar de Maan gericht was. De aantrekking der Maan had dus overwicht boven die der Aarde. Het vallen naar de Maan nam een aanvang, schoon nog onmerkbaar; het kon trouwens slechts 1/3 millimeter in de eerste seconde zijn. Maar naarmate hun afstand van de Maan verminderde, moest de snelheid van den val toenemen. Zooveel wisten zij nu: het doel was bereikt, stond ten minste bereikt te worden. Nicholl en Michel Ardan deelden hierover in Barbicane's vreugde.
Michel Ardan vierde terstond weder den vrijen teugel aan zijn verbeelding en schetste met hooge ingenomenheid het aangename, gemakkelijke en onkostbare van den toestand der aardbewoners, indien zij niet of ten minste slechts uiterst weinig onderworpen waren aan de wet der algemeene zwaarte.
Barbicane oordeelde deze spelingen van het vernuft ernstiger wederlegging waardig, dan zij verdienden. Hij deed zijn vriend opmerken dat dan ook niets vast zou staan, dat de wateren van den oceaan door niets zouden gebreideld wezen en de lucht zelve in de hemelruimte zou vervliegen.
»Maar gij zult in zoover uw zin hebben," voegde hij er bij, »dat als wij de Maan bereiken, gij op een wereldbol zult zijn, waar de zwaarte veel geringer is dan op de aarde--slechts 1/6."
»En zullen wij dat bemerken?"
»Zeer zeker, daar 200 kilo slechts 30 kilo op de Maan wegen.
»En zal onze spierkracht ook zooveel geringer zijn?"
»In geenen deele. In plaats van een meter hoog te springen, zult gij het 18 voet doen."
»En als alles dan naar evenredigheid is," sprak Nicholl, »moeten de maanbewoners toch maar een voet lang zijn."
»Dus wij Gullivers en zij Lilliputters!"
»Als gij zoo redeneert," merkte Barbicane aan, »zouden wij op de groote planeten, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus, daarentegen Lilliputtertjes wezen."
»En op de Zon?"
»Indien men als waarheid mag aannemen hetgeen uit alle waarnemingen en berekeningen volgt, dat de dichtheid der zon viermalen geringer is dan die der aarde, is haar stofhoeveelheid 259,551 maal meer dan die der laatste en de aantrekking 27 maal grooter. Als dus alle evenredigheden zouden gelden, moeten de zonbewoners een paar honderd voet lang zijn."
»Dan zou men een goed artillerie-park moeten hebben om zich tegen die kerels te verdedigen," meende Nicholl.
Barbicane deed hem opmerken, dat onze kogels niet veel op de zon zouden uitrichten, daar zij eenige meters ver reeds op den grond zouden vallen. »De aantrekking," merkte hij op, »is er zoo aanzienlijk, dat een voorwerp, op de aarde 70 kilo wegende, 1890 kilo op de zon zou halen. Uw hoed 10 kilo; kortom, als gij er kwaamt te vallen, zoudt gij niet kunnen opstaan, dewijl gij er ruim 2000 kilo wegen zoudt."
»Voor 't oogenblik," voegde Michel Ardan er bij, »zullen we ons maar bij de Maan bepalen; daar zijn wij heele heeren, terwijl wij later de zon eens kunnen bezoeken, waar wij een kaapstander noodig zullen hebben om ons glas naar den mond te brengen."
VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN WEINIG UIT HET SPOOR.
Barbicane was volkomen gerust, zoo al niet over den uitslag der onderneming, dan toch over de vaart van het projectiel. Het was klaarblijkelijk het beschreven nulpunt voorbijgevlogen. Derhalve zou het op dat punt niet onbeweeglijk blijven hangen. Er bleef slechts één der geopperde gevallen als mogelijk over, dat het projectiel zijn doel bereikte door de werking van de aantrekkingskracht der Maan.
Dat zou een val zijn van 8296 mijlen, op een hemellichaam, dat wel is waar slechts 1/6 der aantrekkingskracht van de Aarde had; maar toch een geweldige val, tegen welken onverwijld alle mogelijke maatregelen moesten genomen worden.
Deze maatregelen waren tweeërlei: een om den schok te voorkomen op het oogenblik dat het projectiel de oppervlakte der Maan zou bereiken, de andere om dat nederkomen te vertragen, met andere woorden den val te breken.
