De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 80
[5] Het woord "puericultuur" is uitgevonden door Dr. Caron in 1866, om aan te duiden de ontwikkeling van kinderen na de geboorte. Het was Pinard, de bekende Fransche verloskundige, die er, in 1895, een ruimer en meer ware beteekenis aan gaf, door het te gebruiken óok voor de ontwikkeling van kinderen vóór de geboorte. Het wordt nu gedefinieerd als "de wetenschap, die zich ten doel stelt, te zoeken naar de kennis, die betrekking heeft op de reproductie, de instandhouding en de verbetering van het menschelijk ras". (Péchin, La Puériculture avant la Naissance, Thèse de Paris, 1908).
[6] In "La Grossesse" (pp. 450 en volgende) heeft Bouchacourt de problemen van puericultuur tamelijk uitvoerig besproken.
[7] Het belang der puericultuur voor de geboorte werd ten volle erkend in China duizend jaar geleden. Zoo schreef Madame Cheng te dien tijde over de opvoeding van het kind: "Zijn opvoeding kan zelfs vóor de geboorte beginnen; en daarom lag de toekomstige moeder van vroeger, als ze lag, rechtuit; als ze zat, zat ze rechtop; en als ze stond, stond ze rechtop. Ze wilde geen vreemde smaken proeven, noch iets te maken hebben met spiritualisme; als haar voedsel niet klein gesneden was, wilde ze het niet eten en als haar mat niet recht gelegd was, wilde ze er niet op zitten. Zij wilde naar niets zien, dat onaangenaam was, niet luisteren naar een onaangenaam geluid, geen ruw woord spreken en geen onrein ding aanraken. 's Avonds bestudeerde zij een klassiek boek, overdag hield zij zich bezig met ceremonieel en met muziek. Daarom werden haar zoons oprecht en uitmuntend in talenten en deugden; dat was het resultaat van de opvoeding vóor de geboorte". (H. A. Giles, "Woman in Chinese Literature". Nineteenth Century, Nov. 1914).
[8] Max Bartels "Isländischer Brauch", etc. Zeitschrift für Ethnologie, 1900, p. 65. Een opsomming van de gewoonten van verschillende volken met betrekking tot de zwangerschap wordt gegeven door Ploss en Bartels, Das Weib, Sect. XXIX.
[9] Over den invloed van alcohol tijdens de zwangerschap op het embryo, zie men b.v. G. Newman, Infant Mortality p.p. 72-77. W. C. Sullivan (Alcoholism, 1906, Ch. XI), resumeert het bewijsmateriaal, dat aantoont, dat alcohol een factor is bij menschelijke ontaarding.
[10] Er is zelfs reden te gelooven, dat het alcoholisme van den vader van de moeder, schade doet aan haar geschiktheid als een moeder. Bunge (Die Zunehmende Unfähigkeit der Frauen ihre Kinder zu Stillen, 5de uitgave, 1907), bevindt, bij een onderzoek, dat zich uitstrekt over 2.000 families, dat chronische alcoholvergiftiging bij den vader de voornaamste oorzaak is van de ongeschiktheid van de dochter om te zoogen, en dat deze ongeschiktheid gewoonlijk niet in orde komt in volgende geslachten. Tegenover Bunge heeft zich echter gesteld Dr. Agnes Bluhm "Die Stillungsnot", Zeitschrift für Soziale Medizin, 1908 (geheel door haarzelf geresumeerd in Sexual-Probleme, Jan. 1909).
[11] Zie bv. T. Arthur Helme, "The Unborn Child", British Medical Journal, Aug. 24, 1907. Het voedsel moet natuurlijk goed zijn. Noel Paton heeft aangetoond, (Lancet, Juli 4, 1903) dat onvoldoende voeding van de zwangere vrouw het gewicht van het kind vermindert.
[12] Debreyne, Maechialogie, p. 277. En van den kant der Protestanten zie men Northcote (Christianity and Sex Problems, hoofdst. IX) die geslachtsverkeer tijdens de zwangerschap toestaat.
[13] Zie ook Ploss en Bartels, loc. cit.
[14] Zoo schrijft een dame: "Ik heb maar éen kind gehad, maar ik mag wel zeggen dat tijdens de zwangerschap het verlangen naar vereeniging veel sterker was, den geheelen tijd door, dan op eenigen anderen tijd". Bouchacourt (La Grossesse, pag. 180-183) zegt, dat als regel, sexueel verlangen niet verminderd wordt door zwangerschap en nu en dan vermeerderd.
