De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 81
[73] Zoo verklaarde een oude Maori, eenige jaren geleden, dat de achteruitgang van zijn ras geheel te wijten is aan het verlies van het oude godsdienstige geloof in de tabu. "Want", zeide hij (ik doe een aanhaling uit een Auklandsche courant), "in den ouden tijd was ons tapu samengevlochten met het geheele maatschappelijke systeem. Het hoofd, het haar, plaatsen waar geestverschijningen zich vertoonden, plaatsen die de tohungas heilig noemden, zijn wij vergeten en hebben wij verwaarloosd. Wie denkt er tegenwoordig aan de heiligheid van het hoofd? Zie, als het water in den ketel kookt, dan springt de jonge man op, neemt zijn pet van zijn hoofd en gebruikt die om den deksel vast te pakken. Wie is er tegenwoordig, die niet met onverschilligheid toeziet als de barbier van het dorp, als hij dicht bij het vuur is, het losse haar van zijn laken er in gooit, en het gescherts en het lachen gaan door alsof niet een heilige handeling juist voleindigd was. Voedsel wordt gegeten op plaatsen, waar men het in vroeger dagen niet overheen durfde dragen".
[74] Zoo bestond, lang voordat er Christelijke monniken optraden, het ascetische kloosterleven in zeer gelijksoortigen geest in Egypte bij de vereering van Serapis (Dill, Roman Society, p. 79).
[75] 's Nachts, in de doopkapel, met lampen, die flauw brandden, werd der vrouwen zelfs haar tunica uitgetrokken, en werden zij driemaal in den poel gedompeld, dan gezalfd, in het wit gekleed, en gekust.
[76] Zoo verwijst Jeronimus, in zijn brief aan Eustachius, naar die paren, die "dezelfde kamer deelen, dikwijls hetzelfde bed, en die ons ergdenkend zouden noemen als wij daar conclusies uit trokken", terwijl Cyprianus (Epistola, 85) niet in staat is het gedrag van die mannen goed te keuren, waarvan hij hoort spreken en waarvan een zelfs een deken is, die in intiemen omgang leven met meisjes, en zelfs in hetzelfde bed met haar slapen; want, zegt hij, het vrouwelijk geslacht is zwak en de jeugd is lichtzinnig.
[77] Perpetua (Acta Sanctorum, March 7) wordt door Hort en Mayor genoemd "de mooiste bloem in den tuin van het na-apostolisch Christendom". Zij was echter geen maagd, maar een jonge moeder, met een kind aan de borst.
[78] De kracht van het oude Christelijke ascetisme lag in zijn spontaan en vrijwillig karakter. Toen, in de negende eeuw, de Carlovingen probeerden het celibaat in kloosters en aan de geestelijkheid op te leggen, was het resultaat een grote uitbarsting van onkuischheid en misdaad; nonnenkloosters werden bordelen, nonnen waren dikwijls schuldig aan kindermoord, monniken begingen niet te vermelden schanddaden, de vaste geestelijkheid knoopte bloedschendige betrekkingen aan met hun naaste vrouwelijke verwanten. (Lea, History of Sacerdotal Celibacy, vol. I, pp. 155 et seq.).
[79] Senancour, De l'Amour, deel II p. 233. De Islam heeft veel minder den nadruk gelegd op de kuischheid dan het Christendom, maar in de praktijk is er, naar het schijnt, dikwijls meer eerbied voor kuischheid onder Mohammedaansche dan onder Christelijke heerschappij. Zoo wordt gezegd door "Viator" (Fortnightly Review, Dec. 1908) dat het vroeger, onder Muzelmansche heerschappij, onmogelijk was de deugd van vrouwen in Bosnië te koopen, maar dat het nu, onder de Christelijke heerschappij van Oostenrijk, overal bij de Oostenrijksche grens mogelijk is dit te doen.
