De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 77
Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van de Oneida Community bij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in een Essay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar een haarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn--en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben--met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. "Het begint duidelijk te worden", zegt Noyes aan het begin, "dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens". Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd ("de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan "milieu", terwijl "erfelijkheid" in de eerste plaats komt", zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt, "hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt". (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton's werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. "Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen--wij willen het doen--maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt". Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.
Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting "Stirpicultuur" te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. "De hoeveelheid van de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen", zooals Noyes de kwestie zag, "en de waarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen". In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren "Teel van de besten", en "Teel in denzelfden kring", met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomen Entwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). "Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren". Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.
Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, "beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is". Bovendien beslist het, gaat hij voort, "in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft". "Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen". Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, "door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen". Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar "het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is"; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want "als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan".
De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, "zelfbeheersching der mannen" (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. "De gemeenschap", zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), "was een familie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen". Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in het algemeen zich vormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), "hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn", en dat "het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse", waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.
In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,--en zelfs den onzen,--vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemming met de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten--het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie--zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.
De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver van The Strike of a Sex, en Zugassant's Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat "ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was".
Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.
Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.
Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan de overweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.
Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.
Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen--zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is--dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.
Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheid en bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken [445].
Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,--een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven [446] te beschouwen,--dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.
De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn--degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu--die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemen pari passu toe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer--misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft--plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid, die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode--als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden [447] en zonder toestemming van het individu--is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.
Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.
De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk [448].
In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd [449], is een schrede vooruit op den weg van het menschdom. Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.