Voor het eerste was het jammer, dat Barbicane niet meer in het bezit was der hulpmiddelen, welke bij het afschieten zoo uitmuntend hadden gewerkt, namelijk het water en de breekbare vakjes. Die vakjes bestonden nog wel onder hun bodem, maar hun ontbrak water om ze te vullen, ten minste hij durfde er den watervoorraad niet voor aanspreken, daar het niet zeker was of zij op de Maan, waar zij nederkwamen, wel water zouden aantreffen. Ook zou hun watervoorraad op verre na niet toereikend zijn geweest. De waterlaag, op welke de bodemschijf gelegen had, was 3 voet dik op 54 vierkante voeten. Het was dus een watermassa geweest van 6 kubiek meter, wegende 5750 kilo. En hunne waterbakken bezaten daarvan nog geen vijfde. Dit hulpmiddel verviel dus.
Gelukkig had Barbicane, niet tevreden met het water, de bodemschijf ook voorzien van sterke krulveeren ten einde den schok te breken, zooals wij reeds verhaald hebben. Deze veeren waren er nog altijd; zij moesten dus alleen op haar plaats worden gestoken, en dit ging gemakkelijk, want behalve dat zij zeer handelbaar waren, was hun gewicht nauwelijks merkbaar.
Dit gelukte uitnemend. Het was een zaak van schroeven en moeren. Aan gereedschap geen gebrek. Weldra lag de bodemschijf weder op haar stalen veeren, zooals een tafel op haar pooten staat. Het eenig onaangename voor de reizigers was, dat zij nu niet meer door het glas in den bodem konden zien, bijgevolg de Maan niet waarnemen, ingeval zij er loodrecht op nedervielen. Maar dat was niet anders. Door de zijglazen kon men de uitgestrekte maanlanden even zoo bezien als een luchtreiziger uit zijn schuitje die der Aarde.
Een uur hadden zij werk om de bovenschijf aldus in orde te maken en 't was middag eer zij daarmeê gereed waren. Barbicane deed nieuwe waarnemingen om de helling van het projectiel te weten, maar het had zich nog niet genoeg omgewend voor een val--het scheen een kromme lijn te beschrijven, die evenwijdig met de maanoppervlakte liep.
Deze stand was verontrustend.
»Zullen wij er komen?" vroeg Nicholl.
»Wij zullen doen alsof wij er moesten komen," was Barbicane's antwoord.
»Gij zijt onruststokers," viel Michel Ardan in; »wij zullen er komen en wel spoediger dan ons lief is."
Deze uitval deed Barbicane besluiten, alles nog eens goed na te zien.
De lezer zal zich herinneren, dat kapitein Nicholl, toen hij zich in de volksvergadering bij Tampa-Town zoo vinnig tegenover Barbicane uitliet, beweerd had dat het projectiel als glas zou springen, waarop Michel Ardan antwoordde dat men door middel van goed geplaatste vuurpijlen de kracht van den val zou breken. Deze bewering was gegrond op de overtuiging, dat afgeschoten vuurpijlen, een terugwerking op het punt vanwaar zij komen uitoefenende, de kracht der beweging naar dat punt in dezelfde richting noodwendig moeten breken. 't Is waar, die vuurpijlen moesten in het luchtledige afgaan, maar het ontbrak hun niet aan zuurstof, waarvan zij zichzelven voorzagen. Zoo branden ook de vulkanen op de Maan, hoewel er geen dampkring is.
Barbicane had zich voorzien van vuurpijlen, die in kleine stalen kanonstukjes konden worden gestoken; deze stukjes konden in den bodem van het projectiel zoo worden vastgeschroefd, dat zij van binnen met den bodem gelijk kwamen, maar er van buiten een halve voet uit staken. Hij had er twintig. Zij konden zoo worden aangestoken, dat de gansche kracht naar buiten werkte. Met het in orde brengen van die toestellen verliep een uur of drie.
Intusschen naderde het projectiel de Maan al meer en meer. Het ondervond haar invloed blijkbaar in hooge mate maar zijn eigene snelheid dreef het ook in kromme lijn. Uit dien dubbelen invloed ontstond een lijn, die wellicht een tangens zou worden. Maar het was zeker, dat het projectiel niet anders dan in een schuinsche richting op de Maan zou vallen; anders toch moest de bodem van het projectiel naar dat hemellichaam gekeerd zijn.
