De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 78
De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. "Demographie", Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphilis et Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). In Oostenrijk betoogt Haskovec uit Praag ("Contrat Matrimonial et l'Hygiène Publique", Comptes-rendus Congrès International de Médecine, Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. "Het schijnt mij juist even noodig toe", merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), "een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste".
Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, die hun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.
De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht--"de openlijke erkenning van een natuurlijken adel"--maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid [450].
Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijl ieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand [451]. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. "Ieder kind moest", zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, "als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was". Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder's dossier mocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.
Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van "navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat", is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. "Ik heb in de laatste jaren zeer den indruk gekregen", schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), "dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad".
Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis, The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus--die, zooals Duclaux (L'Hygiène Sociale, p. 263), het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit "als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil"--zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.
Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele--erfelijke, anthropometrische en pathologische--feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.
Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeft veel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.
Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der "moederschapspremie", waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: "Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd" [452]. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken [453]. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.
Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken [454].
Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa's van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.
Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van den coïtus uit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. "Van iederen man", zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), "die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijs van het tegendeel verkregen is". In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken ("Die Sterilen Ehen", Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch, The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.
Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin--ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,--hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.
De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was ("Artificial Fecundation before the Inquisition", British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.
Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen [455]. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?