[15] Dit "lastig zijn" blijft nog altijd een struikelblok bij veel uitmuntende autoriteiten. "Behalve als er een neiging is tot miskraam", zegt Kossmann (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 257), "moeten wij zeer voorzichtig zijn met het aanbevelen van abstinentie tijdens de zwangerschap", en Ballantyne (The Foetus, pag. 475) maakt voorzichtig de opmerking, dat het een moeilijke kwestie is om te beslissen. Ook Forel (Die Sexuelle Frage, 4de editie, pag. 81), die niet geneigd is volkomen sexueele abstinentie aan te raden tijdens een normale zwangerschap, geeft toe dat het een vrij lastige kwestie is.
[16] Dit punt wordt bv. besproken door Séropian in een Thèse de Paris (Fréquence comparée des Causes de l'Accouchement Prématuré, 1907); hij komt tot de conclusie, dat coïtus tijdens de zwangerschap een méer vóorkomende oorzaak is van ontijdige bevalling dan gewoonlijk gedacht wordt, vooral in primiparae, en dat vooral in de negende maand.
[17] "Infantile Mortality: The Huddersfield Scheme", British Medical Journal, Dec. 1907; Samson Moore, "Infant Mortality", ib., August 29, 1908.
[18] Ellen Key heeft voorstellen van deze soort (zooals ze zijn ontwikkeld door C. P. Stetson) in haar Essays "On Love and Marriage" schitterend behandeld. In tegenstelling met dergelijke voorstellen oppert Ellen Key dat vrouwen, die behoorlijk geoefend zijn voor moederplichten en die niet in staat zijn zichzelf te onderhouden, terwijl zij ze uitoefenen, een subsidie moeten ontvangen van den Staat, gedurende de drie eerste levensjaren van het kind. Wij kunnen hier aan toevoegen, dat in Leipzig het plan moeders te subsidieeren die (onder behoorlijk medisch en ander toezicht) haar kinderen zoogen, reeds is ingevoerd.
[19] Deze uitingen zijn behandeld in de studie over Auto-erotiek in een onzer andere werken. Wij kunnen er bijvoegen, dat het sexueele leven van het kind tot in de fijnste bijzonderheden onderzocht is door Moll, Das Sexualleben des Kindes, 1900.
[20] Deze geslachtsbloei in de sexueele klieren en borsten bij de geboorte of in de vroege jeugd is in een thèse de Paris behandeld door Camille Renouf (La Crise Génital et les Manifestations Connexes chez le Foetus et le Nouveau-né, 1905); hij kan geen bevredigende verklaring van deze verschijnselen geven.
[21] Amélineau, La Morale des Egyptiens, pag. 64.
[22] "The Social Evil in Philadelphia", Arena, Maart, 1896.
[23] Moll, Konträre Sexualempfindung, third edition, pag. 592.
[24] Deze machteloosheid van de wet en de politie wordt wel erkend door mannen van de wet, die op de hoogte zijn van de zaak. Zoo dringt T. Werthauer (Sittlichkeitsdelikte der Grosstadt, 1907) voortdurend aan op het belang van ouders en onderwijzers om kinderen van hun vroege jeugd af een langzamerhand toenemende kennis van sexueele zaken mede te deelen.
[25] "Aan ouders moet geleerd worden hoe ze inlichtingen moeten geven", zegt E. L. Keyes ("Education upon Sexual Matters", New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), "en dit leeren van de ouders moet beginnen, wanneer zij zelf nog kinderen zijn."
[26] Moll (op. cit., pag. 224) zet zeer juist uiteen, hoe onmogelijk het is kinderen te behoeden voor het zien en ondervinden van dingen, die met het sexueele leven in verband staan.
[27] Meisjes zijn zelfs niet voorbereid in vele gevallen op het voor den dag komen van de schaamharen. Deze onverwachte haargroei bezorgt jonge meisjes dikwijls veel heimelijken angst, en zij knippen ze dikwijls zorgvuldig af.
[28] G. S. Hall, Adolescence, deel I, p. 511. Vele jaren geleden, in 1875, raadde wijlen Dr. Clarke, in zijn Sex in Education rust tijdens de menstruatie voor meisjes aan en verwekte daardoor een hevigen tegenstand, die zeker nu niet voorgekomen zou zijn, nu de speciale gevaren van de vrouwelijkheid meer en meer duidelijk begrepen worden.
[29] Voor een resumé van de physieke en geestelijke verschijnselen van de periode der menstruatie, zie men Havelock Ellis: Man en Vrouw hoofdst. XI. De primitieve voorstelling van de menstruatie is meer uitgebreid besproken door J. G. Fraser in The Golden Bough. Een groote verzameling van feiten met betrekking tot de afzondering tijdens de menstruatie van vrouwen over de geheele wereld, zal men vinden in Ploss en Bartels, Das Weib. De afzondering van meisjes tijdens de puberteit in Straat Torres is speciaal bestudeerd door Seligmann, Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, hoofdst. VI.