Barbicane's ongerustheid verdubbelde, toen hij bemerkte, dat hun verblijf niet onbepaald gehoorzaamde aan de aantrekking der Maan. Wat er op werkte wist hij niet. Hij, de wetenschappelijke man, meende het laatste woord gesproken te hebben met zijn drie alleen mogelijke gevallen; terugvallen op de Aarde, terecht komen op de Maan, blijven hangen op het nulpunt. Nu deed zich een vierde geval voor: een wachter te worden van de Maan.
Andere lieden zouden in dit geval gevraagd hebben; wat zal er met ons gebeuren? Zij niet: zij vroegen naar de oorzaak van het gebeurde.
»Wij zijn dus gederailleerd, zei Michel Ardan. »Maar hoe komt dat?"
»Ik vrees," antwoordde Nicholl, »dat de Columbiad, in spijt van al de genomen voorzorgen niet juist genoeg gepointeerd was. Een vergissing, al is zij nog zoo klein, moest voldoende zijn om ons buiten de aantrekking der Maan te brengen."
»Zou men dan het stuk niet goed gericht hebben?" vroeg Michel Ardan.
»Ik denk niet," oordeelde Barbicane. »Het stuk stond volmaakt overeind. Toen dus de maan in het toppunt van Stone's Hill kwam, moesten wij haar bereiken. Er moet een andere oorzaak in het spel zijn, maar ik weet ze niet te vinden."
»Zouden wij niet te laat komen?" vroeg Nicholl.
»Te laat?" was Barbicane's wedervraag.
»Ja," antwoordde Nicholl. »Het rapport van de sterrenwacht te Cambridge zegt dat het projectiel juist 97 uren 13 minuten 20 seconden moet onderweg zijn. Dat wil zeggen: komt het vroeger aan de maanbaan, dan is de maan er nog niet; komt het later, dan is zij dat punt reeds voorbij."
»Juist," vond Barbicane. »Maar wij zijn vertrokken den 1sten December 's avonds te 10 ure 46 minuten 44 seconden, en moeten dus den 5den te middernacht ter plaatse van onze bestemming komen juist op het oogenblik van Volle maan. Wij hebben nu den 5den December. Het is halfvier in den namiddag en wij hebben nog acht en een half uur om ons aan het einde van den tocht te brengen. Waarom zouden wij de Maan dan niet bereiken?"
»Zou het niet door overmaat van snelheid komen?" vroeg Nicholl, daarbij opmerkende, dat naar hun reeds gebleken was de aanvankelijke snelheid grooter scheen geweest te zijn dan berekend was.
»Neen! duizendmaal neen!" antwoordde Barbicane. »Indien de richting van het projectiel maar goed was, zou overmaat van snelheid ons niet verhinderd hebben op de Maan te komen. Neen! wij zijn van den weg af geraakt!"
»Waardoor?"
»Ik weet het niet."
Michel Ardan meende er ook zijn gevoelen over te mogen zeggen. »Wij zijn van den weg af--dat is de zaak. Waarheen wij gaan raakt mij niet. Dat zullen wij wel zien. Wij zwemmen in de hemelruimte en zullen ten laatste wel onder de macht van het een of ander middelpunt van aanraking komen."
Barbicane had volstrekt geen vrede met zooveel onverschilligheid aangaande het punt, dat hem boven alles ter harte ging. 't Kostte wat het wilde, hij moest en zou weten waardoor zijn projectiel een verkeerde richting had genomen.
Het gevaarte ging intusschen voort, zijwaarts van de Maan af te wijken, en daarmede ook de uitgeworpen voorwerpen. Barbicane kon zelfs aan kenbare punten op de Maan, daartoe nabij genoeg, bemerken dat hunne snelheid dezelfde bleef--een nieuw blijk, dat hun richting geen vallen naar de Maan was. De hun bij het afschieten medegedeelde snelheid had nog het overwicht over de aantrekking der Maan; maar de baan van het projectiel bracht hen ongetwijfeld nader bij de maanschijf, en zij mochten hopen, dat indien de afstand die hen van haar scheidde, nog meer afnam, de aantrekkingskracht der Maan het overwicht zou verkrijgen en hun vallen op haar oppervlakte veroorzaken.
Daar de drie vrienden niets anders te doen hadden, zetten zij hunne waarnemingen voort. Doch van de voorwerpen op de maansoppervlakte konden zij nog weinig gewaar worden, daar de zon er te steil op scheen.
