De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 8
Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. "Het is weinig minder dan misdadig", schrijft Dr. T. M. Goodchild [22], "onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven". In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. "Waarom", schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, "worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt". Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid [23]. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootste deel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken [24]. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. "Maar", zeide ze, "stel dat ik verdronk". "In dat geval", antwoordde hij, "moet ge wachten tot er een man komt, die u redt". Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.
Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde--in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd--dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl "wat jonge meisjes betreft--neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken". We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over "Ancient and Modern Ideas of Purity" in zijn mooi boek, Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die "ziekte der onreinheid", die voortkomt uit "our modern undivine silences", waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat "onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad". (Essais Optimistes, pag. 420).
De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijn L'Homme en Amour de kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.
De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beide evenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: "De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn". Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love's Coming of Age, pag. 9): "Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van wat sekse beteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel--dat gevoel dat zoo'n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd".
Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk ("The Tree of Knowledge", New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden Mme Adam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den "Bund für Mutterschutz" te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in de British Medical Journal eenige jaren geleden (June 9, 1894): "De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid." Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van de American Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June--Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreide History of Matrimonial Institutions (vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. "In het toekomstige opvoedingsprogramma", merkt hij op "nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in".
Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als deze aanwijzingen opgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.
Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kind kunstmatig gescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis van haar kind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.
Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll, op. cit., pag. 264).
Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. "Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt", zeide Frau Krukenberg ("Die Aufgabe der Mutter", Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide ("Die Sexuelle Frage in die Volksschule", id., pag. 35): "Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen". In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden van Public Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester ("The Sex Difficulty", Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (in Child-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.
Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.
Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is, niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: "Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding". (T. Beddoes, Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken van psychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. "Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand's eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen. Waarom", voegt zij er aan toe, "is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?" Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: "Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het de geheimzinnigheid is, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over "dat deeltje van je waar je niet over spreekt", of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een "rare" opmerking in het publiek maakt: "Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg dan wat voor dingen) tegen andere menschen spreken". Maar laat uw kind de opmerking in het publiek maken eer gij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen" (Ennis Richmond, Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, "de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft".
De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over "The Evolution of Modesty") hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende en plebejische platheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen. Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.