De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 79
De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste [456], maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn [457]. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen [458]. Tegenwoordig is er in Engeland en in verschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.
Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis, A Study of British Genius, blz. 120 et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv. Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d'Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in het British Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.
Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie et d'Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventien jaar, in het Rawson Hospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.
Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in de Medical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7 1/2 pond. "Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben", besloot Robertson, "en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag".
De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (Statistisches Jahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch (Sexual Life of Woman, Part II), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiging hebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.
Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerste coïtus geen speciale moeilijkheden meebracht.
Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.
Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.
Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting. De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer [459], en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen--die overeenkomen met den "oestrus" de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden [460]. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.
We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.
NASCHRIFT
"Het werk, waartoe ik geboren was om te doen, is gedaan", schreef een groot dichter, toen hij eindelijk zijn taak had volbracht En hoewel ik geen recht heb een "Nunc dimittis" te zingen, weet ik toch wel, dat de taak, die het beste gedeelte van mijn leven in beslag heeft genomen, maar weinige jaren en weinig kracht kan overlaten voor werk, dat nog na komt. Het is meer dan dertig jaar geleden, dat het eerste denkbeeld om het boek te schrijven, dat hier nu voleindigd is, zich vaag, maar toch met klem aan mij begon op te dringen; de studie en de voorbereiding heeft meer dan vijftien jaren in beslag genomen, en is geëindigd met de uitgave van Man and Woman, dat geplaatst is als inleiding voor het hoofdwerk, hetwelk, met schrijven en uitgeven, de vijftien volgende jaren in beslag heeft genomen.
Het is misschien gelukkig geweest voor mijn gemoedsrust, dat ik bij het begin niet al de bezwaren voorzien heb, die mijn weg zouden bemoeilijken. Ik wist natuurlijk, dat zij, die ernstig en nauwkeurig onderzoek doen naar een onderwerp, dat de menschen gewend zijn te vermijden, zich blootstellen aan misverstand en zelfs aan lasterpraatjes. Maar ik meende, dat een teruggetrokken-levend onderzoeker, die zich voorzichtig bezighield met levensvragen der maatschappij, en zich niet wendde tot het publiek in het algemeen, maar alleen tot de leeraren van het publiek, en die de resultaten van zijn onderzoekingen vastlegde in technisch geschreven boekdeelen, slechts voor weinigen toegankelijk, ik meende, dat zulk een onderzoeker ten minste veilig zou zijn voor grove aanvallen van den kant van politie of van regeering, onder welker bescherming hij meende te leven. Dat is een dwaling gebleken. Toen nog pas een deel van deze Studies geschreven en uitgegeven was, in Engeland, werd, ten gevolge van een vervolging door de regeering bevolen, aan den verkoop van dat deel in Engeland een einde gemaakt, en dit bracht mij er toe te besluiten, dat de volgende deelen niet in mijn eigen land moesten worden uitgegeven. Ik beklaag mij er niet over. Ik ben dankbaar voor de ware sympathie, die mijn werk gevonden heeft in Duitschland en de Vereenigde Staten, en ik moet erkennen, dat het zoo ten slotte een grooteren kring lezers gevonden heeft, zoowel in de Engelsche taal als in de andere belangrijke wereldtalen, dan het bij de aanvankelijke bescheiden wijze van uitgeven, die onze regeering mij toen onmogelijk gemaakt heeft, had kunnen vinden. Ook heeft de poging om mijn werk te onderdrukken, mij geen aanleiding gegeven, ook maar een woord daarin te veranderen. Ik heb, mèt of zonder hulp, mijn weg tot het einde toe voortgezet.
Ik stam van vaders- zoowel als van moederszijde van Engelsche families, die, bijna drie honderd jaar geleden, precies deze zelfde moeilijkheden en gevaren hebben ontmoet. In de zeventiende eeuw ging de strijd om het probleem van den godsdienst, zooals hij nu gaat om het probleem van de sekse. Sedert in de laatste jaren die analogie mij duidelijk is geworden, heb ik dikwijls gedacht aan sommige van die bewonderenswaardige, niet bekende mannen, die verjaagd zijn, beroofd en vervolgd, sommige door de kerk, omdat de geest van het Puritanisme hen bezielde, sommige door de Puriteinen, omdat zij hingen aan de idealen van de kerk, beide echter even rustig en onbuigzaam, beide gelijkelijk vechtend voor de zaak der vrijheid of der orde, op een gebied, waar men nu niet meer over strijdt. Die overwinning heeft mij dikwijls een goed voorteeken geschenen voor het misschien ontaarde kind van deze mannen, die nu tracht de zaak van vrijheid en orde voor te staan op een ander gebied.
