De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

Part 71

Chapter 713,509 wordsPublic domain

Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp--een omarming van de kamenier van zijn vrouw--was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord's Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. "Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde... Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos... Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij... Zoo eindigt de maand", schrijft hij een paar dagen later, "met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, en dat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God's vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend". Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: "De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen". Hij was echter "zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen". Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. "Ik moet hier opmerken", zegt hij, "dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren". De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan "voor haar eer te zorgen en God te vreezen", en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.

Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.

Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.

Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543-552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. "Tegenwoordig", verklaart Hirth naar waarheid, "kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk... Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die als vriend het edelst denkt en het diepst ziet." Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek der jaloezie heeft alleen maar succes--als ze ooit succes heeft--in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.

Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen [410].

De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor een man en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebben buiten de erotische sfeer [411]. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder speciale omstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de "vriendschap" van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.

"Op den langen duur", schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is in Geschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) "worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: "Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?" En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord "kus" gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?" Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.

Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen "Platonische vriendschappen" die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige "Platonische vriendschappen" kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwen zooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden--heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten [412].

De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.

Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat "liefde" in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.

"Zoogenaamd gelukkige huwelijken", zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), "zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen--terwijl ze hem koestert als een kind--of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels".

"Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon", schrijft een vrouw, "gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten". "De bron van de liefde van elke ware vrouw", schrijft een andere vrouw, "is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben".

Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. "De taak is uiterst moeilijk", zegt Kisch in zijn Sexual Life of Woman, "maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijke aantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia". En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman van La Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat "een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed". De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. "Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben", zegt Helene Stöcker, "zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden". We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.

Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo'n groote openbaring kan zijn en zoo'n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben--van hoeveel belang die ook mogen zijn--die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar [413].

Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren--goede of slechte, al naar het geval is--voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.