De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 84

Chapter 843,747 wordsPublic domain

[291] Vooral Olive Schreiner heeft den nadruk gelegd op de verkeerdheden van het parasitisme voor vrouwen. "De toegenomen weelde van den man", merkt zij op ("The Woman's Movement of Our Day", Harper's Bazaar, Jan. 1902) "behoeft aan de vrouw, aan wie hij ze besteedt, niet meer ten goede te komen, dan de meerdere rijkdom van zijn meesteres geestelijk of lichamelijk ten goede komt aan een poedel, die nu van haar een donsen kussen kan krijgen in plaats van een veeren, en een kippetje in plaats van rundvleesch". Olive Schreiner meent, dat het vrouwelijk parasitisme een gevaar is, dat tegenwoordig werkelijk de maatschappij bedreigt, en dat, als het niet afgewend wordt "de geheele vrouwelijkheid in beschaafde maatschappijen in een toestand van meer of minder absolute afhankelijkheid moet verzinken".

[292] In Rome en Japan heeft, zooals Hobhouse opmerkt (op. cit., deel I, blz. 169, 176) het patriarchale systeem zijn volste uitbreiding bereikt, en toch hebben de wetten van deze beide landen den man in een positie geplaatst van praktische onderworpenheid aan een rijke vrouw.

[293] Herodotus, Bk. II, hoofdst. XXXV. Herodotus merkte op, dat het de vrouw was en niet de man, op wie de verantwoordelijkheid rustte van het onderhouden van oude bejaarde ouders. Dat alleen al sloot in zich een hooge economische positie van de vrouwen. Het is niet te verwonderen, dat het aan sommige waarnemers, zooals aan Diodorus Siculus toescheen, dat de Egyptische vrouw de meesteres was van haar man.

[294] Hobhouse (loc. cit.), Hale, en ook Grosse meenen, dat een goede economische positie van een volk in zich sluit een hooge positie van de vrouw. Westermarck (Moral Ideas, deel I, p. 661) meent hier in overeenstemming met Olive Schreiner, dat deze opgave niet zonder wijziging kan aangenomen worden, hoewel hij het met haar eens is, dat de landbouw een goede uitwerking heeft op de positie der vrouw, omdat zij er zelf een werkdadig aandeel in neemt. Een goede economische positie heeft geen werkelijk effect in het verbeteren van de positie der vrouw, tenzij de vrouwen zelf er een werkzaam en niet een parasiet-achtig aandeel in hebben.

[295] Westermarck (Moral Ideas, deel I, hoofdst. XXXVI, deel II, p. 29) verwijst herhaaldelijk naar de eigendoms- en andere privileges, die de vrouwen bij natuurvolken hebben en die op een eenigszins hooger beschavingsniveau veelal verdwijnen.

[296] De geleidelijke toename van het aantal vrouwen onder de Engelsche werklieden in de machine-industrie begon in 1851. Er zijn nu, naar men taxeert, drie en een half millioen vrouwen aan het werk in de industrieele beroepen, behalve een half millioen dienstboden. (Voor bijzonderheden zie men, James Haslam, in een serie bladen van de Englishwoman, 1909).

[297] Zie b.v., J. A. Hobson, The Evolution of Modern Capitalism, tweede uitgave, 1907, hoofdst. XII, "Women in Modern Industry."

[298] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 228.

[299] Fielding, Tom Jones, Boek III, hoofdst. VII.

[300] Zelfs de kerk nam ten slotte deze toewijzing van de verantwoordelijkheid aan, en "de sollicitatie", d.i. de zonde van een biechtvader, die zijn vrouwelijke boeteling verleidt, wordt steeds behandeld als uitsluitend de zonde van den biechtvader.

[301] Adolf Gerson, Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 547.

[302] Er is reeds vroeger verwezen naar de ongelukkige resultaten, die het gevolg kunnen zijn van de onwetendheid van de mannen, en het zal weer noodig zijn in het elfde hoofdstuk van dit werk.

[303] Pepys, Diary, uitg. Wheatley, deel VII, p. 10.

[304] Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente.

[305] Gury, Théologie Morale, art. 381.

[306] "De mannen zullen niet leeren wat de vrouwen zijn", merkt Rosa Mayreder op (Zur Kritik der Weiblichkeit, p. 199), "voordat zij opgehouden hebben ze voor te schrijven, wat ze behooren te zijn".

