De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 74
Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent "zelfmoord van het ras". Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste types van burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.
Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis, A Study of British Genius, blz. 115-120). De krankzinnigen, de idioten, de imbecielen en zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis, op. cit., p. 110; Toulouse, Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, "Malthusianism and Degeneracy", Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt in Sexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo'n neiging.
Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. "Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft", zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); "ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen". Hij kreeg er vier,--een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was--en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.
De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieper te gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.
Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, "het Protestantsche Rome", getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten [422]. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden--tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici--een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen van een hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven [423]. Als die menschen, die den kreet aanheffen van "zelfmoord van het ras" ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.
In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemden Essay on Population van Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,--hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,--daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.
Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.
James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel "Colony" in het supplement van de Encyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: "Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden". Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: "Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma's te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten" [424].
Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijn Moral Physiology uit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broeders George en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijn Elements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; de Lord Chief Justice verklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen "de werktuigen van de Voorzienigheid" inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.
In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit, The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, "Dr. C. R. Drysdale, Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre", verscheen in het Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt "facultatieve steriliteit", die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.
Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity, British Medical Journal, April 20, 1895) "hun deelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt". Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. "Wat kan bedroevender zijn", vraagt Blandford (loc. cit.), "dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?" Bovendien heeft Tredgold (Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch, Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 en Sexual Life of Woman; Vinay, Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, "Heart Disease in Relation to Pregnancy", British Medical Journal, Mei 25, 1907).
In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.
Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft--hoewel dan eerst in de laatste jaren--naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk [425]. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geleden mogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van "verschillende afschuwelijke middelen" om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is "op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper" [426].
De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling [427]. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan--soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben--om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.
Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort [428]. Dit is de opinie van Kraft-Ebing, van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen [429].
Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de "capote anglaise", of de "redingote anglaise", en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova, Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze "redingotes" echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, "zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend" was. Deze capotes--toen uit goudvlies gemaakt--waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als "cuirasses contre la volupté et toiles d'arraignée contre le mal". De naam "condom" dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan "condom" wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd "condon". Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:--
"Du condon cependant, vous connaissez l'usage
Le condon, c'est la loi, ma fille, et les prophètes!"