De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 73

Chapter 733,458 wordsPublic domain

Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, "de eugeniek is de oudste van de wetenschappen". De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onder oudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.

Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.

Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling over Antenatal Pathology met de bewering, dat "Eugeniek" of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van de Journal of Mental Pathology heeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: "De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken". "Er zijn omstandigheden", zegt C. H. Hughes ("Restricted Procreation", Alienist and Neurologist, Mei 1908), "waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen".

Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.

Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: "Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen". Professor J. Arthur Thomson pleit in zijn boek over Heredity (1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel's Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op: "Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is". Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigende Neue Sittenlehre (1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.

In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermelden Population and Progress (1907), door Montague Crackanthorpe, President van de Eugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, "Eugenics and St. Valentine", Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haar Scientific Meliorism (1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, "een nieuwe sleutel is tot de sociale positie", en een noodzakelijke voorwaarde voor "nationale hervorming". Het Groundwork of Eugenics (1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermelden Parenthood and Race Culture (1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.

In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).

Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.

Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw over haar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van de Arabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de "deugd en den moed" van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, "niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is" [420]. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. "De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen", zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, "en zij zullen het doen als moeders". Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.

Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. "Het schijnt mij toe", schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden ("The Welcome Child", Arena, April, 1895), "dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.... Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevolle wensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt." Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen "het gepleisterde graf van het huwelijk" nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel "als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen". Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. "Als tegenwoordig", zegt zij, (In de voorrede van Liefde en de Vrouwen, 1906), "alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen--verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie--en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn".

De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar "brood verdienen" door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam, Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.

Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen--en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden--van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken, want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. "Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie", zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, "dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid" [421].

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): "Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klasse voorbehoedmiddelen gebruiken". Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat "de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg", en deze achteruitgang is "voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen", en dat "een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking", worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door de Fabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.

Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.

Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeld waar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in de Journal Royal Statistical Society, April 1906.

Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk--die altijd let op sexueele kwesties--het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang een doodzonde is, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van den coïtus interruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, "den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken", dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als de debitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier, Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz. 179-182; aangehaald door Hans Ferdy, Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.