[307] Het is b.v. uiteengezet door Professor Wahrmund in Ehe und Eherecht, 1908. Ik behoef ternauwernood opnieuw te verwijzen naar de geschriften van Ellen Key, waarvan men bijna zeggen kan dat ze een nieuw tijdperk openen, vooral (in de Duitsche vertaling) Ueber Liebe und Ehe (ook in het Fransch vertaald), en (in de Engelsche vertaling, Putnam, 1909), het waardevolle, hoewel minder belangrijke werk, De eeuw van het kind. Zie ook Edward Carpenter, Als de menschen rijp worden voor de liefde; Forel, De sexueele kwestie (Engelsche vertaling, verkort, The Sexual Question, Rebman, 1908); Bloch, Het sexueele leven van onzen tijd, Rebman, 1908; Helene Stöcker, De liefde en de vrouwen, 1906; en Paul Lapie, De vrouw in het gezin, 1908.

[308] Rosenthal, uit Breslau, gaat zoo ver, dat hij van juridische zijde beweert ("Grundfragen des Eheproblems", Die Neue Generation, Dec., 1908), dat de bedoeling van de voortplanting voor het begrip van wettig huwelijk essentieel is.

[309] J. A. Godfrey, Science of Sex, p. 119.

[310] E. D. Cope, "The Marriage Problem", Open Court, Nov., 1888.

[311] Zie boven, p. 359.

[312] Wächter, Ehescheidungen, blz. 95 et seq.; Esmein, Marriage en Droit Canonique, deel I, p. 6; Howard, History of Matrimonial Institutions, deel II, p. 15. Howard meent (in overeenstemming met Lecky), dat van de vrijheid tot echtscheiden alleen misbruik gemaakt werd door een klein deel van de Romeinsche bevolking, en dat zulk een misstand, voor zoover hij bestond, niet de oorzaak was van achteruitgang van de moraal in Rome.

[313] De meeningen van de Christelijke Kerkvaders waren zeer afwisselend, en ze wisten soms zelf niet, wat ze meenden; zie bv. de meeningen, verzameld door Cranmer en opgesomd door Burnet, History of Reformation (ed. Nares), deel II, p. 91.

[314] Constantijn, de eerste Christelijke Keizer, stelde een streng en eigenaardige wet op de echtscheiding voor (die een vrouw toestond echtscheiding te verkrijgen van haar man, alleen als hij een moordenaar was, iemand vergiftigd had, of een grafschenner was), maar deze wet kon niet staande gehouden worden. Dus beval Anastasius in 497 echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Dit werd afgeschaft door Justinianus, die alleen echtscheiding toestond bij verschillende gespecificeerde oorzaken, daaronder echtbreuk van den man. Deze beperkingen bleken echter niet houdbaar, en de opvolger en neef van Justinianus, Justinus, herstelde weer de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Ten slotte, in 870, kwam Leo de wijsgeer weer terug op het voorstel van Justinianus (zie b.v. Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, arts. "Adultery" en "Marriage").

[315] Het element van eerbied in de houding van de Germanen in den eersten tijd jegens vrouwen en de voorrechten, die zelfs getrouwde vrouwen hadden, schijnen, voor zoover als Tacitus als een betrouwbaar gids beschouwd kan worden, de overgebleven sporen te zijn van een vroeger maatschappelijk stadium op een meer matriarchale basis. Zij zijn zeer duidelijk zichtbaar bij het begin van de Duitsche geschiedenis. Van den beginne echter waren, hoewel echtscheiding met wederzijdsch goedvinden mogelijk schijnt geweest te zijn, de Duitsche zeden zonder erbarmen voor de getrouwde vrouw, die ontrouw was, of onvruchtbaar, of die op andere wijze aanstoot gaf, hoewel het eenigen tijd lang na het invoeren van het Christendom voor den Duitschen echtgenoot geen misdaad was echtbreuk te plegen. (Westermarck, Origin of the Moral Ideas, deel II, p. 453).

[316] "Deze vorm van huwelijk", zegt Hobhouse (op. cit., deel I, p. 156), "staat in nauw verband met de uitbreiding van de rechten van den man". Vergelijk Howard, op. cit., deel I, p. 231. De zeer lage plaats van de Duitsche vrouw in de middeleeuwen wordt duidelijk gemaakt door Hagelstange, Süddeutsches Bauernleben im Mittelalter, 1898, blz. 70 et seq.

