De ramp van Valparaiso De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Gisteren heb ik den jongen Potin ontmoet; hij is in een ander kamp dan het onze. Hij vertelde mij, dat twee van hunne schildwachten 's nachts op hunne ronde een paar mannen zagen, die het kamp verlieten met drie pakken goed, die ze hadden gestolen. Daar ze ruzie kregen over de verdeeling, trokken ze hun mes en begonnen te vechten. De schildwachten kwamen juist bij tijds en doodden hen zonder verderen vorm van proces door geweerschoten. Om den banketbakker van wien ik je vertelde, hebben we van nacht veel plezier gehad. Daar hij even uit de tent moest, en zeker doodsbang was voor een geweerschot, riep hij zonder ophouden, terwijl hij door het kamp liep: "Wees maar niet bang! Goed vriend! 't Is Treny!" Dat werd natuurlijk eene geliefkoosde plagerij en nu komen we elkaar nergens tegen, en gaan nergens binnen zonder te zeggen: "Wees maar niet bang", enz. Na de treurigheid van de eerste dagen zijn wij, hoewel we allen wel het een of ander door deze ramp hebben verloren, al spoedig weer vroolijk geworden. Er is ook een reiziger in ons gezelschap voor eene zaak in cognac; dat is een vroolijke snaak, en daar wij in zijn koffer een boek hebben gevonden met liedjes van Aristide Bruant, hebben we die op een goeden morgen gezongen.
Ik ben weer naar het telegraafkantoor geweest; na veel gepraat en lang bidden heeft de beambte, die mijn telegram nog niet wilde aannemen, en beweerde, dat hij nog wel honderd moest verzenden, die te laat waren, zich eindelijk over mij ontfermd, en ik zend u enkel dat ééne woord: _gered_. Ik heb mijn naam, Henri, er bij gezet, zoodat gij niet behoeft te twijfelen, dat ik het zelf heb verzonden. Dat telegram kost mij 20 piasters, ruim 15 gulden; maar het geeft mij een gevoel van verlichting, te denken, dat gij nu weldra zult weten hoe het mij gaat; hoewel de ramp verschrikkelijk is geweest, veel erger, zegt men, dan te San Francisco, vermoed ik toch, dat de eerste berichten wel zeer overdreven zullen zijn geweest.
De officieele cijfers zijn als volgt. De oppervlakte van Valparaiso, zonder de cerros mede te rekenen, waarop de lagere volksklasse woont, beslaat 190 H.A. Het gedeelte, dat geheel door aardbeving en brand is verwoest, beslaat 60 H.A., dat is dus 32 percent van de geheele oppervlakte. Het gedeelte dat iets minder heeft geleden, maar waarvan de gebouwen niet meer hersteld zullen kunnen worden en moeten worden afgebroken, beslaat 51 H.A. d.i. 26 percent van de oppervlakte. Eindelijk beslaat het gedeelte, dat het minst heeft geleden; maar waarvan de gebouwen zullen moeten worden hersteld 80 H.A.; dus 42 percent van het geheel. Wat de cerros betreft, die eene oppervlakte van 450 H.A. beslaan, deze hebben ook veel geleden; maar het is onmogelijk, de schade te beramen. Door geheel Chili is de aardbeving gevoeld en het geschokte terrein wordt geschat op 400.000 H.A. Eenige steden, zooals bijv. Santiago, de hoofdstad, hebben zeer weinig geleden.
_Maandag_ 20 _Augustus_. Het blijft mooi weer. Er zijn brandweerlieden uit Santiago en Talcahuano aangekomen om bij het reddingswerk behulpzaam te zijn, en zij hebben een groot deel van den weg te voet moeten afleggen. Wij gaan wat door de stad wandelen en bij elken stap voelt men zich meer gedrukt. Overal rookende puinhoopen en door de geheele stad de reuk van verbrande lijken, die weerzinwekkend is. Elk oogenblik struikelen wij bijna over lijken, die men thans onder de puinhoopen te voorschijn haalt en die reeds tot ontbinding zijn overgegaan. Door de geheele stad is het één optocht van doodkisten; gelukkig zij, die nog in eene doodkist liggen; ik zag uit het hospitaal karren vol lijken komen, op elkaar gestapeld, half naakt, die men in een kuil ging begraven.