[80] De basis van dit gevoel werd versterkt, toen het bleek, dat door geleerden was aangetoond, dat de physieke deugd van "maagdelijkheid" onder een valschen naam vermomd was geweest. Een maagd te blijven schijnt in het eerst, onder volken van oude Arische cultuur in het geheel niet een gelofte van kuischheid beteekend te hebben, maar een weigering zich te onderwerpen aan het juk van het patriarchale huwelijk. De vrouwen, die er de voorkeur aan gaven buiten het huwelijk te blijven waren "maagden", zelfs als zij moeders van groote families waren, en Aeschylus spreekt van de amazonen als van "maagden", terwijl in het Grieksch het kind van een ongetrouwd meisje altijd "de zoon eener maagd" was. De geschiedenis van Artemis, de meest primitieve van de Grieksche godheden, is uit dit gezichtspunt leerzaam. Zij was oorspronkelijk alleen maagdelijk in den zin, dat zij het huwelijk verwierp, daar zij de godin was van een nomadisch en matriarchaal jagersvolk, dat het huwelijk nog niet aangenomen had en zij was de godin der bevallingen, die met orgiastische dansen en phallische zinnebeelden vereerd werd. Eerst door een latere gedaanteverwisseling werd Artemis de godin der kuischheid (Farnell, Cults of the Greek States, Deel II, pp. 442 et seq.; Sir W. M. Ramsay, Cities of Phrygia, Deel I, p. 96; Paul Lafargue, "Les Mythes Historiques", Revue des Idées, Dec., 1904).
[81] Zie b.v., Nicomachean Ethics, Bk. III, hoofdst. XIII.
[82] De Civitate Dei, lib. XV, cap. XX. Wat verderop (boek XVI, hoofdst. XXV) verwijst hij naar Abraham als naar een man, die met vrouwen kan omgaan zooals het behoort, met zijn vrouw met mate, met zijn bijwijf inschikkelijk, met geen van beide onmatig.
[83] Summa, Migne's uitgave, deel III, qu. 154, art. 1.
[84] De meerderheid der kuische jonge mannen, merkt een schrander criticus van het moderne leven op (Hellpach, Nervosität und Kultur, p. 175), wordt alleen gedreven door traditioneele principes, of door verlegenheid, vrees voor venerische infecties, gebrek aan zelfvertrouwen, geldgebrek, zeer zelden door eenige consideratie voor een toekomstige vrouw, en dat zou ook inderdaad een tragi-comische dwaling zijn, want een vrouw hecht geen waarde aan onaangeroerde mannelijkheid. Bovendien, voegt hij er bij, is de kuische man niet in staat met verstand een vrouw te kiezen, en het is onder de onderwijzers en de geestelijken,--de meest kuische klasse--dat de meeste ongelukkige huwelijken gesloten worden. Milton had dit feit al tot een argument gemaakt voor het gemakkelijk maken der echtscheiding.
[85] "Bij eten", zeide Hinton, "hebben wij de taak volbracht om genoegen te vereenigen met de afwezigheid van "lust". Het probleem voor man en vrouw is den sexueelen hartstocht zoo te gebruiken en te bezitten, dat hij gemaakt wordt tot een werktuig voor hoogere dingen, met geen andere beperking er op dan deze. Zij is essentieel verbonden met dingen van de geestelijke orde, en zou van nature zich daar naar voegen. Er over te denken als enkel lichamelijk is een dwaling".
[86] Ik heb op een andere plaats de behoefte in het moderne leven aan een natuurlijk en ernstig ascetisme breeder besproken (zie Affirmations, 1898) "St. Francis and Others".
[87] Der Wille zur Macht, p. 392.
[88] Op den leeftijd van vijf en twintig, toen hij reeds veel mooi werk had gemaakt, schreef Mozart in zijn brieven, dat hij nooit een vrouw had aangeraakt, hoewel hij naar liefde en huwelijk verlangde. Hij had geen middelen om te trouwen, hij wilde geen onschuldig meisje verleiden, een vergeeflijke verhouding was stuitend voor hem.
[89] Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, Bd. 1. p. 437
[90] Maagdelijkheid, dat wil zeggen het bezit van een ongeschonden hymen, kunnen wij--behoeven wij dit nog te herhalen--geheel buiten bespreking laten, daar zij louter een physieke eigenschap is, die niet noodzakelijk ethische verwantschappen heeft. De eisch van maagdelijkheid in vrouwen is, voor het grootste gedeelte, òf de vraag naar een meer verkoopbaar artikel, òf naar een machtiger prikkel voor de mannelijke begeerte. Maagdelijkheid sluit geen moreele eigenschappen in bij haar bezitster. Kuischheid en ascetisme zijn aan den anderen kant woorden zonder beteekenis, behalve als eischen, die de geest aan zichzelf stelt of aan het lichaam dat hij beinvloedt.
[91] Dit gezichtspunt was een dubbelzinnige verbetering van de opvatting, die, zooals Westermarck heeft aangetoond, onder primitieve volken algemeen heerschte, n.l. deze, dat de sexueele daad een vrouw alleen vernedert en haar waarde vermindert, in zooverre zij het eigendom is van een ander persoon, die de werkelijk benadeelde persoon is.