[317] Howard, op. cit., deel I, p. 259; Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. Arrhae. Het schijnt echter dat de "bruidkoop", waarvan Tacitus spreekt, niet strikt de verkoop was van een stuk vee of van een slavinnetje, maar de verkoop van de mund of het recht van bescherming over het meisje. Het is waar, dat de beteekenis misschien niet altijd duidelijk is geweest aan hen, die deel namen aan de handeling. Evenzoo was de Angelsaksische verloving niet zoozeer een betalen van den prijs van de bruid aan haar verwanten, hoewel zij natuurlijk een voordeeltje uit de handeling konden slaan, als wel een verbond, dat fatsoenlijke behandeling van de vrouw als vrouw en weduwe eischte. Herinneringen hieraan, merken Pollock en Maitland op (op. cit., deel II, p. 364), kan men vinden in "die merkwaardige rommelkamer voor antiquiteiten, het huwelijksritueel van de Engelsche kerk".

[318] J. Wickham Legg, Ecclesiological Essays, p. 189. We mogen er aan toevoegen dat het denkbeeld van de onderwerping van de vrouw aan den man in een tamelijk vroeg stadium in de Christelijke kerk voor den dag kwam, en ongetwijfeld onafhankelijk van Germaansche invloeden; de heilige Augustinus zeide (Sermo XXXVII, cap. VI) dat een goede mater familias zich niet moest schamen zich de dienstmaagd van haar man te noemen (ancilla).

[319] Zie b.v. L. Gautier, La Chevalerie hoofdst. IX.

[320] Howard, op. cit., deel I, blz. 278-281, 386. De Arrha kwam te voorschijn in de Romeinsche wet in de zesde eeuw.

[321] Howard, op. cit., deel I, blz. 293 et seq.; Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. "Contract of Marriage".

[322] Alle latere veranderingen in het Katholieke canonieke recht hebben het huwelijk alleen nog maar enger gemaakt en nog verder van de praktijk van de wereld afgebracht. Bij een decreet van den paus van 1907, wordt verklaard, dat burgerlijke huwelijken en huwelijken op niet-katholieke plaatsen van eeredienst niet alleen zondig zijn en onwettig (wat ze tevoren ook al waren), maar van nul en geenerlei waarde.

[323] E. S. P. Haynes, Our Divorce Law, p. 3.

[324] Het was het Concilie van Trente, in de zesde eeuw, dat de kerkelijke riten maakte tot een essentieel punt voor een bindend huwelijk; maar zelfs toen stemden zes en vijftig prelaten tegen die beslissing.

[325] Esmen, op. cit., deel I, p. 91.

[326] Soms zegt men, dat de Katholieke kerk de verkeerdheden van haar leer van de onontbindbaarheid van het huwelijk matigt door een aantal beletselen voor het huwelijk aan te nemen, terwijl ze vrije speelruimte laat aan hen, die vrijstelling van het huwelijk willen hebben. Dit schijnt echter nauwelijks het geval te zijn. Dr. P. J. Hayes, die als kanselier van de Katholieke aartsdiocese van New-York met gezag spreekt, zegt ("Impediments to Marriage in the Catholic Church", North American Review, Mei 1905), dat zelfs in een zoo moderne en gemengde gemeenschap als deze er maar weinig aanvragen zijn om dispensatie ten gevolge van beletsels; er zijn per jaar 15.000 Katholieke huwelijken in de stad New-York, maar alleen bij vijf per jaar wordt er navraag naar gedaan of ze wel geldig zijn, en dan voornamelijk op grond van bigamie.

[327] De Canonisten, zeggen Pollock en Maitland (loc. cit.), "hebben een willekeurige chaos gemaakt van de huwelijkswet". "Zelden", zegt Howard (op. cit., deel I, p. 340), "hebben theorie en fijne haarkloverijen verderfelijker gevolgen gehad in het practische leven dan toen ze het onderscheid tusschen sponsalia de praesenti en de futuro vaststelden".

[328] Howard, op. cit., deel I, p. 386 et seq. Over het geheel was echter de meening van Luther, dat het huwelijk, hoewel heilig en geheimzinnig, geen sacrament is; zijn verschillende gezegden over de zaak zijn te zamen gebracht door Strumpff, Luther über die Ehe, blz. 204-214.

[329] Howard, op. cit., deel II, p. 61 et seq.

[330] Waarschijnlijk bleef, als een resultaat van de eenigszins verwarde en onsamenhangende houding van de Hervormers, de canonieke wet in Protestantsche landen inderdaad langer van kracht dan in Katholieke landen; vooral in Frankrijk is ze ingrijpender veranderd. (Esmein, op. cit., deel I, p. 33).