Soms schijnt het werkelijk een wanhopige taak beweging te brengen in den druk der logge vooroordeelen, die op geen gebied zoo hardnekkig zijn, als op geslachtelijk gebied. Het kan er toe bijdragen de sereniteit van ons optimisme te herwinnen, als we maar duidelijker wilden erkennen, dat in maar zeer enkele generaties al deze vooroordeelen zullen zijn te gronde gegaan en vergeten. Hij, die voortschrijdt in de voetstappen der natuur volgens een wet, die niet door menschen gemaakt is, maar boven en buiten den mensch is, heeft tijd en eeuwigheid op zijn hand, en kan zoowel geduldig zijn als zonder vrees. Menschen sterven, maar de denkbeelden, die zij nastreven, blijven leven. Men kan onze boeken in de vlammen werpen, maar in de volgende generatie worden die vlammen tot menschelijke zielen. De verandering geschiedt door den dokter in zijn spreekkamer, door den leeraar op de school, den prediker op den preekstoel, door den journalist in de pers. Het is een verandering, die, langzaam maar zeker, zich om ons heen voltrekt.
Ik weet zeker wel, dat velen zich niet in staat zullen gevoelen, de opvatting over den toestand der sexueele kwestie, zooals die hier uiteen is gezet, voornamelijk in het laatste deel, te aanvaarden. Sommigen zullen die opvatting te conservatief vinden, anderen te revolutionair. Want er zijn altijd menschen, die zich hartstochtelijk aan het verleden vasthouden; en er zijn altijd anderen, die hartstochtelijk dàt grijpen, wat zij voor de toekomst houden. Maar de wijze staat tusschen beide partijen in en sympatiseert met beide, omdat hij weet, dat wij altijd in een toestand van overgang zijn. Het tegenwoordige is in iederen tijd alleen het keerpunt, waar het verleden in de toekomst overgaat, en wij kunnen en moeten met beide vrede hebben. Er kan geen wereld zijn zonder tradities; en er kan geen leven zijn zonder beweging. Zooals Heraclitus al wist bij het begin van de moderne philosophie, wij kunnen niet tweemaal in denzelfden stroom baden, hoewel toch, zooals we tegenwoordig weten, de stroom vloeit in een eindeloozen kringloop. Er is nooit een oogenblik, waarop de nieuwe dageraad niet over de aarde aanbreekt, en nooit een oogenblik waarop de zon niet meer ondergaat. Het is goed zelfs den eersten glimp van den dageraad kalm te begroeten als we hem zien, er niet met ongepaste haast heen te snellen, en het ondergaan der zon niet den rug toe te keeren zonder dankbaarheid voor het stervende licht, dat eens de dageraad was.
In de moreele wereld zijn wij zelf de lichtdragers, en het cosmische proces wordt in ons verwezenlijkt. Voor een korten tijd kunnen wij, als wij willen, de duisternis verlichten, die ons pad omgeeft. Evenals de toortsdragers der oudheid, die aan Lucretius toeschenen het symbool van het leven te zijn, snellen wij voorwaarts, met den fakkel in de hand. Spoedig loopt iemand achter ons, die ons zal inhalen. Al ons kunnen bestaat daarin, dat wij den brandenden fakkel helder en zonder flikkeren in zijn hand geven, terwijl wij zelf in het duister verdwijnen.
HAVELOCK ELLIS.
AANTEEKENINGEN
[1] Deze deelen zijn in bewerking en zullen eveneens bij uitgeefster dezes in het Nederlandsch verschijnen.
[2] Het is natuurlijk niet altijd letterlijk waar, dat iedere ouder juist de helft van de erfelijkheid aanbrengt, want, zooals we in het algemeen onder de dieren zien, nadert de nakomelingschap somtijds meer tot de eene ouder, somtijds tot de andere, terwijl onder planten, zooals De Vries en anderen hebben aangetoond, de erfelijkheid nog wel ongelijker verdeeld is.
[3] Het zal wel haast niet noodig zijn te zeggen, dat, waar wij zeggen dat het moederschap de hoogste functie is van een vrouw, wij daar in het geheel niet beweren, dat haar werkzaamheden zich tot het tehuis moeten beperken. Dat is een opinie, die nu wel mag beschouwd worden als niet meer bestaande, zelfs onder hen, die het meest de functie van de vrouw als moeder verheerlijken. Zooals Friedrich Naumann en anderen zeer waar gezegd hebben, is een vrouw niet volkomen toegerust om haar functies van moeder en opvoedster van de kinderen te vervullen, als zij niet in de wereld geleefd en een beroep uitgeoefend heeft.
[4] "Als de hoedanigheden van hoofd en hart dezelfde waren in beide geslachten", zegt Lily Braun terecht (Die Frauenfrage, pag. 207), "dan zou het binnentreden van de vrouw in het publieke leven geen waarde hebben voor de menschheid, en zou zelfs leiden tot een nog heviger concurrentie. Alleen de erkenning, dat de geheele aard van de vrouw verschillend is van dien van den man, dat zij beteekent een nieuw, levenwekkend beginsel in het menschelijk leven, maakt de vrouwenbeweging, ondanks de verkeerde opvattingen van haar vijanden en haar vrienden, een maatschappelijke revolutie". (Zie ook Havelock Ellis, Man en vrouw, vierde uitgave, 1904, vooral hoofdstuk XVIII).