[92] Op deze ingewikkelde tegenstrijdigheid is van godsdienstige zijde fijn gewezen door den Rev. H. Northcote, Christianity and Sex Problems, p. 53.
[93] "Die Abstinentia Sexualis", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Nov. 1908.
[94] P. Janet, "La Maladie du Scrupule", Revue Philosophique, Mei 1901.
[95] Zie Freud, Sexual-Probleme, Maart 1908. Zooals Adele Schreiber ook aantoont (Mutterschutz, Jan. 1907, p. 30), is het niet genoeg te bewijzen, dat abstinentie niet gevaarlijk is; we moeten in de gedachte houden, dat de geestelijke en physieke energie, die verbruikt wordt voor het onderdrukken van dit machtige instinct dikwijls een vroolijke, energieke natuur verandert in een zwakke schaduw. Evenzoo zegt Helene Stöcker (Die Liebe und die Frauen, p. 105): "De kwestie, of abstinentie schadelijk is, is, om de waarheid te zeggen, een belachelijke kwestie. Men hoeft geen zenuw-specialist te zijn om te weten, als iets dat vanzelf spreekt, dat een leven van gelukkige liefde en huwelijk het gezonde leven is, en dat de geheele afwezigheid daarvan wel leiden moet tot ernstige zenuw-depressie, zelfs als er geen directe physiologische stoornissen kunnen worden aangetoond".
[96] Max Flesch, "Ehe, Hygiene und Sexuelle Moral", Mutterschutz, 1905, aflevering 7.
[97] "Ik heb twee jaar lang nauwkeurige ondervinding en omgang met de Trappisten gehad", schreef Dr. Butterfield van Natal (British Medical Journal, Sept. 15, 1906, p. 668), "als medisch verzorger en als geloovig Katholiek beide. Ik heb ze bestudeerd en hun leven, gewoonten en diëet onderzocht, en hoewel ik het niet graag aan zou nemen, omdat het voor mij persoonlijk niet past, is de groote massa van hen van een absoluut ideale gezondheid en kracht, zij mankeeren zelden iets, zijn in staat tot veel werk, geestelijk en lichamelijk. Hun leven is zeer eenvoudig en zeer regelmatig. Het zou moeilijk zijn een gezonder gemeenschap van mannen en vrouwen, met volkomen gelijkmatigheid van humeur--op dit laatste leg ik den nadruk--te vinden. Gezondheid straalt uit hun oogen, hun gelaat en hun daden. Alleen bij ziekte of bij lange reizen worden hun krachtige spijzen toegestaan--vleesch, eieren, enz.--of alcohol".
[98] Féré, L'Instinct Sexual, tweede uitgave, p. 332.
[99] Het leven op het land, zooals we gezien hebben toen we de verhouding daarvan tot sexueele vroegrijpheid bespraken, is aan den eenen kant het ongekende van een bescherming tegen sexueele invloeden. Maar aan den anderen kant, voor zoover het hard werken op het land in zich sluit en eenvoudig leven, onder omstandigheden die niet prikkelend zijn voor het zenuwstelsel, is het gunstig voor een aanmerkelijk uitgestelde sexueele werkzaamheid in de jeugd en voor een betrekkelijke zelfbeheersching. Ammon vond in den loop van zijn anthropologische onderzoekingen op Badensche lotelingen, dat sexueele omgang op het land zeldzaam was voor de twintig, en dat zelfs sexueele zaaduitstortingen tijdens den slaap zeldzaam waren voor de negentien of twintig. In de dorpen wordt ook gezegd, herhaalt hij, dat niemand het recht heeft meisjes na te loopen die nog geen geweer draagt, en de oudere jongens mishandelen soms brutaal iederen jongeren jongen, die met een meisje gevonden wordt. Ongetwijfeld gaat dit dikwijls vooraf aan veel losbandigheid later.