Het juiste aantal der slachtoffers is nog niet bekend en het is onmogelijk, het te weten te komen; want er zijn nog veel onder de bouwvallen, en men weet niet wanneer ze zullen worden weggehaald. Ik geloof dat men wel nooit het juiste aantal zal kunnen noemen; want velen zijn verbrand, en anderen in alle stilte begraven. Sommigen spreken van 1500 en anderen van 3000.
Van middag hebben wij onze tent afgebroken en zijn begonnen eene grootere te bouwen. Maar het wordt donker eer wij klaar zijn, en wij brengen een onrustigen nacht door. Weer worden tamelijk hevige schokken gevoeld. Een troep dieven heeft een groot hotel in brand gestoken en nog een geheel blok huizen is afgebrand. De schuldigen zijn dadelijk gevangen genomen en gefusilleerd. Het juiste cijfer wordt niet genoemd; maar gister zeide mij een officier, dat er al meer dan 150 menschen gefusilleerd waren.
_Dinsdag_ 21 _Augustus_. Wij bouwen onze schuilplaats voor de derde maal weer op en slagen er eindelijk in, deze naar onzen zin in te richten. Wij slapen met ons twintigen in onze tent, en daarbij zijn drie huisgezinnen. Allen slapen op matrassen op den grond, en zonder zich te ontkleeden natuurlijk. Wij kunnen het allen goed met elkander vinden en beginnen reeds aan dit leven te gewennen. We verbeelden ons maar dat we buiten zijn, op een uitstapje. We hebben gisteren gehoord, dat eene boot naar Europa vertrekt en ik heb je op mijne knie met potlood een briefje geschreven. Dat heb ik aan een vriend gegeven om het op de boot te brengen; ik weet niet of je 't zult ontvangen. Wij hooren nu, dat de Engelsche stoomboot Orissa den 27en zal vertrekken en met die boot geef ik weer een met potlood geschreven briefje mee. Want binnenshuis te gaan schrijven is niet veilig.
Wij beginnen weer berichten te ontvangen uit de buitenwereld en de Mercurio, het voornaamste blad van Chili, verschijnt op kleine blaadjes papier, het formaat van een prospectus, en wordt gratis verspreid.
_Woensdag_ 22 _Augustus_. De schokken houden aan. De consul heeft 700 kilogram levensmiddelen onder ons laten uitdeelen. De overheidspersonen komen in den namiddag samen en bespreken allerlei plannen voor de wederopbouwing van een Valparaiso der toekomst. De _roto's_ (lieden uit de Chilische volksklasse) worden geprest, als zij zich op straat vertoonen om te helpen bij het wegruimen. Er worden barakken opgericht in de wandelparken en pleinen om eene schuilplaats te verleenen aan de 60.000 dakloozen. Maatregelen worden genomen om de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen; daar zij nuttelooze kostgangers zijn en het eerst zouden bezwijken, indien eene besmettelijke ziekte uitbrak. De spoorweglijn is hersteld en er gaan thans treinen naar Santiago. Van alle verkeersmiddelen om buiten de stad te geraken, spoor, tram of boot, mag men kosteloos gebruik maken, en velen nemen de gelegenheid waar. De vreemde brandweerlieden vertrekken om vier uur, daar hunne diensten thans niet meer worden vereischt.
_Donderdag_ 23 _Augustus_. Om half vier van morgen is het begonnen te regenen; juist toen ik op wacht moest staan. Wij hebben er niet veel last van; want wij zijn vrij goed beschut; maar dit is niet het geval met velen, die voorloopig slechts lichte tenten hadden opgeslagen. De schokken verminderen nu in aantal en men denkt dat ze met deze verandering in het weder wel zullen ophouden.
De heer Becker en een bediende in de zaak gaan naar Santiago om geld te halen; want hier is het zeer moeilijk zich dit te verschaffen. De banken willen slechts zeer geringe bedragen uitbetalen. Zij zullen te paard naar Limache gaan, ongeveer 70 kilometer van Valparaiso; daar laten ze dan hunne paarden achter bij een vriend, en gaan met den trein verder naar Santiago.
_Vrijdag_ 24 _Augustus_. Het regent hard, maar de schokken houden nog niet op. De brand is nu bijna gebluscht; maar de puinhoopen smeulen nog.
Men past nu eene nieuwe straf toe bij lichte misdrijven, die in de stad worden gepleegd, en waarvoor de doodstraf te streng zou zijn, n.l. de geeseling.
