De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 75
De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naam Condon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan worden gebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van het College of Physicians, en wat de boeken van het College of Surgeons betreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van "condus"--dat, wat bewaart--en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.
De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch, Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch, Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès, Indiscretions de l'Histoire, p. 121, etc.
De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.
Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide [430] dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.
Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoon is in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.
Brouardel (op. cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken "zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is", terwijl "een onnoemelijk aantal van gevallen" nooit aan het licht komen. "Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie", zegt Scott, "dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt". (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen "conscientieuse personen" zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. Het Michigan Special Committee on Criminal Abortion berichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek, dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.
Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in het British Medical Journal (April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven "gezond en systematisch", en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van "Vrouwenpillen", die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft ("The Increasing Use of Lead as an Abortifacient", British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman, Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.
Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in de Société de Médecine Légale in Parijs, Archives d'Anthropologie Criminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Société d'Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon, La France en 1891, blz. 629-631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (Eugène Bausset, L'Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.
In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger, Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; en Sexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).
Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat op theoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd [431]. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo's, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: "Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden" [432]. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft [433].
De tegenwoordige medische wetenschap en practijk--hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken--nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinie der medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.
Dr. S. Macvie ("Mother versus Child", Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is "een parasiet, die geen enkele functie uitoefent", en dat, "tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk". Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat "het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal".
Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder ("Der Künstliche Abort", Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm ("Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht", Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.
Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deel lii en liii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; "het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen". Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig "onvervreemdbaar recht op leven" zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuring en algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het "onvervreemdbaar recht" van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het "onvervreemdbaar recht" der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk "onvervreemdbaar".
In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boek Das Recht zur Beseitigung Keimenden Lebens de pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, Camilla Jellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf [434]. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.
Elisabeth Zanzinger ("Verbrechen gegen die Leibesfrucht", Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. "Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid... Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen". Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleveren voor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift ("Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens", Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. "Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur". Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijke hygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.
De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is--en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming--dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijn Aborto, Infanticidio ed Esposizione d'Infante uit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.