Tot acht uur in den avond keken zij door de zijglazen. De Maan scheen hun toen zoo groot, dat zij de eene helft van het uitspansel bedekte. Het projectiel baadde zich in een zee van licht--aan de eene zijde de zon, aan de andere de maan. Barbicane achtte den afstand tusschen hen en de oppervlakte der Maan op omtrent 3000 meter, hun snelheid op 200 meter in de seconde. De bodem van het projectiel werd door de zwaartekracht der Maan naar hare oppervlakte getrokken, maar de middelpuntvliedende kracht werkte op een wijze, die scheen te voorspellen, dat het een kromme lijn,--welke was nog niet te zeggen--om de Maan zou beschrijven.
Barbicane zocht nog altijd naar de oplossing van het gewichtig vraagstuk.
Het eene uur verliep na het andere, maar zonder iets op te leveren. Het projectiel naderde blijkbaar de Maan, maar het was even blijkbaar, dat het haar niet zou bereiken.
»Ik begeer naar één ding," zeide Michel Ardan, »dat wij dicht genoeg bij de Maan komen om haar geheimenissen te doorgronden!"
»Die vervloekte mispas, die ons deed afwijken!" riep Nicholl uit.
»Zeg liever," vulde Barbicane aan, »die vervloekte vuurkogel dien wij tegenkwamen. Die is de eenige oorzaak. Wij zijn er wel een heel eind vandaan gebleven, maar zijn aantrekking heeft ons van het rechte spoor doen wijken, al was zij nog zoo klein!"
VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ NEMEN DE MAAN WAAR.
Barbicane had blijkbaar de eenige aanneemlijke reden van de afwijking gevonden. Hoe klein ook, had zij toch de baan van het projectiel gewijzigd. Het was erg. Het stoute waagstuk mislukte door een toevallige omstandigheid, en als er niets bijzonders gebeurde, behoefde men op geen bereiken der Maan te hopen. Zou men haar dicht genoeg naderen om eenige tot nog toe duistere vragen aangaande hare natuur te beantwoorden? Dat was de eenige vraag, die voor 't oogenblik de reizigers bezig hield. Aan hun verder lot wilden zij niet eens denken. En toch--wat moest er van hen worden, indien hun lucht zou gaan ontbreken, zooals spoedig te verwachten was? Nog eenige dagen en zij zouden wezenloos in dat projectiel door de hemelruimte zweven. Maar eenige dagen waren zoovele eeuwen voor de onversaagden, die al hun tijd wijdden aan het waarnemen dier Maan, die zij wanhoopten te bereiken.
Naar hunne schatting scheidde hen nog een kleine 1000 meter van de Maan, maar de omstandigheden brachten mede, dat zij zich verder van haar verwijderd konden rekenen dan waarnemers op de Aarde, gewapend met hunne sterke kijkers.
Men weet, dat de groote kijker van lord Rosse te Parson-Town 6500 maal vergroot en de Maan tot een schijnbaren afstand van nog geen 8 kilometer aanhaalt. Het voortreffelijk instrument op Long's Piek, dat 48,000 maal vergrootte, trok de Maan tot een afstand van slechts ruim een kilometer, zoodat men er voorwerpen van 10 meter doorsnede met voldoende duidelijkheid op zien kon.
Op dien afstand waren geene bijzonderheden met het ongewapend oog duidelijk te onderkennen. Het oog overzag de omtrekken der laagten, die men ten onrechte »zeeën" noemt, maar zonder er de natuur van te kunnen onderscheiden. De glooiïngen der bergen verdwenen in de schitterende weerkaatsing der zonnestralen. 't Was een blik als op den blinkenden spiegel van een ketel gesmolten zilver, dien het oog niet kon verdragen.
Intusschen stond de Maan nog niet volkomen vlak tegenover de zon; zij had den vorm van een reusachtig ei, met de punt naar de aarde gekeerd. De Maan, zeker vloeibaar of kneedbaar in den eersten tijd van haar ontstaan, moest destijds een volkomen kogel geweest zijn; maar daar zij weldra onder den invloed van de aantrekking der Aarde geraakte, werd zij daardoor langwerpig uitgerekt. Toen zij een baan om de Aarde erlangde, verloor zij haar oorspronkelijke gedaante; haar zwaartepunt verplaatste zich, en hieruit nu leiden sommige geleerden af dat lucht en water hebben moeten afvloeien naar de zijde der Maan, welke van de Aarde is afgekeerd.