Lieden, die zich met geweld tegen een politieagent hebben verzet, zijn veroordeeld vandaag en morgen telkens 150 stokslagen te ontvangen. Midden op de straat worden zij half ontkleed; moeten languit in de modder gaan liggen en een soldaat dient hun met grooten ijver het voorgeschreven aantal stokslagen toe, die een officier telt onder de jammerkreten van het bloedende slachtoffer.
_Zaterdag_ 25 _Augustus_. De regen heeft opgehouden; maar de schokken, hoewel nu minder hevig dan vroeger, houden nog aan.
De heer Becker is uit Santiago terug en heeft met den trein tot Valparaiso kunnen reizen. Daar hij op de heenreis een val van zijn paard heeft gedaan, vraagt hij mij, of ik de paarden uit Limache wil terughalen. Wij vertrekken 's avonds nog met den trein, een bediende in de zaak, een vriend van ons, en ik, en in Limache aangekomen, worden we door een kennis ten eten gevraagd. Zijn huis is verwoest en hij woont in een vrachtwagen. Daarna gaan we naar het hotel, dat is ingestort en krijgen één bed voor ons tweeën, onder eene tent. 't Is de eerste maal sedert 16 Augustus, dat ik mij uitkleed en mijne kousen uittrek, en al is het bed niet om op te roemen, ik vind het heerlijk eens weer tusschen de lakens te kruipen; ze zijn wel niet bijster schoon; maar lakens zijn het dan toch.
De paarden zijn bij die van een regiment lansiers gevoegd, en daar wij ze niet kennen, is het moeilijk voor ons, ze te vinden. Wij zoeken den man op, die ze erheen gebracht heeft, en hij wijst ons op het eerste gezicht drie aan, die hij zegt, dat de onze zijn. Na ontbeten te hebben, gaan wij om twee uur op weg, en daar wij eene groote hacienda moeten doortrekken, komt de eigenaar een eind met ons mede en wijst ons den weg. Bij het afscheidnemen brengt hij ons beleefd onder het oog, dat het paard waarop ik rijd, zijn eigendom is, en weet dit te bewijzen. Hij wil volstrekt niet, dat wij onze reis daarom zullen afbreken, en laat ons, hoewel onbekend, met zijn paard vertrekken, terwijl hij ons alleen verzoekt, het in Valparaiso bij iemand te brengen, wiens adres hij ons opgeeft. De paarden in Chili zijn zeer goed, maar niet gewend aan den draf; zij kennen alleen den pas en den galop.
Wij hebben 70 kilometers af te leggen, grootendeels door bergen en langs wegen, waarop men zich te voet niet zou durven wagen. Wij zijn gewapend, ieder met een revolver in den gordel, en ik heb ook nog een groot jachtmes. Die voorzorgen zijn niet overbodig; want wij zijn midden in de pampa en men weet niet wat er gebeuren kan. Wij komen toch zonder ongeval te Valparaiso aan, om 7 uur 's avonds. We hebben den weg in 5 uren afgelegd, bijna voortdurend in galop. Daar ik niet meer gewend was aan paardrijden, voelde ik mij zeer vermoeid.
Den volgenden morgen hooren wij het aangename bericht, dat van de drie paarden die we hadden meegebracht, twee ons niet toebehoorden! Toen ben ik met een jongen weer teruggegaan om de paarden te brengen en de anderen te halen; maar ik kon er slechts één vinden, en dus hebben wij het paard, dat ons niet toebehoorde, daar gelaten en ik ben met den trein teruggegaan.
Sedert een paar dagen wonen wij niet meer op den berg, maar in een huis, dat een onzer vrienden tot onze beschikking heeft gesteld, en dat heel goed bewoonbaar is, hoewel de muren hier en daar zijn gescheurd.
Wij voelen nog elken dag lichte schokken, maar deze brengen geene schade meer toe. Het gebouw van de firma Guérin is van binnen gestut; sommige gedeelten, die dreigden in te storten, zijn omvergehaald en wij gaan reeds weer aan het werk, binnenshuis. Bijna al het goed is van de planken op den grond gevallen; wij zullen dat eerst eens in orde brengen. De nieuwe stad toch zal moeten verrijzen op de puinhoopen van de oude!
Henri.
AANTEEKENING
[1] De schrijver van den brief was bij deze firma in betrekking.