[331] De opvatting der kwakers over het huwelijk is nog heden van machtigen invloed. "Waarom", zegt Mrs. Besant (Marriage, p. 19), "zouden we niet wat van de kwakers overnemen, en voor de tegenwoordige wettige vormen van het huwelijk een eenvoudige verklaring, in het openbaar gedaan, in de plaats stellen?"

[332] Howard, op. cit., deel II, p. 456. De werkelijke praktijk in Pennsylvanië schijnt echter weinig te verschillen van die in de andere Staten.

[333] Howard, op. cit., deel II, p. 109. "Het is werkelijk verwonderlijk", merkt Howard op, "dat een groote natie, die zich beroemt op liefde voor gelijkheid en maatschappelijke vrijheid, volle vijf generaties lang een hatelijke verdraagzaamheid toelaat, eer dan zich vrij en moedig te bevrijden van de banden van een kerkelijke traditie".

[334] "Het gedwongen voortzetten van een ongelukkige vereeniging is misschien het immoreelste ding, dat een beschaafde maatschappij ooit gezien, nog veel minder aangemoedigd heeft", zegt Godfrey (Science of Sex, p. 123). "Het moreele van een vereeniging hangt af van het wederzijdsch verlangen, en een vereeniging, die door een andere oorzaak wordt voorgeschreven, ligt buiten de beschaving, hoezeer de gewoonte ze moge erkennen, of de godsdienst en de wet ze moge goedkeuren".

[335] Echtbreuk wordt in de meeste wilde en barbaarsche maatschappijen, zooals Westermarck zegt, beschouwd als "een onwettig zich toeëigenen van de rechten, die de echtgenoot uitsluitend verkregen heeft door den koop van zijn vrouw, als een vergrijp tegen den eigendom"; de verleider wordt daarom gestraft als een dief, met boete, verminking, zelfs dood (Origin of the Moral Ideas, deel II blz. 447 et seq.; id., History of Human Marriage, p. 121). Bij sommige volken wordt alleen de verleider en niet de vrouw gestraft.

[336] Er wordt soms gezegd ter verdediging van de eischen tot schadevergoeding voor het verleiden van een getrouwde vrouw, dat vrouwen dikwijls zwak zijn en niet in staat weerstand te bieden aan toenadering van een man, zoodat de wet zwaar zou moeten drukken op den man, die zich die zwakheid ten nutte maakt. Dit argument schijnt wat verouderd. De wet begint de verantwoordelijkheid zelfs van de getrouwde vrouwen in andere opzichten aan te nemen, en kan wel nauwelijks weigeren ze ook aan te nemen voor het controleeren van haar eigen persoon. Bovendien, als het zoo natuurlijk is voor de vrouw om te zwichten, dan is het nauwelijks rechtmatig den man te straffen, met wien zij die natuurlijke daad gedaan heeft. Er moet verder gezegd worden, dat, als de echtbreuk van een vrouw alleen maar een onverantwoordelijke vrouwelijke zwakheid is, dat dan een zeer ongepaste ruwheid haar wordt aangedaan door het openlijk eischen van schadevergoeding van haar minnaar. Als we werkelijk dit argument aannemen, dan moeten we de middeleeuwsche kuischheidsgordel weer invoeren.

[337] Howard, op. cit., deel II, p. 114.

[338] Deze regel is in Engeland geenszins een doode letter. Zoo bracht in 1907 een vrouw, die haar huis had verlaten, terwijl ze een brief achterliet waarin ze zeide, dat haar man niet de vader van haar kind was, daarna een aanklacht uit wegens echtbreuk en omdat de man zich niet verdedigde, werd haar die toegestaan. Maar, daar de advocaat van de kroon (King's Proctor) de feiten vernomen had, werd het vonnis vernietigd. Toen diende de man een aanklacht in tot echtscheiding, kon die echter niet verkrijgen daar hij reeds had toegegeven dat hij echtbreuk begaan had, door zich in het vorige geval niet te doen verdedigen. Hij bracht de zaak voor het hof van appèl maar zijn verzoek werd niet ingewilligd, daar het hof van meening was, dat "het verleenen van steun in zulk een geval niet was in het belang van de algemeene moraal". De veiligste weg in Engeland om wat wettig "huwelijk" genoemd wordt absoluut onontbindbaar te maken, is dat beide partijen echtbreuk begaan.