Doch onze reizigers konden slechts eenige oogenblikken deze afwijking der Maan van haren kogelvorm zien. De afstand tusschen haar en het projectiel verminderde met groote snelheid; die van het projectiel was wel veel geringer dan in de eerste oogenblikken, maar toch 8 of 9 maal grooter dan die der spoortreinen. De schuinsche richting gaf aan Michel Ardan eenige hoop om tegen het een of ander punt der Maan te stooten. Het wilde er bij hem maar niet in, dat hij er geen voet zetten zou, en dit zei hij gedurig. Maar Barbicane, die den waren staat van zaken beter doorzag, hield niet op hem met onverbiddelijke juistheid te betoogen, dat hij daarop niet behoefde te rekenen, daar de middelpuntzoekende kracht hen wel naar de Maan trok, maar de middelpuntvliedende kracht hen beletten zou op de Maan neder te komen.
Het gedeelte der maansoppervlakte waarheen zich het projectiel bewoog, was het noordelijk halfrond, op de maankaarten de benedenhelft; want de kaarten zijn doorgaans vervaardigd naar de gedaante der Maan in astronomische kijkers, die gelijk men weet de voorwerpen omkeeren. Dit is ook het geval met de groote maankaart van Beer en Mädler, die door Barbicane was medegenomen. Dat noordelijk halfrond bestaat uit uitgestrekte vlakten, hier en daar met afzonderlijk staande bergen.
Te middernacht was het volle Maan. Juist op dat oogenblik hadden de reizigers moeten aanlanden, indien de vermaledijde vuurkogel hen niet van de goede richting had afgetrokken. De Maan beantwoordde dus volkomen aan de berekeningen der sterrenwacht te Cambridge. Zij bevond zich juist in haar perigeüm en in het toppunt van 28° noorderbreedte. Indien een waarnemer op den bodem der Columbiad op dat oogenblik opwaarts keek, zou hij juist boven den mond van het stuk de volle maanschijf hebben zien staan.
Het is overbodig te zeggen, dat in dien nacht van 5 op 6 December geen van de drie een oog sloot. Al hun gedachten vereenigden zich in die ééne: _zien!_ Zij waren immers de vertegenwoordigers der Aarde, de verleden en tegenwoordige menschheid! 't Was immers door hun oogen dat die menschheid den blik liet weiden over gindsche maanstreken. Was dat geen ontroerend denkbeeld?
Hunne waarnemingen, met het gewapend oog gedaan, werden met de kaarten vergeleken.
De eerste waarnemer der Maan was Galileï. Zijn gebrekkige kijker vergrootte slechts 30-maal. Toch was hij de eerste, die bergen zag in die vlekken, welke op de Maan gezaaid zijn »gelijk de oogen in den staart eener pauw." Zelfs mat hij van sommigen de hoogte, hij bepaalde die op ruim 1/20 van den straal der Maan, 8,800 meter. Galileï vervaardigde echter geen maankaarten.
Eenige jaren later leefde te Dantzig een sterrenkundige, met name Aevelius, die door waarnemingen, welke alleen bij het eerste en laatste kwartier nauwkeurig konden zijn, die door Galileï bepaalde hoogte tot 1/26 van den straal der Maan terug bracht. Deze geleerde gaf de eerste maankaarten. De heldere, ronde, vlekken zijn ringbergen, de donkere daarentegen uitgestrekte zeeën, in werkelijkheid eenvoudige vlakten. Aan die bergen en vermeende zeeën gaf hij namen, aan de Aarde ontleend. Hij noemde een der vlakke uitgestrektheden Arabië en een berg aldaar Sinaï; zoo ook een Etna in Sicilië, de Alpen, de Apennijnen, de Karpathen, de Middellandsche zee, het meer Moeris, de Zwarte Zee, de Kaspische zee--namen, die zeer misplaatst zijn, daar er geen de minste gelijkheid bestaat met de gelijknamige zeeën enz. op de Aarde. Het is niet iedereen gegeven, in de breede lichte vlek, welke zuidelijk aan uitgestrekte vlakten paalt en in een punt uitloopt, het Indische schiereiland, de Golf van Bengalen en Cochinchina te zien. Deze namen zijn dan ook niet in gebruik gebleven. Een ander sterrenkundige, die dieper blik geslagen had in de ijdelheid van 's menschen hart stelde een nieuw stelsel van benamingen voor, dat gretig werd aangenomen--het beloofde aan velen een plaats op de maankaart.
Die sterrenkundige was pater Riccioli, een tijdgenoot van Hevelius. Hij vervaardigde een maankaart, grof en vol fouten. Maar hij gaf aan de maanbergen de namen van groote mannen uit de oudheid en van geleerden uit zijn tijd. Dit is sedert in gebruik gebleven.