[100] Het overwicht in aantal, dat ongetrouwde onderwijzeressen nu in het Amerikaansche schoolsysteem verkregen hebben, heeft bij vele goede opmerkers ernstige bezorgdheid gewekt, en men zegt, dat het bij jongens en meisjes onbevredigende onderwijsresultaten oplevert. Een bekend autoriteit, Professor McKeen Cattell ("The School and the Family", Popular Science Monthly, Jan. 1909) gaat, waar hij verwijst naar dit overheerschen van "oude juffrouwen zonder levenskracht of geslacht", zoover van te zeggen, dat "het eindresultaat van dit feit, dat men de ongetrouwde vrouw de gewone onderwijzeres laat zijn, geweest is, dat het een kwestie geworden is of het niet een voordeel zou zijn voor het land, als de geheele schoolplant uitgeroeid kon worden".
[101] Corre (Les Criminels, p. 351) zegt, dat van de dertien priesters, veroordeeld wegens misdaad, er zes schuldig waren aan sexueele pogingen op kinderen, en van de drie en tachtig veroordeelde onderwijzers acht en veertig soortgelijke misdrijven hadden begaan. Dit was op een tijd, toen onderwijzers praktisch bijna gedwongen waren een ongehuwd leven te leiden; veranderde omstandigheden hebben voor een groot deel deze soort van misdrijf onder hen verminderd. Zonder dat het tot misdaad komt, ondervinden vele moreele en godsdienstige mannen, geestelijken en anderen, die een ernstig abstinent leven geleid hebben in hun jeugd, soms op middelbaren leeftijd of later de uitbarsting van bijna niet te beheerschen sexueele impulsen, normaal of abnormaal. Bij vrouwen nemen zulke uitingen dikwijls den vorm aan van als een obsessie vervolgende gedachten, zooals b.v. in het geval (Comptes-Rendus Congrès International de Médecine, Moscou, 1897, deel IV, p. 27) van een kuische vrouw, die den drang in zich voelde om te kijken naar de geslachtsdeelen van mannen.
[102] J. A. Godfrey, The Science of Sex, p. 138.
[103] Zie bv. Havelock Ellis, "St. Francis and Others", Affirmations.
[104] Zie bv. Cheetham's "Hulsean Lectures" The Mysteries, Pagan and Christian, pp. 123, 136.
[105] Hormayr's Taschenbuch, 1835. p. 235. Hagelstange wijst er op, in een hoofdstuk over middeleeuwsche feesten in zijn Süddeutsches Bauernleben im Mittelalter, hoe bij deze Christelijke orgieën, die inderdaad van heidenschen oorsprong waren, de Duitsche menschen met geweldige en luidruchtige energie reageerden tegen de inspanning en de eentonigheid van hun dagelijksch leven.
[106] Dit werd duidelijk erkend door de meer intelligente voorstanders van het karnaval. Strenge menschen wilden dit feest afschaffen, en in een merkwaardig verzoekschrift, gezonden aan de Theologische Faculteit van Parijs (en aangehaald door Flogel, Geschichte des Grotesk-Komischen, vierde uitgave, p. 204) wordt het feest aldus verdedigd: "Wij doen dit volgens een oude gewoonte, opdat de dwaasheid, die 's menschen tweede natuur is en hem schijnt aangeboren te zijn, tenminste eenmaal in het jaar vrijen loop heeft. Wijnvaten zouden springen, als we niet nu en dan de spon losmaakten om lucht in the laten. Nu zijn wij allen slecht verzekerde vaten en tonnen, die den wijn der wijsheid zouden laten wegloopen, als wij ze door voortdurende toewijding en vrees voor God lieten gisten. Wij moeten lucht inlaten, opdat hij niet bederft. Zoo geven wij ons op sommige dagen aan vermaak over, dat wij later met des te meer ijver tot de vereering van God kunnen terugkeeren". Het losbandigheidsfeest werd niet verboden voor het midden van de zestiende eeuw en overblijfselen ervan bestonden nog (zooals in Aken) tot bijna aan het einde van de achttiende eeuw.
[107] A. Méray, La Vie au Temps des Libres Prêcheurs, deel II, hoofdst. X. Een goed en op grondige bronnenstudie berustend verslag van het losbandigheidsfeest geeft E. K. Chambers, The Mediaeval Stage, hoofdst. XIII. Het is waar, dat de Kerk en de eerste Kerkvaders dikwijls het tooneel hebben gevloekt. Maar Gregorius van Nazianza wilde een Christelijk tooneel oprichten; de middeleeuwsche mysteriespelen stonden zeker onder de bescherming van de geestelijkheid; en de heilige Thomas van Aquino, de grootste van de scholastici, veroordeelt het tooneel slechts in bedekte termen.
[108] Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XII.
[109] Journal Anthropological Institute, July-Dec., 1904, p. 329.