[30] Zoo ontdekte Miss Lura Sanborn, die de leiding heeft van de lichaamsoefeningen aan de normaalschool te Chicago, dat een bad eenmaal in de 14 dagen niets ongewoons was. Bij de periode der menstruatie is er speciaal nog een bijgeloovige vrees voor water. Aan meisjes moet altijd geleerd worden, dat in dezen tijd zindelijkheid bovenal gebiedend noodzakelijk is. Zij moeten een lauw zitbad nemen 's avonds en 's morgens, en een vaginauitspoeling (die nooit koud moet wezen) is altijd goed zoowel voor veraangenaming als voor zindelijkheid. Er is niet de minste reden om tijdens de menstruatie bang voor water te zijn. Dit punt werd eenige jaren geleden in het British Medical Journal besproken met volkomen eensgezindheid van opinie. Een bekend Amerikaansch verloskundige, Dr. J. Clifson Edgar, komt na een zorgvuldige studie over opinie en praktijk in deze kwestie ("Bathing During Menstrual Period," American Journal Obstetrics, Sept. 1900) tot de conclusie, dat het mogelijk en heilzaam is koude baden te nemen (geen zeebaden) tijdens de periode, mits er gepaste voorzorgen in acht genomen en de gewoonten niet plotseling veranderd worden. Zulk een wijze van handelen behoeft niet zonder onderscheid toegepast te worden, maar er kan geen twijfel aan zijn, dat bij stoere boerenvrouwen, die er in haar jeugd aan gewend zijn, een lange onderdompeling in de zee bij het visschen geen slechte resultaten heeft, en dat die zelfs goed is. Housel (Annales de Gynécologie, Dec. 1894) heeft statistieken gepubliceerd over het menstrueele leven van 123 visschersvrouwen op de Fransche kust. Zij waren gewend garnalen te vangen, uren achtereen dikwijls tot boven het middel in zee staande, en dan rond te loopen in haar natte kleeren om garnalen te verkoopen. Zij beweerden allen nadrukkelijk, dat haar menstruatie gemakkelijker was als zij aan haar werk bezig waren. Haar perioden zijn merkwaardig regelmatig en haar vruchtbaarheid is groot.
[31] J. H. Bride, "The Life and Health of Our Girls in Relation to Their Future", Alienist and Neurologist, Febr., 1904.
[32] W. G. Chambers, "The Evolution of Ideals", Pedagogical Seminary, Maart, 1903; Catherine Dodd. "School Children's Ideals", Natural Review, Febr. en Dec., 1900, en Juni, 1901. Geen Duitsche meisjes kwamen uit voor den wensch om mannen te willen zijn; zij zeiden dat het slecht zou zijn. Onder Vlaamsche meisjes bevond Varendonck te Gent echter (Archives de Psychologie, Juli 1908) dat 26 percent mannen tot ideaal hadden.
[33] A. Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, 1908, deel 1, bladz. 70.
[34] R. Hellmann, Ueber Geschlechtsfreiheit, pag. 14.
[35] Dit geloof schijnt veel voor te komen onder jonge meisjes op het vasteland van Europa. Het vormt het onderwerp van een van Marcel Prevost's Lettres de Femmes. In Oostenrijk is het, volgens Freud, niet ongewoon, uitsluitend onder meisjes.
[36] Toch is, volgens de Engelsche wet, verkrachting een misdaad, die een echtgenoot niet aan zijn vrouw kan begaan, (zie b.v., Nevill Geary, The Law of Marriage, hoofdst. XV, afd. V). De voltrekking van de huwelijksplechtigheid echter, zelfs als ze noodzakelijk een duidelijke verklaring in zich sloot van de voorrechten van den man, kan niet beschouwd worden als een voldoende rechtvaardiging voor een daad van sexueele gemeenschap, volbracht met geweld of zonder de toestemming van de vrouw.
[37] Hirschfeld, Jahrbuch für Sexuelle Zwischenstufen, 1903, pag. 88. We kunnen hieraan toevoegen, dat een afschuw tegen coïtus niet noodzakelijk behoeft voort te komen uit een slechte opvoeding en dat die ook wel voor kan komen in erfelijk gedegenereerde vrouwen, wier voorouders gelijke of er mee verwante geestelijke eigenaardigheden vertoond hebben. Een geval van zulke "functioneele impotentie" wordt vermeld van een jonge Italiaansche vrouw van een en twintig jaar, die overigens gezond was en sterk aan haar echtgenoot gehecht. Het huwelijk werd nietig verklaard op den grond dat "rudimentaire sexueele of emotioneele paranoia, die een vrouw onoverwinbaar afkeerig maakt van sexueele vereeniging, niettegenstaande de volledigheid van de sexueele organen, psychische functioneele impotentie vormt". (Archivio di Psichiatria, 1906, fosc. VI, pag. 806).