Een derde maankaart werd in de zeventiende eeuw vervaardigd door Dominico Cassini; zij is beter uitgevoerd dan die van Riccioli, maar onnauwkeurig in de verhoudingen.
Lahire, vermaard als wiskundige en als teekenaar, teekende een maankaart, die echter nooit in plaat is gebracht.
Na hem begon in de vorige eeuw Tobias Mayer, een Duitsch sterrenkundige, een zeer fraaie maankaart uit te geven: maar deze met veel zorg en na strenge metingen uitgevoerde arbeid is wegens zijn dood onvoltooid gebleven.
Na hem kwamen Schröter en Liliënthal, met talrijke afbeeldingen van gedeelten der Maan, en Lohrmonn, te Dresden, die een maankaart in 25 gedeelten is begonnen te geven, doch van welke slechts 4 in plaat zijn gebracht.
In 1830 verscheen de beroemde maankaart van Beer en Mädler, vervaardigd in orthographische projectie. Zij geeft een zeer nauwkeurige voorstelling van de naar ons toegekeerde zijde der Maan; bergen en vlakten zijn echter slechts nabij het middelpunt juist daar meer naar de randen de voorwerpen zijn afgebeeld gelijk men ze ziet, derhalve in schuinsche richting. Deze maankaart, 85 centimeter hoog en in 4 gedeelten uitgegeven, is een meesterstuk van afbeeldingen der Maan.
Voorts heeft men ook nog de opgewekte maanafbeeldingen van Julius Schmidt, de platen van Secchi, de prachtige Engelsche van Warren de la Rue, en eindelijk een in orthographische projectie van Lecouturier en Chapuis, 1860, keurig net van teekening en uitvoering.
Deze zijn de voornaamste maankaarten. Barbicane bezat er twee; die van Beer en Mädler, en die van Lecouturier en Chapuis. Zij moesten dienen om hem bij zijn waarnemingen behulpzaam te zijn.
Zijn kijkers waren uitmuntend en bepaald voor deze reis vervaardigd. Zij vergrootten de voorwerpen 100 maal.
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
VOORTZETTING DER REIS.
»Hebt gij ooit de Maan gezien?" vroeg eens een leermeester schertsend aan een zijner leerlingen.
De gevatte leerling antwoordde, »neen mijnheer, maar ik heb wel eens van haar hooren spreken."
In zekeren zin zou het snedig antwoord van dien leerling door de meeste aardbewoners kunnen gegeven worden. Terwijl op de Aarde en op de planeet Mars de groote vastelanden op het noordelijk halfrond liggen, is dit bij de maan op het zuidelijke 't geval. Die vaste landen zijn niet zoo scherp en regelmatig begrensd als met Zuid-Amerika, Afrika en het Indisch schiereiland het geval is. De hoekige, bochtige, grillige lijnen vertoonen tal van schiereilanden, kapen, golven en baaien, zooals de Oostzee vertoont. Indien op de maan ook scheepvaart heeft plaats gehad, moest zij zeer moeielijk en gevaarlijk zijn en de varenslieden en aardrijkskundigen op dat hemellichaam waren zeer te beklagen: de eersten indien zij op zulke gevaarlijke kusten verzeilden, de laatsten indien zij ze moesten afteekenen of beschrijven.
Op de maanschijf is het naar de zuidpool veel vlakker dan naar de noordpool. Op de noordelijke helft der Maan vindt men slechts een kleine strook lands, en de overige vastelanden gescheiden door uitgestrekte zeeën [7]. Naar het zuiden bestaat bijna het geheele halfrond in vast land. Het is dus mogelijk, dat de maanbewoners hunne vlag reeds hebben geplant op een hunner polen, terwijl op den aardbol een Ross, een Franklin, een Kane, een Dumon d'Urville en een Lambert dat punt nog niet hebben kunnen bereiken.
Eilanden vindt men op de oppervlakte der Maan in menigte. Bijna allen zijn langwerpig of geheel rond; zij vormen een uitgestrekte groep, die doet denken aan den archipel tusschen Griekenland en Klein-Azië, het tooneel der meeste verhalen uit de Grieksch-Romeinsche mythologie. Onwillekeurig plaatst men zich de namen Taxos, Tenedos, Milo, Karpathos voor den geest en zoekt met het oog het schip Argo der belegeraars van Troje of het vaartuig waarin Ulysses zijn tochten aanving.