[339] Magnus Hirschfeld, Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Oct. 1908.

[340] H. Adner, "Die Richterliche Beurteilung der "Zerrütteten" Ehe", Geschlecht und Gesellschaft, Band II, Deel 8.

[341] Gross-Hoffinger, Die Schicksale der Frauen und die Prostitution, 1847; Bloch geeft een volledige opsomming van de resultaten van dit onderzoek in een Appendix bij hoofdstuk X van zijn Sexual Life of Our Time.

[342] De echtscheiding in de Vereenigde Staten wordt in den breede besproken door Howard, op. cit., deel III.

[343] H. Münsterberg, The Americans, p. 575. Evenzoo meent Dr. Felix Adler, in een studie over "The Ethics of Divorce" (The Ethical Record, 1890, p. 200), hoewel hij zelf geen voorstander van echtscheiding is, dat de eerste oorzaak voor het veel voorkomen van de echtscheiding in de Vereenigde Staten is de hooge positie der vrouwen.

[344] In een belangwekkend artikel, met gevallen ter illustratie, over "Het Neurologische Element in den huwelijksafkeer" (Journal of Nervous and Mental Diseases, Sept. 1892) verwijst Smith Baker naar de gevallen waarin "een man hoe langer hoe meer antipathie tegen zijn vrouw begint te gevoelen, als hij haar naar verhouding minder ontwikkelde persoonlijkheid leert kennen. Terwijl hij misschien trouwde, voordat hij juist had leeren oordeelen over karakter en de neigingen daarvan, komt hij tot besef van het feit, dat hij in eere verplicht is zijn geheele physiologische leven te leven, niet met een werkelijke gezellin, maar met een surrogaat." De gevallen zijn nog talrijker, merkt dezelfde schrijver op, waarin de sexueele begeerte van de vrouw zich niet openbaart, behalve als resultaat van opvoeding en oefening. "Deze soort van natuurlijk-onnatuurlijken toestand is de bron van veel teleurstelling, en van intens lijden van de zijde van de vrouw evenzeer als van ontevredenheid in de familie". Toch zijn zulke oorzaken van echtscheiding veel te samengesteld om in wetboeken vermeld te worden, en veel te intiem om in gerechtshoven bepleit te worden.

[345] Tien jaar geleden, misschien nu nog wel, kwamen de Vereenigde Staten als de vierde wat de veelvuldigheid van echtscheiding aangaat, na Japan, Denemarken, en Zwitserland.

[346] Lecky, de historieschrijver over de Europeesche moraal, heeft gewezen (Democracy and Liberty, deel II, p. 172) op de nauwe betrekking in het algemeen tusschen het gemak van de echtscheiding en een hoogen standaard van de sexueele moraal.

[347] Zoo b.v., Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 237.

[348] In Engeland werd deze stap gedaan onder de regeering van Hendrik VII, toen het gedwongen huwen van vrouwen tegen haar wil bij de wet verboden werd (3 Henry VII, c. 2). Zelfs al in het midden van de zeventiende eeuw moest de kwestie van het gedwongen huwelijk weer behandeld worden (Inderwick, Interregnum, blz. 40 et seq.).

[349] Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept., 1905) beweert, dat als epilepsie, krankzinnigheid, moreele perversie, gewoonte-dronkenschap, of misdadig gedrag van eenigerlei soort voorkomt, de echtscheiding, ter wille van het komend geslacht, niet alleen toegestaan moest zijn, maar verplichtend. Echtscheiding alleen zou echter niet voldoende zijn om het gewenschte doel te bereiken.

[350] Evenzoo schrijft in Duitschland Wanda von Sacher-Masoch, die wat haar eigen karaktergebreken ook mogen geweest zijn, veel door het huwelijk geleden had, aan het eind van Meine Lebensbeichte, dat "zoolang de vrouwen den moed niet hebben, zonder tusschenkomst van den Staat of tusschenkomst van de kerk verhoudingen te regelen, die haarzelf alleen aangaan, zullen zij niet vrij zijn". In plaats van dit oude, vervallen huwelijkssysteem, dat zoo tegenovergesteld is aan onze moderne gedachten en gevoelens, wilde zij persoonlijke contracten hebben, gemaakt door een advocaat. In Engeland schreef al veel vroeger Charles Kingsley, een vurig voorstander van de vrouwenbeweging, wiens gevoel voor de vrouwen bijna tot vereering steeg, aan J. S. Mill: "Er kan nooit iets goeds komen voor de vrouwen, eer het laatste overblijfsel van de canonieke wet door de beschaving ter zijde is gesteld".