[110] Westermarck (Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, pp. 285-9) toont aan, hoe wijd verspreid de gewoonte is, een op gezette tijden terugkeerenden rustdag vast te stellen.
[111] A. E. Crawley, The Mystic Rose, pp. 273 et seq., Crawley brengt met dit doel van groote feesten de gewoonte in verband, die in sommige deelen der wereld gevonden wordt, van bij tijden van vrouwen te verwisselen. "Het heeft niets hoegenaamd te maken met het huwelijks-systeem, behalve dat het dat eenigen tijd verbreekt, zoodat vrouwen van een verboden graad van verwantschap te leen gegeven worden, op dezelfde gronden, waarop conventies en gewone betrekkingen bij feesten van het Saturnalische type verbroken worden; het doel is een verandering in het leven te brengen en weer opnieuw te beginnen, door alles om te ruilen wat men kan, terwijl de enkele ruilingsdaad een andere behoefte bevredigt, samengaat met het andere verlangen om de gemeenschap aaneen te smeden" (Ib., p 479).
[112] G. Murray, Ancient Greek Literature, p. 211.
[113] Het Grieksche drama ontstond waarschijnlijk uit een volksfeest van een min of meer sexueel karakter, en het is zelfs mogelijk, dat het middeleeuwsche drama een eenigszins daarmee overeenkomende oorsprong had (zie Donaldson, The Greek Theatre; Gilbert Murray, loc. cit.; Karl Pearson, The Chances of Death, deel ii, pp. 135-6, 280 et seq.).
[114] R. Canudo, "Les Chorèges Français", Mercure de France, 1 Maart 1907, p. 180.
[115] "Dit is inderdaad", verklaart Cyples (The Process of Human Experience, p. 743), "het groote doel van de Kunst--dat zij in ons bewust doet worden groote egoïstische mogelijkheden, ons op een rudimentaire wijze gewent aan grootere verwerkelijking van de persoonlijkheid", en zoo "zonder doel, maar toch op schitterende wijze de reine nog niet vervulde mogelijkheden in ons wekt".
[116] Zelfs als eentonige arbeid intellectueel is, is hij daardoor niet gevrijwaard tegen orgiastische reacties. Prof. L. Gurlitt toont aan (Die Neue Generation, Januari 1909, pp. 31-6) hoe de ingespannen, zonder verpoozing voortgezette intellectueele arbeid van de Pruisische seminariën zoowel onder leeraren als onder leerlingen, leidt tot de ergste vormen van orgie.
[117] Rabutaux bespreekt verschillende definities van prostitutie. De la Prostitution en Europe, pp. 119 et seq. Voor den oorsprong van de namen om prostituée aan te duiden, zie men Schrader, Reallexicon, art. "Beischläferin".
[118] Digest, boek XXIII, deel II, p. 43. Als zij zich alleen aan een of twee personen gaf, al was het dan voor geld, was het geen prostitutie.
[119] Guyot, La Prostitution, p. 8. Het element van koopbaarheid behoort tot het wezen van de zaak, en godsdienstige schrijvers (zooals Robert Wardlaw, D.D., uit Edinburg, in zijn Lectures on Female Prostitution, 1842, p. 14), die prostitutie definieeren als "de onwettige omgang van de seksen", en synoniem achten met theologische "fornicatie", vervallen in een dwaze verwarring.
[120] "Zulke huwelijken worden soms gebrandmerkt als "wettige prostitutie"", merkt Sidgwick op (Methods of Ethics, boek III, hoofdst. XI), "maar we voelen, dat de phrase buitensporig en paradox is".
[121] Bonger, Criminalité et Conditions Economiques, p. 378. Bonger meent, dat in haar wezen de daad van prostitutie "gelijk is aan de daad van een man of een vrouw, die om economische redenen een huwelijk aangaat".
[122] E. Richard, La Prostitution à Paris, 1890, p. 44. Het kan een punt van kwestie zijn of openlijkheid of algemeene bekendheid een essentieel deel moet vormen van de definitie; het schijnt er echter bij ingesloten te zijn want anders kan de prostituée geen klanten krijgen. Reuss zegt, dat ze bovendien geheel zonder middelen van bestaan moet zijn; dat behoort zeker niet tot het wezen der zaak. En het is ook niet noodig, zooals de Digesten nadrukkelijk zeggen dat de daad gedaan wordt "zonder genoegen": dat kan al of niet het geval zijn, zonder invloed uit te oefenen op den prostitutie-aard van de daad.
