De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 9
Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.
Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijke feiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om "sprookjes" te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat "de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit". Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.
Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd--hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen--is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem "Ellis Ethelmer" heeft twee boekjes gepubliceerd Baby Buds en The Human Flower (uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijn Love's Coming of Age. How We Are Born door Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ook The Wonder of Life, door Mary Tudor Pole. Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderen verklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.
De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan. The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby's Healthy Boyhood is een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie. A Talk with Boys About Themselves en A Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit dan Almost Fourteen van M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als "obsceen". Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, "obsceen voor dien geest", want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is "de bijdrage van den lezenden geest", maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een "Public School" op te geven. Geschlechtliche Belehrung der Kinder door Maria Lischnewska (herdrukt uit Mutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevat Wo kommen die Kinder her? van Hugo Salus, Eine Mutterpflicht van E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aan Der Verkehr mit meinen Kindern van Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijn Sexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.
Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver van Almost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.
Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.
De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kan en moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden [25]. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei--in den ruimsten zin als het zaad--is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.
Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.
De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheid met de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.
De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, het Elementarwerk (1770-1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche, La Réforme de l'Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.
Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boek Hygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat "verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen", en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in de post-mortem kamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.
De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras, door te zeggen: "Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam".
Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa's van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.
Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen--en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie--de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in een circulus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.
Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakt hebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.
Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (La Pubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey--Menos ("La Question du Sexe dans l'Education", Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld "Mädchenerziehung oder Menschenbildung?" (Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; "er zijn eindeloos veel aanleidingen", zegt hij "over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels." De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74 et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder "er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder"; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin ("Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?" Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).
De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslacht komt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.