[38] De redelijkheid van dezen stap blijkt zoo duidelijk, dat het bijna niet noodig moest zijn er op aan te dringen. "De mededeeling aan schooljongens en schoolmeisjes wordt het best gedaan door een ouderen dokter", merkt Näcke op, "soms misschien door den schooldokter". "Ik raad sterk aan", zegt Clouston (The Hygiene of Mind, pag. 249), "dat de huisdokter, geleid door de ouders en den onderwijzer, verreweg de beste leeraar en raadsman is". Moll is van dezelfde meening.
[39] Ik heb dit argument verder ontwikkeld in "Religion and the Child", Nineteenth Century and After, 1907.
[40] De nauwe betrekking die er bestaat tusschen kunst en poëzie en den sexueelen impuls is sporadisch erkend door velen, die niet tot een ruimen blik op de auto-erotische werkzaamheid in het leven gekomen zijn. "Poëzie staat noodzakelijk in verband met de sexueele functies", zegt Metchnikoff (Essais Optimistes, pag. 352), die ook met instemming aanhaalt het gezegde van Möbius (vroeger geuit door Ferrero en vele anderen) "dat artistieke bekwaamheden waarschijnlijk moeten beschouwd worden als secundaire sexueele kenmerken".
[41] Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): "Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn".
[42] Augustinus (De Civitate Dei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.
[43] Zie "The Evolution of Modesty", eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.
[44] C. H. Stratz, Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III; id., Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.
[45] Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. "In al de kunsten", merkt Maeterlinck op, "zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid". Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, "Fidus", Deutsche Kultur, Aug., 1906).
[46] Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne's Patrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, "De Dignitate Animae et Vilitate Corporis". Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. "Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.... Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.... Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?"
[47] Zie (in de uitgave van Mignes) S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.
[48] Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432 et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.
[49] In "The Evolution of Modesty" in het eerste deel van deze Studies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over "Erotic Symbolism", zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.
[50] "La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.
[51] De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman in The New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.
[52] Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. "Spiritus sanctus ... et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam" (Achery, Specilegium, vol. i. p. 55).
[53] Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.
[54] Zie bv. Wilhelm Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112 et seq.
[55] De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. "Het is nergens voor noodig", zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) "dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed".
[56] De heilige Augustinus, De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII-XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.
[57] W. Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112 et seq. Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.
[58] Rufinus, Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.
[59] Migne, Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170 et seq.
[60] Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, "The Mechanism of Detumescence").
[61] Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord "dierlijk" algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term "menschelijk" te gebruiken.
[62] Loc. cit., Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.
[63] Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.
[64] Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. "Wij noemen lust", zegt hij in zijn manuscript, "de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst "lust" kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte "lust" en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan."
[65] Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokter A. Laurentius (Des Laurens) in zijn Historia Anatomica Humani Corporis (lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over "de ongelooflijke begeerte naar coïtus", en gevraagd hoe het kwam, dat "dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn". Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.
[66] Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.
[67] "Misschien is er wel nauwelijks een man", schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), "die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn."
[68] Het geheele argument van een ander deel van deze Studies over "Sexual Selection in Man" wijst in deze richting.
[69] "Misschien zijn wel de meeste gewone mannen", merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van den gourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.
[70] Voor Blake en voor Shelley, zoowel als, naar we er mogen bijvoegen, voor Hinton, is kuischheid, zooals Todhunter in zijn Study of Shelley opmerkt, een wijze van zich onderwerpen aan het actueele, een verzaken van het oneindige, en daarom voelen zij er niet voor. De kuische man, d.i. de man van voorzichtigheid en zelfbeheersching, is hij, die de naaktheid van zijn oorspronkelijke onschuld verloren heeft.
[71] Voor bewijsmateriaal voor de gebruiken van natuurvolken in deze zaak zie men ook hoofdst. IV en VII van de History of Human Marriage door Westermarck en ook hoofdst. XXXVIII en XVI van Origin and Development of the Moral Ideas van denzelfden schrijver, deel II; Golden Bough van Fraser bevat veel, dat op het onderwerp betrekking heeft, evenals ook Mystic Rose van Crawley.
[72] Zie bv. Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, vol. II, pp. 412 et seq.