[351] "Er is nooit vuiler instelling uitgevonden", verklaarde Auberon Herbert vele jaren geleden, en daarmee drukte hij een gevoelen uit, dat later zeer gewoon is geworden; "en het bestaan ervan sleept zich, tot onze groote schande voort, omdat we niet den moed hebben om vrijuit te zeggen, dat de sexueele verhoudingen van man en vrouw, of van hen, die samen leven, hen zelf aangaan, en dat ze niet de glurende, gretige, zelfgenoegzame, en ontzettend onware buitenwereld aangaan".

[352] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 237.

[353] Dezelfde opvatting van het huwelijk als een contract blijft nog tot op zekere hoogte ook in de Vereenigde Staten bestaan, waar ze heen gebracht was door de eerste Protestanten en Puriteinen. De Staten geven gewoonlijk geen definitie van het huwelijk, maar, naar Howard zegt (op. cit., deel II, p. 395), "inderdaad wordt het huwelijk behandeld als een verhouding, die zoowel iets heeft van den aard van een toestand als van een contract".

[354] Dit gezichtspunt is grondig uiteengezet door Paul en Victor Margueritte, Quelques Idées.

[355] Ik wil opmerken, dat dit vele jaren geleden door C. G. Garrison aangetoond werd, die de gevolgen hiervan besprak in zijn "Limits of Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894. "We kunnen veilig zeggen", besluit hij, "dat het huwelijk in geen opzicht op een contract gelijkt, noch in vorm, noch als geneesmiddel, handelwijze of in resultaat; maar dat het in al deze opzichten integendeel de rechten, van de personen, die het aangaat, verkort". Het huwelijk is geen contract, maar een wijze van zich gedragen.

[356] Zie b.v. P. en V. Margueritte, op. cit.

[357] Zooals aangehaald door Howard, op. cit., deel II, p. 29.

[358] Evenzoo merkt Ellen Key (Ueber Liebe und Ehe, p. 343) op, dat te spreken over "den plicht van levenslange trouw" in veel opzichten hetzelfde is, als te spreken van "den plicht van levenslange gezondheid". Een mensch kan zijn best doen om zijn leven of zijn liefde te bewaren; hij kan dit niet onvoorwaardelijk op zich nemen.

[359] Hobhouse, op. cit., deel I, blz. 159, 237-9; vergelijk P. en V. Margueritte, Quelques Idées.

[360] "Echtscheiding", zooals Garrison zegt ("Limits of Divorce", Contemporary Review, Febr. 1894), "is de rechterlijke mededeeling, dat een gedrag, hetwelk eens dat van een huwelijk was in aard en doel, deze eigenschappen verloren heeft... Echtscheiding is een feitelijk iets, en niet een vrijheid om een belofte te breken".

[361] Zie boven, p. 325.

[362] Het is noodig geweest de voortplanting in het eerste hoofdstuk van dit werk te bespreken, en het zal weer noodig zijn in het laatste hoofdstuk. Hier hebben wij alleen te maken met de voortplanting als een element van het huwelijk.

[363] Nietzold, Die Ehe in Aegypten zur Ptolemäisch-römischen Zeit, 1903, p. 3. Deze band verzekerde ook rechten aan de kinderen, die tijdens het bestaan ervan geboren werden.

[364] Zie bv. Ellen Key, Moeder en Kind, p. 21. De noodzakelijkheid tot het combineeren van grooter vrijheid van sexueele verhoudingen met grootere gestrengheid van ouderlijke verhoudingen werd in een vroeger tijd duidelijk erkend door een andere bekwame schrijfster, Miss J. H. Clapperton, in haar beroemd boek Scientific Meliorism, uitgegeven in 1885 "Wettelijke veranderingen", schreef zij (p. 320), "zijn noodig in twee richtingen, en wel in de richting van grooter vrijheid van huwelijk en grooter preciesheid, wat het ouderschap aangaat. De huwelijksvereeniging is in haar wezen een persoonlijke zaak, waarmee de maatschappij niet geroepen is zich te bemoeien en waartoe ze ook geen recht heeft. De geboorte van een kind daarentegen is een openbare gebeurtenis. Ze raakt de belangen van de geheele natie."

[365] Ellen Key, Liefde en Huwelijk, p. 168; vergelijk van dezelfde schrijfster De Eeuw van het Kind.