[123] Hawkesworth, Account of the Voyages, etc., 1775, deel II, p. 254.
[124] R. W. Codrington, The Melanesians, p. 235.
[125] F. S. Krauss, Romanische Forschungen, 1903, p. 290.
[126] H. Schurtz, Altersklassen und Männerbünde, 1902, p. 190. In dit werk brengt Schurtz eenige voorbeelden samen (p. 189-201) van den oorsprong der prostitutie bij primitieve volken. Vele feiten en aanwijzingen worden gegeven door Westermarck (History of Human Marriage p. 66 et seq., en Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, p. 441 et seq.).
[127] Bachofen (meer speciaal in zijn Mutterrecht en Sage von Tanaquil) beweerde, dat zelfs godsdienstige prostitutie ontstond uit den weerstand van primitieve instincten tegen de individualisatie van de liefde. Cf. Robertson Smith, Religion of Semites, tweede uitgave p. 59.
[128] Wat de reden ook zij, godsdienst en prostitutie komen dikwijls te zamen voor; het is misschien tot op zekere hoogte een speciale uiting van dat algemeene verband tusschen de godsdienstige en de sexueele impulsen, dat elders besproken is. Zoo zegt A. B. Ellis, in zijn boek over de Ewe-speaking Peoples of West Africa (pp. 124, 141), dat hier vrouwen, die aan een godheid worden toegewijd, vrije prostituées worden. W. G. Summer (Folkways, hoofdst. XVI) brengt vele feiten samen over het wijd verspreid zijn van de godsdienstige prostitutie.
[129] Herodotus, Boek I, hoofdst. CXVIX; Baruch, hoofdst. VI, p. 43. Geleerden van den nieuweren tijd bevestigen uit de studie van de Babylonische literatuur de beweringen van Herodotus, hoewel ze geneigd zijn te ontkennen, dat de godsdienstige prostitutie een zoo groote plaats innam als hij er aan toekent. Een Tafel van het Gilgamash-epos maakt volgens Morris Jastrow melding van prostituées als dienaressen van de godin Isthar in de stad Uruk (of Erech), die dus een centrum was en misschien het hoofd-centrum van de door Herodotus beschreven plechtigheden (Morris Jastrow, The Religion of Babylonia and Assyria, 1898, p. 475). Isthar was de godin der vruchtbaarheid, de groote moeder-godin, en de prostituées namen als tempel-dienaressen deel aan de ceremoniën, die de vruchtbaarheid zinnebeeldig moesten voorstellen. Deze priesteressen van Isthar waren bekend onder den algemeenen naam Kadishtu, "de heiligen" (op. cit., pp. 485, 660).
[130] Het is gewoon onder moderne schrijvers Aphrodite Pandemos, eer dan Urania, in verband te brengen met koopbare of vrije sexualiteit, maar dat is een vergissing, want de Aphrodite Pandemos was zuiver politiek en had geen sexueele beteekenis. De vergissing was misschien wel met voorbedachten rade ingevoerd door Plato. Men heeft de mogelijkheid geopperd dat die aartsbedrieger, die niet van democratische denkbeelden hield, met moedwil trachtte de opvatting van Aphrodite Pandemos naar beneden te halen (Farnell, Cults of Greek States, deel II, p. 660).
[131] Athenaeus, Boek XIII, hoofdst. XXXII. Het schijnt, dat de eenige andere Grieksche gemeenschap, waar de tempeldienst onkuischheid met zich bracht een stad was van de Locri Epizephyrii (Farnell, op. cit., deel II, p. 636).
[132] Ik zeg niet een vroegere "promiscuïteit", want de theorie van de primitieve sexueele promiscuïteit is nu in ruimen kring in discrediet, hoewel er geen redelijke twijfel aan kan bestaan, dat het in vroeger tijd heerschende moederrecht gunstiger was aan de sexueele vrijheid van vrouwen dan het latere patriarchale systeem. Zoo kon in de alleroudste Egyptische dagen een vrouw haar gunsten schenken aan iederen man dien zij wilde, door hem haar kleed te zenden, zelfs als ze getrouwd was. Na verloop van tijd leidde het zich uitbreiden van de rechten der mannen er toe, dat dit beschouwd werd als misdadig, maar de priesteressen van Ammon behielden tot het laatst dit voorrecht, daar zij onder goddelijke bescherming stonden (Flinders Petrie, Egyptian Tales, pp. 10, 48).