De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij
Part 72
In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d'Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: "De maatschappij", zegt hij, "is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de "kwestie van de nakomelingschap", dan met de "kwestie van de liefde". Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?" Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. "De toekomst", gaat hij voort, "behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is".
HOOFDSTUK XII
DE WETENSCHAP DER VOORTPLANTING
De betrekking tusschen de wetenschap der voortplanting en de kunst van liefhebben.--Sexueele begeerte en sexueel genot als de voorwaarden der conceptie.--De voortplanting was vroeger overgelaten aan luim en begeerte.--Het vraagstuk der voortplanting als een godsdienstkwestie.--Het geloof in eugeniek.--Ellen Key en Francis Galton.--Onze schuld tegenover de nakomelingschap.--Het vraagstuk natuurlijke keuze te vervangen.--De oorsprong en de ontwikkeling der eugeniek.--Het algemeen aannemen van de principes der eugeniek tegenwoordig.--De twee wegen, waarop de principes der eugeniek in praktijk worden gebracht.--Het besef van sexueele verantwoordelijkheid bij de vrouwen.--Verwerping van het opgedrongen moederschap.--Het privilege van het vrijwillige moederschap.--Oorzaken van het in minachting brengen van het moederschap.--De beperking der conceptie.--Zij wordt tegenwoordig door de meerderheid der bevolking in beschaafde landen in praktijk gebracht.--De drogrede "zelfmoord van het ras".--Zijn groote families een merkteeken van degeneratie?--Het beperken van de voortplanting is het gevolg van natuurlijken en beschaafden vooruitgang.--Het toenemen der Nieuw-Malthusianistische ideeën en gebruiken.--Facultatieve steriliteit onderscheiden van Nieuw-Malthusianisme.--De medische en hygiënische noodzakelijkheid van de beperking der conceptie.--Voorbehoedmiddelen.--Miskraam.--De nieuwe leer van den plicht miskraam op te wekken.--In hoeverre is dit te rechtvaardigen?--Castratie als methode om de voortplanting te beperken.--Negatieve eugeniek en positieve eugeniek.--De kwestie van getuigschriften voor het huwelijk.--De ontoereikendheid van het vaststellen der eugeniek door de wetgeving.--Het scherpen van het maatschappelijk geweten met betrekking tot de erfelijkheid.--Beperking van de geschiktheid voor het moederschap.--De voor de verwekking gunstige voorwaarden.--Steriliteit.--De kwestie van kunstmatige bevruchting.--De voor de voortplanting meest gunstige leeftijd.--De kwestie van het vroege moederschap.--De beste tijd voor de voortplanting.--De voleindiging van den goddelijken levenskring.
Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden--zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven [414]--dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.
Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen--en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken--erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.
Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling over Sterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.
Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen, Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het "hoogst waarschijnlijk" is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan den coïtus een belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.
Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordat sexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bij coïtus aan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.
"Van alle menschelijke instincten", heeft Pinard gezegd [415], "is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner". En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. "Volgende geslachten", schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden [416], "zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu".
Men zegt ons, dat de groote Luther in zijn tafelreden gewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was ("sehr närrisch"), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, "uit klei". En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaard zijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.
Het gebod "Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u", dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt [417] een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.
Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van "zuivere moraliteit". Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haar mores hebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend [418]. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijn diepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.
De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haar Eeuw van het Kind (in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. "Het is alleen maar een kwestie van tijd", schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), "wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel".
Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over "Beperkingen in het huwelijk" schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over "Eugeniek als een factor in den godsdienst" (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: "Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd... Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo'n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur".
Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden "een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht", die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, "Die Crisis der Sexuellen Moral", Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme ten opzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.
"Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?" heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft [419]. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.
Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in 't begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem van hygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als "de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten". In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch "de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben".
In het laatste hoofdstuk van zijn Memories of My Life (1908), over "Verbeteringen van het ras", zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord "eugeniek" gebruikte hij het eerst in 1884, in zijn Human Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over "Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek" (1907) en elders. Galton's talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door de Eugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerd The Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson's biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, "Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek" (1907). Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. In Duitschland is het Archiv für Rassen und Gesellschafts-biologie en de Politisch-Anthropologische Revue in ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceert The Popular Science Monthly van tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.